Weg met het democratisch doemdenken (2)

De kiezer is niet gek

Anders dan allerlei crisisdenkers doen geloven, functioneert de democratie in Nederland uitstekend. Het vertrouwen in de democratie is groot, machthebbers worden met scepsis gemonitord en de kiezer is gaan kiezen. Precies zoals het hoort in een volwassen democratie.

Small democratie3

Wie niet beter weet zou denken dat Nederland te kampen heeft met een diepgaande democratische crisis. Nationale en lokale politici buitelen over elkaar heen met voorstellen die de legitimiteit van de Nederlandse democratie moeten herstellen. In hun verkiezingsprogramma’s van 2017 roepen politieke partijen op tot districtenstelsels, hogere kiesdrempels, bindende referenda, en burgerinitiatieven. Code Oranje, een initiatief van tientallen burgemeesters, wethouders, raadsleden en anderen, wil de Gemeentewet aanpassen zodat een deel van de gemeenteraadsleden niet door verkiezingen maar door een loterij wordt gekozen. De Eerste en Tweede Kamer verzochten premier Rutte een staatscommissie in te stellen die zich moet bezinnen over het functioneren van de parlementaire democratie, en zo nodig met voorstellen ter verbetering moet komen. Wordt het na honderd jaar evenredige vertegenwoordiging tijd om de representatieve democratie om te vormen of zelfs in te perken?

Veel (oud-)politici, journalisten en columnisten menen dat de representatieve democratie gered moet worden. Ze somberen, mopperen en wanhopen in de krant en op tv openlijk over de staat van onze democratie. Nederland gaat gebukt onder een alarmerende democratische (vertrouwens)crisis, zo luidt de conclusie van een divers gezelschap, waaronder de Raad voor het openbaar bestuur (‘Het is al vijf voor twaalf geweest’), publicist David Van Reybrouck (‘Zonder drastische aanpassing is dit bestel geen lang leven meer beschoren’), oud-Tweede-Kamervoorzitter Gerdi Verbeet (‘Die Tweede Kamer en dat systeem van verkiezingen… Dat zit aan het eind van zijn Latijn’) en zelfs premier Mark Rutte, in de tijd dat hij nog staatssecretaris was (‘Het hele systeem van politieke partijen is failliet’).

Wat die democratische crisis precies inhoudt en wat de oorzaken ervan zijn, daarover verschillen de meningen. Maar de schuld van die vermeende crisis wordt geheel of gedeeltelijk neergelegd bij u, de burger. Volgens de een komt de democratische crisis tot uiting in een steeds diepere vertrouwenskloof tussen burgers en politiek. Volgens de ander kunnen burgers zich nog maar moeilijk warm maken om politiek actief te worden. En weer anderen wijzen naar de opkomst van nieuwe partijen en concluderen dat de kiezer zijn taak niet serieus neemt. De kiezer zou apathisch zijn, de politiek niet langer vertrouwen, en zich in verkiezingstijd wispelturig gedragen. Critici zijn afwisselend neerbuigend over de kiezer (die niet in staat zou zijn de juiste keuzes te maken), verongelijkt over de kiezer (wanneer die volgens betweters een verkeerde keus gemaakt zou hebben), of bevoogdend over de kiezer (wanneer die beschermd moet worden als slachtoffer van de keuzes die hij zelf maakt).

Dat is onterecht. Van een democratische crisis is geen sprake; zeker niet een crisis waarvoor de kiezer verantwoordelijk zou zijn. Sterker nog: afgaande op het oordeel van internationale experts is die suggestie lachwekkend. Het Amerikaanse Freedom House geeft Nederland steevast de hoogste score voor politieke en burgerlijke rechten. De Wereldbank zet Nederland op plaats negen van 193 landen in een ranglijst van vrijheidsrechten, burgerparticipatie en politiek vertrouwen. En Nederland scoort ook goed bij het internationale, universitaire project Varieties of Democracy (v-Dem): het meest uitvoerige onderzoek naar de kwaliteit van de democratie. Als liberale democratie stond Nederland in 2012 op de veertiende plaats van 170 onderzochte landen.

***

Als we op experts mogen afgaan, bestaat die democratische crisis simpelweg niet. Maar laten we – in de beste democratische traditie – deze conclusie nu eens niet aan de experts overlaten. Nederlandse kiezers geven met grote regelmaat in allerhande enquêtes zelf een oordeel over de staat van de democratie en hun vertrouwen in de politiek. Volgens recent onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp) noemde in 2008 93 procent van de Nederlanders de democratie de beste vorm van regeren, en vond in 2012 95 procent van de Nederlanders het belangrijk in een land te wonen dat democratisch wordt bestuurd. Met de fundamentele steun voor het principe zit het dus wel goed. Ook zijn Nederlanders tevreden met het functioneren van de democratie in ons land. Die tevredenheid is allerminst gedaald (laat staan ‘in een krankzinnig hoog tempo’ (Tom-Jan Meeus) of ‘in sneltreinvaart’ (David Van Reybrouck)) maar juist fors gegroeid. Om precies te zijn steeg het hier in de Eurobarometer van zo’n 55 procent in de jaren zeventig tot zo’n 75 in de laatste jaren.

Het vertrouwen in de politiek ligt daarentegen fors lager dan de tevredenheid met de democratie. Regering, parlement en vooral politieke partijen behoren steevast tot de minst vertrouwde politieke instituties van Nederland. Maar ook hier is van een structurele daling van het vertrouwen geen sprake. Elk kabinet sinds 2002 genoot bij aantreden nagenoeg hetzelfde vertrouwen van de bevolking. Het vertrouwen in de politiek staat sinds 2008 weliswaar in heel Europa onder druk, maar dat is geen teken van een vertrouwenscrisis. Die daling is een hoogst gebruikelijke reactie op de economische neergang, die het sterkst is in landen die het hardst zijn geraakt door de crisis. Ze is dus conjunctureel, niet structureel.

Crisisdenkers als Thierry Baudet en David Van Reybrouck lijken niet te snappen dat vertrouwen in de politiek op gespannen voet kan staan met een volwassen democratie. Zij onderschatten de belangrijke rol van scepsis en wantrouwen. De representatieve democratie is in de kern een systeem van georganiseerd wantrouwen. Dat is een voorname reden waarom met grote regelmaat verkiezingen worden georganiseerd. Via verkiezingen institutionaliseert de democratie haar eigen wantrouwen.

Het is belangrijk hier precies over te zijn. Natuurlijk vereist een democratie vertrouwen in het democratische proces. Maar vertrouwen in regering en parlement, en vooral in de politici in die instituties, is niet vanzelfsprekend goed voor onze democratie. We willen liever sceptische burgers dan blind vertrouwen. Juist scepsis drijft burgers ertoe om de politiek te monitoren en verantwoordelijk te houden voor het beleid. Onvrede met het beleid is een belangrijke reden waarom burgers politiek actief worden.

Voor een democratie is het, kortom, goed wanneer burgers vertrouwen in de werking van het regime koppelen aan scepsis over de machthebbers. Dat verklaart de paradox die David Van Reybrouck signaleert in zijn boek Tegen verkiezingen: ‘Wij minachten de gekozenen, maar we verheerlijken de democratie.’ En het verklaart de conclusie van het recente scp-rapport Meer democratie, minder politiek? Die ambivalente houding is in een volwassen democratie niet zorgwekkend, maar gezond. Doordat de democratie drijft op scepsis is onvoorwaardelijk vertrouwen in de politiek er per definitie laag. In geen enkel democratisch land is het vertrouwen in regering en politiek bijzonder hoog. Dat is voorbehouden aan landen als Oezbekistan (98 procent vertrouwen), China (94 procent), Qatar (94 procent), Azerbeidzjan (81 procent) en Kazachstan (80 procent) – landen die we met de beste wil van de wereld niet democratisch kunnen noemen.

De Nederlandse burger doet precies wat je van een democratisch burger in een goed functionerende democratie zou verwachten. Hij koppelt een relatief hoge tevredenheid met het democratisch proces aan scepsis over politieke instituties. Hij reageert op politieke en economische prestaties, zonder buitenproportioneel geschokt te raken door kleine schandalen. Een zeker gebrek aan vertrouwen in de politiek zit in de democratie ingebakken. We zouden niet anders willen. Het probleem is niet dat er een vertrouwenscrisis is, maar dat we onszelf er een aanpraten.

***

De Nederlandse kiezer is sinds het einde van de verzuiling juist gaan doen wat hij hoort te doen in een volwassen democratie: de kiezer is gaan kiezen. Tot in de late jaren zestig ging de stem van de meeste Nederlanders welhaast vanzelfsprekend naar de partij die hun zuil representeerde. Een groot deel van het leven speelde zich af binnen een van de vier maatschappelijke zuilen, opgedeeld naar klasse en religie. De zuilen hadden hun eigen media, hun eigen verenigingen en hun eigen partij. Veel Nederlanders stemden op dezelfde partij als hun ouders. Van verkiezing tot verkiezing veranderde maar iets meer dan vijf procent van de Tweede-Kamerzetels van partij. Van daadwerkelijk kiezen tussen alternatieve, reële opties was geen sprake.

Een zeker gebrek aan vertrouwen in de politiek zit in de democratie ingebakken. We zouden niet anders willen

Sindsdien zijn de verkiezingsuitslagen aanzienlijk minder stabiel geworden. Pas begin jaren zeventig steeg de veranderlijkheid van verkiezingsuitslagen naar meer dan tien procent. In deze periode sprak men al over een kiezer die op drift geraakt zou zijn. De veranderlijkheid zou echter nog veel verder stijgen. In 1994 werden het cda en de pvda hard afgerekend op de hervorming van de welvaartsstaat. Maar liefst 21 procent van de zetels in de Tweede Kamer ging naar een andere partij. Arendo Joustra (Elsevier) omschreef Nederlandse kiezers destijds als ‘ballonnetjes die in de wind dansen’. Sindsdien is de veranderlijkheid hoog gebleven. Het voorlopige hoogtepunt werd bereikt in 2002, het jaar van de Fortuyn-revolte, toen bijna een derde van de parlementszetels in andere handen kwam.

***

Die veranderlijke kiezer is vooral een uitdaging voor de gevestigde partijen, die niet langer kunnen uitgaan van een vanzelfsprekende aanhang. De veranderlijkheid wordt in de hand gewerkt doordat partijen zelf op jacht zijn gegaan naar de kiezer in het politieke midden en daardoor in de perceptie van kiezers steeds meer op elkaar gaan lijken. Hoewel bijna alle partijen zoveel mogelijk kiezers willen trekken, zijn verschillende politici tegelijk afkerig van de toenemende veranderlijkheid van de kiezer.

‘Het electoraat voldoet niet meer aan de verwachtingen van de politici’, verzuchtte Hans van Mierlo in een van zijn laatste grote interviews in Vrij Nederland. ‘De kiezers doen maar wat. Die pakken elke trein die voorbijkomt en er een beetje leuk uitziet.’ Opvallend vaak wordt er neerbuigend over kiezers gesproken, getuigend van een serieus onbegrip voor hun kiesgedrag. ‘De moderne kiezer waait als een verwend kind heen en weer’, schreef historicus Maarten van Rossem afgelopen maart in zijn glossy. ‘We zien massale wisselingen van de ene partij naar de andere.’

Uitspraken als deze spruiten voort uit het beeld dat een deel van het electoraat ongeschikt zou zijn voor de democratie. De Franse politiek filosoof Pierre Rosanvallon schetst de geschiedenis van de moderne representatieve democratie als een structurele ‘angst voor de irrationaliteit van de massa en de onvoorspelbaarheid van het electoraat’.

Medium democratie4

Angst, argwaan en neerbuigendheid over de Nederlandse kiezer zijn echter volkomen misplaatst. De kiezer is assertief geworden, maar niet wispelturig. Nederlandse politicologen verkondigen die boodschap al decennia, maar die lijkt niet aan te komen. Zo concludeerde politicoloog Jean Tillie in 1994 al op basis van zijn proefschrift: ‘De metafoor van een kiezer die ver boven de politiek zweeft en eens in de vier jaar op een willekeurige plek landt, is onjuist. In de beleving van de politicus mag het kiesgedrag zo willekeurig overkomen, in werkelijkheid is er iets heel anders aan de hand. De kiezer weet donders goed wat-ie doet.’ Kiezers zijn niet langer trouw aan een enkele partij of politicus, maar wel aan hun eigen idealen, en zoeken de partij die daar het best bij past of die de grootste invloed kan uitoefenen. Uiteindelijk hebben ze immers maar één stem om hun politieke opvattingen tot uiting te brengen. Veranderlijk kiesgedrag ontstaat doordat kiezers in die ene stem verschillende argumenten tegen elkaar moeten afwegen in veranderende omstandigheden.

De moderne kiezer stemt al lang niet meer uit gewoonte, maar is assertief en kieskeurig. Aanhang is niet vanzelfsprekend, maar zou dat in een volwassen democratie ook niet moeten zijn. De kiezer is eenvoudigweg zijn werk gaan doen: kiezen tussen reële alternatieven. Vanuit democratische principes van representatie en verantwoording is dat louter toe te juichen. Dat partijen met elkaar moeten concurreren om de kiezersgunst maakt hen attenter voor veranderende voorkeuren onder het electoraat. Dat regeringen worden afgerekend op hun prestaties dwingt hen verantwoording af te leggen. De veranderlijke kiezer is daarom geen teken van een dieperliggende crisis van de democratie. Hoogstens creëren ze een crisis van gevestigde partijen die niet langer een vanzelfsprekende aanhang hebben maar in toenemende mate moeten concurreren met partijen die hun hegemonie aantasten.

***

Er is één aspect waar de Nederlandse democratie niet bijzonder sterk op scoort, en dat is de participatie van burgers in de politiek via bijvoorbeeld verkiezingscampagnes, inspraakavonden, petities of demonstraties. De gemiddelde Nederlander spant zich niet bijzonder sterk in: de betrokkenheid bij zulke activiteiten ligt in Nederland op het Europese gemiddelde. Voor een deel weerspiegelt dat de gebrekkige mogelijkheden die Nederlanders hebben om actief te zijn. Het openbaar bestuur staat niet bijster open voor burgerinspraak, en directe democratie is goeddeels buiten de deur gehouden. In het expertonderzoek Varieties of Democracy staat de Nederlandse democratie daarom qua burgerparticipatie op een magere 55ste plaats van de 170 landen. Dat komt vooral door de onmogelijkheid om burgemeesters te kiezen en het gebrek aan directe democratie (138ste van de 170).

Maar het pakket van participatiemogelijkheden wordt met inspraakavonden, deliberatieve initiatieven en sociale media steeds groter; het onderscheid tussen maatschappelijke betrokkenheid en politieke participatie steeds kleiner. De enige uitzondering op die betrekkelijke stabiliteit is het lidmaatschap van politieke partijen: van ruim 700.000 leden in 1960 naar 413.000 in 1980 tot 285.000 in 2016. Het aantal actieve leden is naar schatting niet meer dan tien procent daarvan: een kleine dertigduizend burgers waaruit wordt gerekruteerd voor nagenoeg alle politieke en hoge bestuurlijke ambten in Nederland.

Minstens zo belangrijk als het aantal mensen dat politiek actief is, is echter de vraag welke mensen dat zijn. De politiek actieven zijn geen afspiegeling van de Nederlandse bevolking, en die ongelijkheid is structureel. Niet alleen zijn politiek actieven vaker hoogopgeleid, ze zijn bovendien vaker progressief of links. Participanten zijn dus ook inhoudelijk geen afspiegeling van de hele bevolking. En dat heeft directe gevolgen voor de signalen die politici bereiken vanuit de maatschappij.

Nieuwe participatievormen (zoals inspraakavonden en burgerinitiatieven) maar ook maatschappelijk engagement (zoals boycots) bieden geen tegenwicht tegen die selectiviteit. Ook die activiteiten worden gedomineerd door dezelfde participatie-elite, een term van sociologe Evelien Tonkens om de hoger opgeleide, oudere, welgestelde mannen te kenschetsen die nagenoeg elke vorm van politieke participatie domineren. Zelfs de verkiezingsloterijen (G1000-initiatieven) die tegenwoordig in het hele land worden georganiseerd om burgers bij de politiek te betrekken lijden onder het juk van de participatie-elite, omdat 90 tot 95 procent van de uitgenodigde burgers niet komt opdagen. Mogelijk kan directe democratie wel zo’n tegenwicht bieden, zoals de referenda in Nederland en het Verenigd Koninkrijk in 2016 suggereren. Op concrete kwesties zijn ondervertegenwoordigde burgers makkelijker te mobiliseren, omdat referenda weinig tijd en vaardigheden vergen.

Niet de kiezer is het vertrouwen in de politiek verloren; de politiek lijkt eerder het vertrouwen in de kiezer verloren

Verkiezingen zijn en blijven met afstand de minst selectieve vorm van politieke participatie. Dat is vooral omdat Nederlanders daar nog altijd zo massaal aan deelnemen. De opkomst voor de Tweede-Kamerverkiezingen is sinds het afschaffen van de opkomstplicht nauwelijks gedaald (van 79 procent in 1971 naar 75 in 2012). Bij secundaire verkiezingen voor de gemeenteraad, provinciale staten of het Europees Parlement liggen de opkomstcijfers beduidend lager, maar dat neemt niet weg dat verkiezingen nog altijd meer mensen trekken dan alle andere politieke activiteiten gezamenlijk. Burgers zijn bovendien bereid om te stemmen als er wat op het spel staat. Wanneer partijen duidelijke alternatieven bieden op thema’s die kiezers belangrijk vinden, weten kiezers de weg naar de stembus vanzelf te vinden. Zo zijn verkiezingen nog altijd de meest egalitaire manier om je stem te laten horen.

Zeker het open en evenredige Nederlandse kiesstelsel is daar sterk in. De massale deelname van burgers vertaalt zich in een evenredige vertegenwoordiging van die burgers in het parlement. Ook kleine groepen worden niet snel buitengesloten. Relatieve buitenstaanders kunnen makkelijk inbreken in het systeem. Partijen die opkwamen met een expliciete anti-establishmentboodschap – denk aan d66, de Boerenpartij, de SP, de ouderenpartijen, de lpf en de pvv – konden vrij gemakkelijk toetreden tot het parlement. Verschillende van deze partijen werden al snel betrokken bij de regeringsformatie. Zo versterkt het Nederlandse kiesstelsel het egalitaire karakter van de verkiezingen. Daarom moeten we het belang van verkiezingen niet te snel relativeren. De massale opkomst maakt verkiezingen de minst selectieve vorm van politieke participatie. Andere manieren om politiek actief te zijn – partijlidmaatschap, demonstraties, petities, deliberatie en zelfs referenda – vallen lokaal en nationaal ten prooi aan een wat al te homogene participatie-elite.

***

De angst voor een fundamentele (vertrouwens)crisis tussen burgers en politiek is van alle tijden. Het lijkt inherent aan het denken over onze democratie. Politicoloog Jacques Thomassen concludeerde in zijn afscheidsrede De permanente crisis van de democratie uit 2010: ‘De twintigste eeuw wordt (…) met recht de eeuw van de democratie genoemd. Maar in diezelfde twintigste eeuw is er ook geen decennium te vinden waarin niet gesproken werd over een crisis van de democratie.’

Maar hoe kan het dat dit crisisdenken – in weerwil van feitelijk onderzoek – het publieke debat over de democratie zo volledig overheerst? Waarom zijn zo veel politici, journalisten en columnisten blind voor de harde cijfers? Dat ligt niet aan de inspanningen van Nederlandse onderzoekers, die het beeld blijven corrigeren via een continue stroom boeken, rapporten, artikelen en blogs. Blijkbaar volstaat dat niet.

Het hardnekkige beeld van de democratische crisis heeft andere oorzaken. Democratie is inherent een systeem van geïnstitutionaliseerd wantrouwen, alleen al vanwege de organisatie van verkiezingen. Bernard Wientjes (vno-ncw) omschreef de Nederlandse politiek in 2014 geringschattend als ‘een rommeltje’. Maar dat is nu juist de kracht van de democratie. Als georganiseerd rommeltje onderscheidt de democratie zich van de dictatuur. De ideale democratie bestaat niet, maar werpt wel haar schaduw over de politieke praktijk. Juist verheven idealen als rechtvaardigheid, representatie en gelijkheid, waar democratieën naar gevormd zijn en die burgers van belang vinden bij verkiezingen, werken in de politieke praktijk frustratie in de hand. Zelfs de fundamentele grondbeginselen van de moderne democratie – het representatieve element waarin de macht fundamenteel toebehoort aan (de meerderheid van) het electoraat, en de liberale rechtsstaat met burgerrechten die ook gelden voor individuen en politieke minderheden – staan op gespannen voet met elkaar. Natúúrlijk is er onvrede: democratie is een eindpunt dat onbereikbaar is.

Daarnaast lijden we onder een al te rooskleurig beeld van ons eigen verleden. Er is – niet alleen in Nederland – een pessimistische grondtoon in de publieke opinie. Paul Schnabel omschreef dat sentiment als ‘met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht’. Het overgrote deel van de Nederlanders denkt dat het de verkeerde kant uit gaat met ons land, dat de politiek slechter functioneert en de samenleving asocialer en onveiliger is geworden. Jacques Thomassen concludeerde in zijn afscheidslezing: ‘We hebben de onverbeterlijke neiging om de problemen waar we nu mee geconfronteerd worden geweldig uit te vergroten en het historisch perspectief te verliezen.’ Ook vroeger al klaagden we over de besluiteloosheid van de kabinetten-Balkenende, over de puinhopen van Paars, over de hervormingen van Lubbers, en over de polarisatie onder Den Uyl, Van Agt en Wiegel. Maar hoe verder die kabinetten in het verleden wegdrijven, hoe meer ze geromantiseerd worden.

Sinds 2002 lijkt er sprake van een overcorrectie. Voor de Fortuyn-revolte waren de media net zo blind voor de ontevreden burgers als anderen. Sinds 2002 staat die ontevreden burger juist centraal. De eufemistische omschrijving van gewelddadige demonstranten tegen asielzoekerscentra als boze burgers is hier maar één voorbeeld van. Media proberen uit alle macht de schijn te vermijden dat ze – net als voor 2002 – geen zicht hebben op maatschappelijke onvrede. Het democratisch crisisdenken vertegenwoordigt de schijn van urgentie. Het verhaal dat het allemaal zo slecht niet gaat is niet sexy genoeg.

Dus haken politici en columnisten gretig in op de permanente crisis van de democratie. Dat doen ze niet in de laatste plaats omdat ze dit – in weerwil van onderzoek – oprecht menen. Maar die permanente crisis werkt ook uitstekend om je te profileren, om steun voor jezelf te verwerven bij kiezers en lezers of bij voorstellen als een kiesdrempel of een referendum. Het frame van een crisis maakt burgers vatbaarder voor veranderingen.

***

Niet de kiezer is het vertrouwen in de politiek verloren; de politiek lijkt eerder het vertrouwen in de kiezer verloren. Wat de Nederlandse democratie vooral mist, zijn politici die bereid zijn de kiezer en het kiesstelsel te verdedigen. De feitenvrije suggestie van een democratische (vertrouwens)crisis is niet zonder risico’s, zeker niet als onze eigen politici en publicisten – dragers van het democratisch discours – die uitroepen. Het democratisch doemdenken gaat hand in hand met allerlei voorstellen om onze democratie te redden, van stemdiploma’s tot hogere kiesdrempels en een districtenstelsel, en van bindende referenda tot verkiezingsloterijen.

Maar hun oplossingen getuigen van democratisch wensdenken. Een kiesdrempel vergroot noch de bestuurbaarheid van het land, noch het vertrouwen in de politiek, maar zal deze in de praktijk juist ondermijnen. Een verkiezingsloterij leidt niet tot een betere afspiegeling van de bevolking maar versterkt de positie van de participatie-elite van hoogopgeleide, blanke mannen die de politiek nu al domineert. En het referendum is niet de redding van de democratie, al zet het evenmin de bijl aan haar wortels.

Het is makkelijk te onderschatten hoe radicaal vertegenwoordigend het Nederlandse kiesstelsel al is, omdat we er zo gewend aan zijn. Maar zo vanzelfsprekend is het niet dat het principe van one man, one vote zo stevig is doorgevoerd als in Nederland. Dat er zo weinig stemmen verloren gaan. Dat zelfs politieke minderheidsgroepen een heldere stem hebben in het parlement. Dat kiezers niet alleen op assertieve wijze zijn gaan kiezen, maar ook daadwerkelijk kunnen kiezen uit een groot aantal partijen. Dat kiezers minder frustratie ervaren over verlies bij verkiezingen dan in landen met een disproportioneel kiesstelsel als de VS, Frankrijk of het Verenigd Koninkrijk. Dat kleine partijen uit de oppositie de zittende regering te hulp (kunnen) schieten wanneer deze in de problemen raakt. Dat nieuwe partijen het wantrouwen in de politiek niet alleen kanaliseren, maar ook spoedig toegang krijgen tot de regeringsmacht, net als d66 (1973), de lpf (2002) en de pvv (2010). Dat burgers zo’n hoge tevredenheid met het functioneren van de democratie combineren met scepsis over de instituties die die democratie invullen.

Er is geen sprake van een crisis van de democratie. Welk onderzoek we ook aanhalen, de conclusie is steevast dezelfde. Burgers hebben zich niet afgewend van de democratie. De kiezer is gaan kiezen, niet langer trouw aan een enkele partij maar aan de eigen opvattingen. Onze democratie met haar evenredige kiesstelsel functioneert uitstekend.


Tom van der Meer (1980) is hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. Op 18 januari presenteert hij in De Balie in Amsterdam zijn nieuwe boek Niet de kiezer is gek. Dit is een ingekorte en aangepaste versie van het eerste hoofdstuk