De kilte na de bevrijding

G. L. Durlacher, Niet verstaan. Uitg. Meulenhoff, 135 blz., f22,90
VANAF DE EERSTE, aangrijpende novelle Strepen aan de hemel uit 1985 - een verhaal waarin hij zijn oorlogsherinneringen te boek stelt door zich de doden te herinneren en van zijn verdriet te getuigen - is G. L. Durlacher bezig met het stukje bij beetje in kaart brengen van het eigen verleden. Hij doet dat in verhalen, het ene langer dan het andere. Het lijken wel voetnoten bij een onteigend leven, notities om de weg terug te vinden naar een eigen bestaan en te gedenken wie daar een bijdrage aan leverde. Dat lijkt me de inzet van zijn weloverwogen gefragmenteerde vertellen. Zijn aanknopingspunten vindt hij dan ook steeds bij mensen die zijn leven op een beslissende manier hebben beinvloed of er een wending aan hebben gegeven.

In zijn zelfonderzoek volgt Durlacher de methode van de archeoloog. Voorzichtig manoeuvrerend tast hij laag voor laag zijn geheugen af. Met de brokstukken en scherven die hij bij die arbeid opdiept, geeft hij betekenis aan zijn persoonlijke ervaringen en plaatst ze zo in een breder kader: dat van de vernietiging op grond van geboorte. De verhalen getuigen van de jodenvervolging, de deportaties en vernietigingskampen die, voor wie toevallig geluk had, eindigden in een wrange bevrijding. Die invalshoek is bewust gekozen, zo blijkt onder meer uit een opmerking die hij zelf ooit tijdens een interview maakte: ‘Het betreft hier een gruwelijk stuk geschiedenis waar we zoveel mogelijk van moeten weten. Ik wil ook dat het verder gaat dan ons verleden. Wat wij hebben meegemaakt is waarschijnlijk nog nooit zo gebeurd, maar er zijn wel verwante situaties die weer tot zoiets kunnen leiden. Daar moeten we voor oppassen, als we er tenminste waarde aan hechten dat de menselijke soort blijft bestaan.’
Was Quarantaine, het boek waarmee Durlacher het afgelopen jaar de Ako-literatuurprijs won, onder meer een eerbetoon aan drie mannen die hem temidden van de barbarij het overleven mogelijk maakten, in zijn nieuwe bundel Niet verstaan gaat zijn aandacht in de eerste plaats uit naar enkele vrouwen die voor hem in de jaren na 1945 van belang zijn geweest.
De belangrijkste onder hen is Sonja Witstein. Als Durlacher haar leert kennen, heeft ze al een novelle op haar naam staan, onderhoudt ze contacten met Anna Blaman en geeft ze vooral blijk van een tomeloze belangstelling voor de grote schrijvers uit de renaissance, een specialisatie waarin ze later hoogleraar zal worden. Aan haar wijdt Durlacher een prachtig, even geserreerd als elegisch portret. Zij loodst hem haar kring binnen en zo de Nederlandse cultuur in.
Maar er is nog een veel dwingender reden om haar met zijn nagedachtenis te eren. In het slotverhaal van Quarantaine had Durlacher al opgemerkt dat het kamp een leerschool was voor het sterven, niet voor het leven. Hij ziet zich nu voor de opgave gesteld de draad opnieuw op te pakken en zijn bestaan inhoud te geven. En dat in een omgeving die de bevrijding volop wil genieten en de oorlogsgruwelen zo snel mogelijk wenst te vergeten. Sonja nu is zijn belangrijkste steun en toeverlaat bij zijn herintree in het gewone leven. Zij is 'een vrouw die begrijpt wat mij kwelt en die weet hoe zij daarmee om moet gaan. Die mij kan voorleven hoe je, na jaren die geen leven waren, kunt voortgaan zonder apathisch te worden of je in de val van zelfbeklag te verstrikken.’
Als een ding duidelijk wordt uit deze verhalen, dan is het wel dat voor een overlevende uit de kampen een bevrijding in de volle betekenis van het woord niet goed mogelijk was. De aansluiting op het naoorlogse leven was op zijn zachtst gezegd problematisch en bleef dat. Daarvoor zijn op z'n minst twee oorzaken aan te wijzen, zo weet Durlacher vertellend duidelijk te maken. De ene ligt in de persoonlijke sfeer en heeft te maken met een conflict dat zich in het geheugen afspeelt. Behalve de wens om alle vernederingen en lijden zo spoedig mogelijk te vergeten, is er de bijna als een schuld gevoelde noodzaak om te gedenken en herdenken en daarin begrepen te worden. En dat niet alleen door te vertellen.
Van beide een voorbeeld. Op allerlei plaatsen verwijst Durlacher naar een gevoel van terughoudendheid, van geremdheid 'die de mond snoert als het om het verleden gaat’. Zelfs met Sonja spreekt hij niet over dat verleden: 'Ik maak Sonja geen deelgenoot van mijn gedachtenflitsen en respecteer haar wens om zo min mogelijk het Toen aan te raken.’ Maar aan het slot van het titelverhaal beschrijft Durlacher ook hoe hij in de ridderzaal van zijn geboorteplaats Baden-Baden, vechtend tegen zijn zenuwen, meer dan hij zich had voorgenomen voorleest uit eigen werk, en zo in de volle openbaarheid en ten overstaan van Duitsers getuigt van dat Toen.
Anderzijds zijn er de maatschappelijke omstandigheden die een terugkeer in de samenleving bemoeilijken. De harteloze ontvangst in een bevrijde wereld is een steeds weer herhaald motief in Durlachers verhalen. Hij voelt zich na aankomst in Nederland nogal in de kou gezet, zo blijkt uit het eerste verhaal uit de bundel: Een muis in Delft. De sfeer van genadeloze zuinigheid die in het huis van zijn eerste hospita heerste, de kilte van de studentenstad Delft waar hij een ingenieursstudie probeert op te pakken, en de taalkloof - tenslotte is hij van origine Duitser - maken dat hij zijn eerste jaren van bevrijding uit menselijk oogpunt als ijselijk heeft ervaren, zoals uit zijn beeldspraak regelmatig blijkt. Hij voelt in de stad waar de 'rechtvaardige Zwijger’ werd vermoord 'een verlatenheid als van een poolnacht’. Hij heeft het over 'de ijsschots van de eenzaamheid’ en bevindt zich op 'die ijsschots in de poolnacht’.
AANVANKELIJK beweegt hij zich als bevroren door de jaren vijftig. Studentenverenigingen, feesten noch dansschool zijn in staat hem meer te bieden dan de ene teleurstelling na de andere. Dat hij langzaam ontdooit, heeft te maken met twee vrouwen die hij ontmoet, ook al blijken ze geen van tweeen in staat om aan zijn behoefte aan intimiteit blijvend tegemoet te komen en is de herinnering aan hen bitterzoet. Met de katholieke Marieke mag hij alleen verder als hij zich tot haar geloof zal bekeren. Maar dat verzoek klinkt als een verwensing voor iemand die weet heeft van 'de miljoenen die omgekomen zijn zonder ingrijpen van een of andere hogere macht’.
Miriam is joods. Zijn dagdromen en romantische fantasieen over haar hebben aanvankelijk enige bestaansgrond maar worden abrupt afgebroken wanneer de 'ijskoningin’, zoals medestudenten haar noemen, hem volkomen onverwacht in de kou laat staan. Je nooit of te nimmer gewonnen geven, er zijn ergere dingen gebeurd - dat is de les die hij uit het voorval trekt.
De titel van de bundel verwijst naar taal, naar communicatie en gebrek daaraan, naar de angst om stommiteiten te zeggen en als gevolg daarvan aan spot bloot te staan, naar de schaamte die hem overvalt als zijn moeder zich in het Nederlands probeert uit te drukken. Als negenjarige knaap heeft hij zich die taal in Rotterdam al snel eigen gemaakt, zelfs zo goed dat hij zich enkele jaren later in het kamp nauwelijks nog raad weet met het Duits. Een omstandigheid die de verwarrende ervaring oplevert noch bij de een, noch bij de ander te horen en noch gehoord, noch begrepen te worden. Wanneer hij in het kamp genoodzaakt is om Duits te spreken, veronderstelt hij dat zulks in 'de oren van mijn Nederlandse medegevangenen onwelluidend (moet) zijn geweest. Ik hoorde opeens bij de “Jeckes”, de Duitse joden. Maar als ik mijn nieuwe moedertaal bij die groep gebruikte, kreeg ik te horen dat ik mij niet moest aanstellen. “Mach Dich nicht wichtig.” ’
Wichtig maakt Durlacher zich trouwens nergens in deze met beheerst gevoel geschreven verhalenbundel. Bescheidenheid is nog steeds zijn grootste kracht. Ook nu weer weet hij de onvoorstelbare en pijnlijke gebeurtenissen die zijn leven tekenden, sober en met een beklemmende helderheid onder woorden te brengen. Wel is de toon in vergelijking met Quarantaine wat losser geworden, met alle voors en tegens die daaraan kleven. Maar de enkele sentimentele uitschieter die het boek bevat, is hem van harte gegund.