Simone de Beauvoir

De kikkervrouw die geen prinses wilde worden

‘Ik wil dat mijn leven een alles verterende passie is’, schreef ze, en dat werd het. Ze bewandelde alle wegen der vrijheid, was ‘Sainte Simone’ maar ook ‘La Grande Sartreuse’. Voor haar, radicale vrouw, was vrouwelijkheid problematisch – en bevrijdend.

Tijdens haar hartstochtelijke affaire met de Amerikaanse schrijver Nelson Algren, eind jaren veertig, noemde Simone de Beauvoir zichzelf zijn ‘kikkervrouw’. Hij was de ‘krokodil’. Elke liefdesgeschiedenis kent haar eigen koosnaampjes en ‘frog wife’ en ‘crocodile’ weerspiegelen ongetwijfeld iets van het ruige Chicago waar Algren woonde en de stoere man die hij was. Maar in het geval van De Beauvoir doet de troetelnaam denken aan een feministisch sprookje: de ‘kikkervrouw’ lijkt niet op andere vrouwen, ze is onhandig en ongrijpbaar, onvrouwelijk, en ze zal nooit in de prinses veranderen die de prins trouwt. Zoals de kleine zeemeermin, in het sprookje van Andersen waar De Beauvoir als kind zo om had moeten huilen omdat de meermin haar verliefdheid op de prins met stomheid en helse pijnen moest bekopen, zo weet de kikkervrouw ook dat je voor de overgave aan de liefde een hoge prijs betaalt. Krokodillen verscheuren je voor je het weet met huid en haar.

In de paragraaf over de ‘onafhankelijke vrouw’ aan het eind van haar baanbrekende feministische essay De tweede sekse komt de speelse koosnaam niet voor, maar toch wordt de vrouw die afziet van de voordelen van mannelijke steun volgens haar net als de kikkervrouw snel als onvrouwelijk gezien. De Beauvoir schildert in de paragraaf een verkapt zelfportret als ze schrijft dat de geëmancipeerde en vooral de intellectuele vrouw innerlijk verscheurd wordt tussen het belang van haar werk en haar seksualiteit. Haar intelligentie en onafhankelijkheid intimideren mannen, maken haar seksueel onaantrekkelijk. En dat zorgt bij haar weer voor minderwaardigheidsgevoelens als het om haar vrouwelijkheid gaat.

Zoals ze het in de afstandelijke, abstracte stijl van De tweede sekse formuleert: ‘Het voorrecht dat de man bezit – en dat zich in zijn kinderjaren al doet voelen – is dat zijn roeping als menselijk wezen niet strijdig is met zijn bestemming als man.’ Zijn maatschappelijke en geestelijke successen geven hem juist mannelijk prestige. ‘De vrouw daarentegen wordt gevraagd ter voltooiing van haar vrouwelijkheid zich tot object en prooi te maken, dat wil zeggen af te zien van haar eisen als soeverein subject.’

Large opening1

In de tijd dat Simone de Beauvoir aan haar vuistdikke feministische traktaat werkte, eind jaren veertig, was ze er al aan gewend dat haar vrouwelijkheid telkens publiekelijk langs de meetlat werd gelegd. Toen ze op de middelbare school zat en uitblonk als leerling had haar vader haar al lelijk genoemd, waardoor ze zich nog meer op het leren stortte. Haar vader peperde haar in dat geleerdheid ontsierend was voor een vrouw; ze voelde zich er plomp en onvrouwelijk door. Toen Jean-Paul Sartre, die vanaf 1929 haar levensgezel was, na de oorlog opeens beroemd was, werd zij als de snibbige schooljuf gezien die zijn werk uitlegde en zijn schild naar de buitenwereld vormde. ‘La Grande Sartreuse’, werd ze genoemd, en de ‘Notre-Dame de Sartre’.

Na publicatie van De tweede sekse in 1949 kreeg ze het helemaal over zich heen. ‘Ik was van alles’, zou ze er later over schrijven in De druk der omstandigheden (1963), het derde deel van haar memoires, ‘onbevredigd, frigide, een seksmaniak, een nymfomane, ik was lesbisch, een honderdvoudig monster en zelfs een clandestiene moeder. (…) Ik was (…) een verzuurde vrouw, stikvol minderwaardigheidscomplexen ten aanzien van de mannen en opgevreten van ressentiment ten aanzien van de vrouwen.’

Hatelijkheid was een constante in de ontvangst van haar werk. Haar romans en autobiografieën werden als naïef en narcistisch bestempeld. Als hooghartig, koud en droog. In haar filosofische werk was ze volgens de criticasters nooit meer dan de dociele pupil van Sartre. Zelf was ze niet creatief, ze dankte alles aan een man. In Feminist Theory Simone de Beauvoir (1990) wees de feministische literatuurwetenschapster Toril Moi er scherp op dat in die vijandige kritieken niet zozeer het werk van De Beauvoir werd besproken, als wel haar vrouwelijkheid. Vaak ging het ook letterlijk over haar uiterlijk, haar karakter en haar privé-leven. Al haar vrouwelijke personages werden als projecties van haarzelf gezien, waarop dan het verwijt volgde dat ze in niemand anders dan zichzelf was geïnteresseerd.

Er was, aldus Moi, sprake van een klassieke double bind: als De Beauvoir over politiek of filosofie schreef, werd haar aangewreven dat ze kil, gevoelloos en onvrouwelijk was, maar ook dat haar ideeën niet méér waren dan een vertaling van haar eigen emotionele problemen. Maar als ze over haar eigen problemen schreef, werd ze er onmiddellijk van beschuldigd dat ze egoïstisch was en onartistiek.

Het zegt veel over de immense invloed van haar leven en werk dat de controverses daarover eigenlijk nooit zijn opgehouden. Aan het eind van haar leven was De Beauvoir ‘Sainte Simone’, de moeder van de tweede feministische golf van de jaren zestig en zeventig, maar ook namen veel feministen van de nieuwe generatie afstand van haar. In haar levenslange relatie met Sartre en haar overtuiging dat hij intellectueel superieur was, had ze zichzelf onderworpen aan de conventionele mannelijke dominantie. Poststructuralistische feministen vonden haar hoe dan ook een ouderwetse denker, soms zelfs een vrouwenhaatster.

Na het verschijnen, na haar dood, van haar brieven aan Sartre en helemaal na de publicatie van Tête-à-tête, het boek dat Hazel Rowley in 2005 over de relatie tussen De Beauvoir en Sartre schreef, kreeg de controverse een nieuwe dimensie. In interviews had De Beauvoir het altijd ontkend, maar ze had wel degelijk lesbische relaties gehad, en wel met uitverkoren leerlingen, toen ze nog filosofielerares was op een lycée. De open relatie met Sartre – ze trouwden niet, maar sloten een ‘contract’ dat stelde dat hun relatie ‘essentieel’ was en andere, ‘contingente’ relaties waren toegestaan – was pervers. Ze hadden zich in immorele drie- en vierhoeksrelaties gestort. De Beauvoir had zich daarin als pooier gedragen: de meisjes die ze eerst zelf had verleid schoof ze vervolgens naar Sartre door. In hun brieven hadden ze zich bovendien laatdunkend over de jonge minnaressen uitgelaten. De Beauvoir was kortom seksueel verrot en ook nog eens hypocriet, omdat ze haar lesbische affaires in haar memoires had weggepoetst. Zij en Sartre werden vergeleken met burggraaf De Valmont en markiezin De Merteuil, de verdorven hoofdpersonen van Les liaisons dangereuses.

In het gunstigste geval werd De Beauvoir gezien als een slachtoffer van Sartre. Ze was niet van ijs geweest, maar een hartstochtelijke vrouw, en ze had diep geleden onder Sartre’s formidabele ontrouw. Had ze niet vaak onbedaarlijk gehuild in het openbaar, had ze haar jaloezie niet altijd moeten verbijten, omdat Sartre dat een burgerlijke emotie vond? Ze had maar wat graag afgezien van haar eigen liefdesavonturen als ze gewoon met Sartre had kunnen trouwen.

De ophef over De Beauvoirs liefdesleven, die nog niet was uitgewoed toen in 2008 haar honderdste geboortedag werd gevierd, was volgens de feministische critica Elaine Showalter vooral te zien als de meest recente manifestatie van de vijandigheid die De Beauvoirs werk altijd heeft opgeroepen. Het was Showalter die in de koosnaam ‘kikkervrouw’ het begin van een feministisch sprookje zag; in haar artikel over De Beauvoir maakte ze duidelijk dat de kikkervrouw niet alleen zelf worstelde met haar vrouwelijkheid toen de onafhankelijke vrouw nog nauwelijks bestond, maar dat de maatschappij nog steeds de grootste moeite had met krachtige en compromisloze intellectuele vrouwen.

Het is moeilijk meer voor te stellen hoe moedig Simone de Beauvoir was. Bij haar geboorte in 1908 was het leven dat ze zou gaan leiden letterlijk onvoorstelbaar. Ze groeide op in Parijs in een familie uit de ‘haute bourgeoisie’, in een streng katholieke, van standsbesef doordrenkte wereld. Deirdre Bair beschrijft in haar monumentale biografie van De Beauvoir uit 1990 hoe de kleine Simone als kind van vier haar eigen visitekaartje uit haar fluwelen tasje wist te halen en even behendig als een volwassene op het zilveren blad wist te leggen dat haar werd voorgehouden. Het was toen al uit den boze dat ze spontaan met andere kinderen zou spelen; eerst moest worden nagegaan of die van het vereiste maatschappelijke niveau waren.

Medium opening2

Het was haar geluk dat haar familie door het onverantwoordelijke financiële gedrag van haar vader tot armoede verviel. Er was geen geld meer voor een bruidsschat, waardoor een gearrangeerd huwelijk onmogelijk was. Ze mocht doorleren, om een leven als bedaarde oude vrijster en lerares te gaan leiden. Het onderwijs voor meisjes stelde in die tijd nog weinig voor, maar dankzij haar intelligentie en werkkracht wist De Beauvoir toegang te krijgen tot de Sorbonne om filosofie te studeren. Daar ontmoette ze in 1929 Jean-Paul Sartre, 22 jaar oud en toen al een legende. Hij was vermaard om het wegblijven van colleges, om zijn genialiteit, het versieren van vrouwen en het gooien van waterbommen vanaf de hoogste verdiepingen, uitroepend: ‘Aldus piste Zarathustra!’

Haar memoires over haar kindertijd, Een welopgevoed meisje uit 1958, eindigen met die ontmoeting. ‘Voor het eerst van mijn leven werd ik verstandelijk door iemand overheerst’, noteerde ze. Ze schrijft ook dat ze vanaf haar vijftiende het verlangen naar een dubbelganger koesterde en dat Sartre die was en dat ze in hem ‘al haar hartstochtelijke verlangens’ terugvond.

Uit haar memoires en ook uit haar jeugddagboeken blijkt dat Simone de Beauvoir al radicaal was vóórdat ze Sartre leerde kennen. Tot zijn verbijstering ging zij akkoord met het contract dat hij voorstelde – de verschillende huwelijksaanzoeken die hij haar deed weigerde ze. Dat deed ze niet omdat ze hem koste wat het kost aan zich wilde binden, maar omdat ze al heel jong aan haar vrijheid hechtte. Haar eerste romance beleefde ze met haar neef Jacques en ze wist al heel vroeg dat ze niet met hem wilde trouwen: ‘Ik wil dat mijn leven een alles verterende passie is. Ik wil handelen, mezelf geven, plannen ten uitvoer brengen: ik heb een doel in het leven nodig, ik wil moeilijkheden overwinnen en een boek schrijven. (…) Ik zou nooit tevreden kunnen zijn met de dingen die hem bevredigen.’

Met Sartre kon Simone de Beauvoir het leven leiden van een man: vol, interessant, onconventioneel en productief

Ze koos bewust voor Sartre. ‘Mijn leven telt één onverdeeld succes: mijn relatie met Sartre’, zou ze in De druk der omstandigheden schrijven. Het was in ieder geval een van de meest moedige beslissingen van haar leven. Ze zag, als ongetrouwde vrouw die als ‘concubine’ leefde, af van alle ideeën over respectabiliteit die haar met de paplepel waren ingegoten. Sartre eiste zijn eigen vrijheid op, maar hij eiste ook dat zij vrij was en zij had nooit de illusie gehad dat dat makkelijk zou zijn. Ze bewonderde, schreef ze in Een welopgevoed meisje, losbandigheid op grote schaal en gevaarlijk leven. Met Sartre kon ze het leven leiden van een man: vol, interessant, onconventioneel en productief.

En wat voor leven was dat! Het was, zoals ze in haar jeugddagboek al hoopte, een leven van plannen, van hard werken en van boeken schrijven – de werkkracht van De Beauvoir was legendarisch, het leverde haar de bijnaam ‘le castor’, de bever, op. Maar het was ook een leven in cafés – ’s ochtends om te schrijven, ’s middags en in de late avond om met vrienden te praten, ‘de familie’ waar ze zelf voor gekozen hadden. Een leven van reizen door Europa en later, toen ze beroemd waren, naar Amerika, de Sovjet-Unie, Cuba en China, waar ze door wereldleiders werden onthaald. Een leven met verscheidene hartstochtelijke liefdesrelaties – behalve met Nelson Algren leefde De Beauvoir ook een aantal jaren met filosoof en regisseur Claude Lanzmann en had ze jarenlang een seksuele relatie met Sartre’s leerling Jacques-Laurent Bost. Tot in de jaren vijftig leefden ze als studenten in hotelkamers; De Beauvoir kon zich pas een appartement veroorloven na het winnen van de Prix Goncourt voor De mandarijnen in 1954, en toen nog moest ze bij regen overal pannetjes neerzetten tegen het lekken.

In 1943 verscheen haar eerste roman Uitgenodigd, waarna ze aan een rijk en eigenzinnig oeuvre bouwde waarin fictie, filosofie en autobiografie naadloos in elkaar overliepen. Haar relatie met Sartre, haar leven was een experiment, het moest al doende worden uitgevonden, waarbij de existentialistische filosofie dat de mens tot vrijheid gedwongen is uitgangspunt was. Die vrijheid bracht verantwoordelijkheid met zich mee, betekende dat ze keuzes moesten maken, dat ze vóór alles door hun handelingen werden bepaald. Geen wonder dat haar werk juist daarover ging, dat ze voortdurend moest reflecteren op het leven dat ze aan het uitvinden was.

En ze mocht dan een kikkervrouw zijn, in haar werk geeft De Beauvoir een beeld van wat tot dan toe ondenkbaar was en wat nog steeds niet vanzelfsprekend is: een vrouw die een geslaagd leven leidt als intellectueel én als vrouw. Haar autobiografie schreef ze, naar eigen zeggen, omdat ze ervan hield om zichzelf te construeren. Ze wist zo haar intellectuele bestaan om te vormen tot een begerenswaardige levensstijl.

In haar boek over het denken van Simone de Beauvoir, Filosofie als passie uit 1992, noemt filosofe Karin Vintges haar autobiografische werk de kern van haar oeuvre. Dat ze de waarheid daarin soms geweld aandeed, wist De Beauvoir zelf heel goed, maar ze zag haar memoires niet alleen als een zelfonderzoek, maar ook als literatuur en dus ook als schepping. Het ging niet alleen om het beschrijven van haar leven, maar ook om de creatie ervan.

Van die schepping maakte Sartre deel uit. In De tweede sekse analyseerde ze dat de vrouw de eeuwige ‘ander’ was en dat de norm en de macht om te beschrijven mannelijk waren. In haar werk nam De Beauvoir die macht van de beschrijving over, niet alleen als het om haar eigen bestaan, maar ook als het om dat van Sartre ging. Ze schreef hem in en door haar leven. Dat was gevaarlijk en dat is het nog steeds. Het maakt dat haar leven en werk nog steeds aanzetten tot controverse en dat het sprookje van de kikkervrouw nog onverminderd actueel is.


Zeker lezen

De tweede sekse: Feiten, mythen en geleefde werkelijkheid (1949). Standaardwerk over de vrouw als ‘de ander’, meeslepend, erudiet en persoonlijk.

De mandarijnen(1954). Gloedvolle meerstemmige sleutelroman over de Parijse intelligentsia van na de oorlog.

Uitgenodigd(1943). Tussen droom en daad… Pijnlijke roman over een driehoeksverhouding die ten onder gaat aan seksuele jaloezie.

Een welopgevoed meisje(1958). Eerste deel van de memoires; de coming-of-age van een meisje dat zich losmaakt van haar milieu om te worden wie ze wil zijn.

De bloei van het leven(1960). Tweede deel van de memoires waarin ze haar kennismaking met Sartre beschrijft, de oorlogsjaren in Parijs, en de tijd vlak erna.

Een zachte dood. Autobiografische recapitulatie van de complexe relatie met haar moeder, die in de laatste weken voor haar dood verandert.

De ouderdom (1970; vorig jaar in een nieuwe Nederlandse uitgave verschenen). Studie en manifest in één over de uitsluiting en minachting van de ouderen in onze samenleving.

Het afscheid (1985). Na vijftig jaar moet ze afscheid nemen van haar grote liefde, Jean-Paul Sartre.

Een transatlantische liefde(1981). Brieven aan haar Amerikaanse minnaar, de schrijver Nelson Algren.

Misverstand in Moskou(1966; onlangs voor het eerst uitgegeven). Haar ambivalentie ten opzichte van het ouder worden ingebed in het verhaal van een huwelijk.


Beeld: (1) Parijs, 1957 (Jack Nisberg / Roger-Viollet / HH). (2) Simone de Beauvoir en Jean-Paul Sartre op een kermis in Porte d’Orleans, Parijs, juni 1929 (Jazz Editions/Gamma-Rapho via Getty Images).