DE MYTHE VAN HET WISPELTURIGE ELECTORAAT

De kiezer is geen zandkorrel

Hoewel de snelle veranderingen in de peilingen anders doen vermoeden, is de Nederlandse kiezer allerminst de weg kwijt.

In 2008 schreef bijzonder hoogleraar kiezersonderzoek Joop van Holsteyn voor De Groene Amsterdammer een analyse over ‘het wispelturige electoraat’. Vandaag draait het om andere partijen, maar de conclusie blijft: de kiezer is geen zandkorrel.

ZELFS IN DE PEILINGLUWE komkommertijd wisten de media te berichten over het op hol geslagen electoraat. Begin augustus meldden ze dat er onder Nederlandse kiezers grote verwarring bestaat. Volgens de peiling was het onduidelijk wat ze nu zouden stemmen. Trefwoorden: verdeeldheid en onduidelijkheid.

Dat er ‘nu’ geen verkiezingen zijn en dat de vraag dus enigszins ongepast is, is tot daar aan toe. Dat aan elke zetel verschil in de peilingen betekenis wordt gehecht, die denkfout is kennelijk onuitroeibaar. Storender is dat in de berichtgeving over kiezers hun wispelturigheid voortdurend de rode draad vormt. Het electoraat werd rond de Tweede-Kamerverkiezingen van 2002 weggezet als een flipperkast. Kiezers zouden met hoge snelheid heen en weer schieten over het politieke veld, niet te voorspellen en niet te controleren. De metafoor van de kiezers als stuifzand was eveneens populair. De kern ervan is dat de kiezers van het ene op het andere moment, om niet te doorgronden redenen, van richting wisselen. Of, in een iets minder welwillende duiding: de Nederlandse kiezer, die doet maar wat. Dat zou zo zijn geweest in 2002, in 2003 en in 2006. Wie vervolgens de weekpeilingen en de daarop gebaseerde berichtgeving volgt, raakt ervan overtuigd dat de kiezer nog altijd de weg kwijt is.

Dat dominante beeld van ongekende beweeglijkheid (in jargon: volatiliteit) is correct en incorrect tegelijkertijd. Zeker, bij recente verkiezingen wisselden meer zetels tussen partijen dan ooit tevoren. Het breukpunt moet daarbij trouwens niet in 2002 maar eerder in 1994 gezocht worden. Iedereen kent het klassieke beeld van de verzuilde kiezer die bij verkiezingen kwam opdraven om in het stemlokaal zijn sociale identiteit uit te drukken. De katholiek stemde KVP, de handarbeider PVDA, en zo verder. Die tijd is voorgoed voorbij. Verkiezingen hebben zich al geruime tijd ontdaan van hun karakter van volkstelling. Kiezers kiezen.

Dat kiezers daadwerkelijk kiezen tussen de vele politieke alternatieven die er zijn, geeft beweeglijkheid aan de oppervlakte van het politieke water. Het is echter een misverstand om die beweeglijkheid te zien in termen van wijzigende politieke opvattingen en verlangens. Een verandering in partijkeuze staat niet noodzakelijk gelijk aan een verandering in politieke voorkeur.

Kiezersonderzoek maakt duidelijk dat het Nederlandse electoraat als geheel en door de tijd heen relatief stabiel is in politieke opvattingen. Hier is beduidend minder beweging dan beelden van stuifzand en flipperkasten doen vermoeden. In de volgens sommigen sleetse maar nog altijd niet versleten termen van links en rechts, bijvoorbeeld, is het beeld van de Nederlandse kiezers de afgelopen twintig jaar nauwelijks gewijzigd. De ruk naar rechts die in 2002 met het succes van de LPF werd geconstateerd, is niet terug te vinden als we kijken naar hoe kiezers zichzelf politiek plaatsen. Op het spectrum van uiterst links naar uiterst rechts plaatst het electoraat als geheel zich keer op keer op vergelijkbare wijze, met steevast verreweg de meeste kiezers in de buurt van het politieke midden.
Wat geldt voor deze globale ideologische karakteriseringen geldt tot op grote hoogte ook voor opvattingen van Nederlandse kiezers over specifieke politieke vraagstukken. Zo was het niet de ‘verdienste’ van Pim Fortuyn dat in 2002 zoveel weerstand tegen de kennelijk mankerende integratie van minderheden bestond. In dat jaar gaf volgens het Nationaal Kiezersonderzoek de helft van de ondervraagden (49 procent) aan dat men zo goed als volledige aanpassing wenste aan Nederlandse cultuur en gewoonten. Maar dat was een kleine tien jaar eerder ook al het geval, toen 44 procent in antwoord op deze vraag liet weten zo’n aanpassing te wensen. Fortuyn bracht mensen niet tot andere opvattingen, maar had op dit punt gelijk met zijn stelling dat hij verwoordde wat velen al langer dachten. De politieke voorkeur van de kiezers was tussen 1994 en 2002 niet substantieel veranderd. Met het verschijnen van de LPF op het politieke toneel kon deze voorkeur echter, anders dan in het verleden, worden omgezet in een bijpassende partijkeuze. Trouwens, ook in 2006 en dus jaren na de dood van Fortuyn gaf opnieuw 49 procent aan vergaande aanpassing van minderheden te prefereren. Over stabiliteit gesproken.

Kortom, schijn bedriegt. De vele wisselingen aan de politieke oppervlakte kunnen niet worden toegeschreven aan sterk wisselende en kerende onderstromen. Maar aan wat dan wel? De veranderingen in kiesgedrag en zetelwisselingen kunnen immers niet worden ontkend.

Voor de verklaring daarvan moet niet alleen gekeken worden naar de kiezers, maar ook naar de partijen. Nederland kent een bestel met zeer veel politieke partijen. Waar nog bij komt dat het relatief eenvoudig is een politieke partij te beginnen, mee te doen aan verkiezingen en een plekje in bijvoorbeeld de Tweede Kamer te verwerven. Dat bij de aanwezigheid van zoveel partijen sommige op elkaar lijken, ligt voor de hand.

Dit gegeven van een zeer ruime aanbodkant van de politiek, gecombineerd met het feit dat de Nederlandse kiezer van de 21ste eeuw niet meer zoals vroeger vanuit zijn sociale positie vastzit aan een enkele partij, schept ruimte voor zogenoemde keuzesets. De kiezer heeft min of meer stabiele beleidsmatige en ideologische wensen. Maar die kiezer ziet ook dat er verscheidene partijen zijn die in de buurt komen van de eigen voorkeur. Hij heeft vanuit een stabiele voorkeur de keuze uit verschillende partijen die hem ongeveer even lief zijn. Zo politiek monogaam als de verzuilde kiezer ooit was en geacht werd te zijn, zo promiscu is de eigentijdse burger in het kieslokaal. Zonder zijn diepere voorkeur te verloochenen.

Enkele cijfers om het beeld te verhelderen. In onderzoek is gevraagd hoe groot mensen de kans achten ooit op een bepaalde partij te stemmen. De antwoorden op die vraag maken duidelijk dat maar een kleine minderheid slechts een enkele partij een reële kans geeft. In 2006 stak voor niet meer dan 30 procent van de kiesgerechtigden één partij er met kop en schouders bovenuit. Dan blijft er nog een dikke meerderheid van 70 procent over die twee of meer partijen serieus in de overweging betrekt. In 2006 ging het bij 32 procent om twee partijen, bij 20 procent om drie partijen, en bij een bijna even grote groep zelfs om vier of meer partijen. Het zijn de kiezers met ruim gevulde keuzesets die het beeld van beweeglijkheid veroorzaken. Zij hebben een voorselectie van politieke partijen in het hoofd, en maken, wellicht op basis van kortetermijnfactoren of strategische overwegingen, van verkiezing op verkiezing een keuze uit het selecte gezelschap van partijen die voor hun stem in aanmerking komen. Die specifieke keuze kan van de ene op de andere keer verschillen, binnen een stabiele keuzeset die rust op een vaste grond van politieke overtuigingen en voorkeuren.

Het idee van keuzesets kan het inzicht in electorale ontwikkelingen en bewegingen verbeteren. Zeker als het om de opkomst en het mogelijke succes van nieuwe politieke groeperingen gaat. Immers, het is geen grote verrassing te constateren dat CDA en VVD bij een aanzienlijke groep kiezers in een keuzeset zitten, of PVDA en SP bij een andere groep, of CDA en ChristenUnie. Voor alle duidelijkheid: het feit dat dit nogal vanzelfsprekend lijkt, doet aan het belang ervan niet af. Het maakt duidelijk dat kiezers niet zomaar wat doen. Er zullen vast kiezers zijn die hun keuze maken uit het volledige aanbod van partijen, maar voor verreweg de meeste is de keuze na een eerste schifting beperkt tot enkele ideologisch of op andere kenmerken verwante concurrerende partijen. Het aantal losgeslagen kiezers lijkt buitengewoon beperkt. Niks geen flipperkast. Eerder beheerste en bewuste beweging op de kleine, afgebakende ruimte.

En Trots op Nederland (TON) dan? In de peilingen is de partij die liever geen partij wil zijn goed voor een zeer aanzienlijk aantal zetels. Als de voorgaande redenering klopt, moet het zo zijn dat de partij van Rita Verdonk zich weet in te vechten in de individuele keuzeset van een fors aantal kiezers. Correct? En hebben alle partijen dan evenveel last van deze nieuwe standwerker op de politieke markt? Op basis van academisch kiezersonderzoek is hier weinig over te zeggen. Simpelweg omdat dergelijk onderzoek meestal rondom echte verkiezingen plaatsvindt. In 2006 stond Verdonk nog keurig op de lijst van de VVD, de meest beroemde en beruchte nummer twee aller tijden waarschijnlijk.

Op basis van enkele metingen binnen het Eén Vandaag-opiniepanel kan desondanks een indruk worden verkregen van de electorale potentie van Verdonk en haar TON. Toegegeven, internetpeilingen waarbij mensen zichzelf hebben aangemeld zijn, anders dan sommige peilers beweren, niet erg geschikt voor conclusies over het Nederlandse electoraat als geheel. Maar zij bieden wel mogelijkheden om bepaalde mechanismen en patronen op het spoor te komen. Zoals de samenstelling van keuzesets.

Voor eind 2007, begin 2008 zien we dan ook niet alleen meer de gebruikelijke keuzesets als die van PVDA, SP en GroenLinks, CDA en VVD, PVDA en SP, of SP en GroenLinks. We zien dat TON zich in de hoofden van kiezers heeft weten te vestigen en een electorale concurrent vormt voor vooral de partijen aan de rechterkant van het politieke spectrum. PVDA of SP hebben van Verdonk weinig last – maar die zitten natuurlijk al lelijk in elkaars vaarwater.

In overeenstemming met het idee dat kiezers partijen opnemen in hun keuzeset op basis van politiek relevante criteria, bijvoorbeeld in termen van links en rechts, zien we dat TON een serieuze concurrent is voor PVV, VVD en CDA. TON opereert eerst en vooral aan de rechterkant van het politieke spectrum. De vrees van bijvoorbeeld de PVDA voor de aantrekkingskracht van Verdonk onder sociaal-democratische kiezers doet dan ook sterk overdreven aan. Het zijn de rechtse en centrumrechtse partijen die Verdonk en TON dienen te vrezen. Zo zijn er keuzesets van enige omvang die TON en PVV bevatten, TON, PVV en VVD, en TON, VVD en CDA.

Het lot dat groeperingen aan de linkerkant van het politieke spectrum al tijden treft – heftige concurrentie van een aantal verwante partijen en partijtjes – valt met de opkomst van de partijformaties van Geert Wilders en Rita Verdonk nu ook de rechterkant ten deel. Inclusief het CDA, dat het in 2002 en navolgende jaren, mede door de weinig overtuigende indruk die de VVD maakte, goed deed onder de centrumrechtse kiezers. Het CDA zal bij eerstvolgende verkiezingen ook nadrukkelijk in de slag moeten met vooral Verdonk om die kiezers opnieuw voor zich te winnen.

En ach, als TON fors weet te winnen zullen er commentaren besteed worden aan de ‘ruk naar rechts’. Gelukkig weten we beter: voor het overgrote deel zal de aanhang van Verdonk bestaan uit kiezers die rechtse politieke opvattingen hadden, hebben en zullen houden en die nu eens op het CDA stemmen, dan weer op TON, en wie weet bij een volgende gelegenheid VVD. Dat zorgt voor veel politiek rumoer en electorale beweging. Maar in termen van opvattingen zal er geen wezenlijke verandering zijn opgetreden onder de Nederlandse kiezers.
Ook in het nieuwe politieke seizoen zal de ene politieke voorkeurspeiling over de andere buitelen. En ongetwijfeld zullen oppervlakkige veranderingen worden gezien als fundamentele verschuivingen in de politieke inzichten en wensen van het electoraat. Daar valt niet aan te ontkomen. Het zou alleen jammer zijn als de kiezers worden uitgemaakt voor willoze speelballen in een flipperkast of voor korrels zand die zich alle kanten op laten blazen. Zulke weinig vleiende beelden doen de in meerderheid stabiele en standvastige Nederlandse kiezers geen recht.


Joop van Holsteyn is universitair hoofddocent en bijzonder hoogleraar kiezersonderzoek aan de Universiteit Leiden

Beeld: Milo