Kerstverhaal

De kinderen

De kinderen hielden heus van elkaar. Alles wat er buiten hun huis gebeurde sloegen ze met verhoogde belangstelling gade, ze droegen hun steentje bij alsof er anders geen berg zou groeien, leverden zich met huid en haar over aan vriendschappen, andere moeders, andere verhalen. Ze gingen er in op.
Soms, hooguit twee of drie keer gedurende hun kindertijd, hoorden ze de grondtoon, de basso continuo die hun hele leven zou bepalen, de onderliggende melodie van Het Gezin, van Hun Ouders. Zij waren anders. Hun moeder kwam uit het buitenland. Hun huis was leeg, buiten het nodige meubilair om; er was geen televisie; ze spraken hun ouders anders aan, ze spraken hun God anders aan; ze droegen andere kleren. Alles wat er buitenshuis gebeurde werd door hun ouders afgekeurd of afgedaan. Wij hebben dat niet. Wij doen niet zo. Als Keesje, een buurjongetje, op straat een vers kadetje met margarine en suiker mocht eten, luidde het: Wij eten niet op straat. Hun ouders lazen en citeerden poëzie, zij het ieder in een andere taal.
Modern, dachten de kinderen, wij zijn modern.
Op Kerstavond klonk alleen de baspartij. Buiten hun huis had men Sinterklaas achter de rug. Zij geloofden niet in Sinterklaas. Op zijn verjaardag kregen ze kniekousen en ondergoed cadeau, niet iets om hoog in de lucht te springen. Zij keken elke dag verlangend naar het adventshuisje dat hun moeder deurtje voor deurtje opende. Het rode crêpepapier achter ieder deurtje begon te stralen.
Franklin kwam als laatste de zoldertrap af. Blauwe blazer, grijze broek, wit overhemd met een strikje. Zijn haar was nog nat. Zijn vier jaar jongere broertje was een kopie van hem. Majorie, die één jaar met hem scheelde, droeg een rode blazer, net als hun babyzusje Jessie, vier jaar oud. De kinderen verzamelden zich in de bovenhal. Ze daalden langzaam, bijna plechtig, de trap af, Franklin voorop, Jessie als laatste. Casimir (Cas) verbeeldde zich dat hij de engelen kon horen zingen. Buiten viel een geruisloze sneeuw.
Vijf treden van onderen stond Franklin stil. Alle vier zagen ze het gelijkertijd. Hun ouders stonden dicht bij elkaar en maakten ruzie. Kleurig ingepakte cadeautjes lagen overal in het rond. Jessie vroeg zich af of de engelen genoeg papier uit de hemel hadden meegenomen. Ze huiverde van opwinding. Een seconde later zag ze hoe haar vader haar moeder een klap gaf. Ze bleef huiveren. De gedachte aan cadeautjes verdween uit haar heelal.
Franklin stond als bevroren. Hij vroeg zich af wat hem te doen stond. Hun vader had nog nooit zijn moeder geslagen. Ze maakten wel eens ruzie, maar dat gebeurde meestal op grote afstand van elkaar, zijn moeder luidkeels en niet te stuiten vanuit de keuken of badkamer, zijn vader ergens in het huis aan het rommelen, soms antwoordde hij kort, soms deed hij er het zwijgen toe. Klappen werden alleen aan de kinderen uitgedeeld, ter lering. Hij zag hoe zijn moeder over de schouder van zijn vader haar blik richtte op de trap waar zij gevieren in wassen beelden waren veranderd. Haar blik was koel.
‘De kinderen…’, zei ze.
Met een paar stappen was hun vader bij hen.
‘Naar buiten met jullie’, zei hij, ‘wachten tot het belletje gaat.’
Ze slopen stil onder zijn gestrekte arm door naar de keuken. Andere jaren wachtten ze altijd, samen met hun moeder, in de keuken. Vol verwachting, zich warmend aan de twee grote fornuizen die nog nagloeiden van de hele dag braden en bakken. Het laken dat hun het uitzicht op de grote kamer had belemmerd, werd dan door hun vader weggehaald, de kaarsen aangestoken, het houtvuur in de open haard nog eens opgestookt – en dan het zilveren belletje dat aangaf dat de engeltjes weer naar de hemel waren vertrokken en dat ze mochten komen. Nu werden ze de sneeuw in gestuurd. Hun vader draaide de keukendeur achter hen op slot.
Ze draafden eens, zo goed en zo kwaad als het ging in de sneeuw, een rondje rond de drie berkenbomen op het grasveld, ze deden eens wie het eerst het schuurtje kon aantikken. Sneeuw viel op hun haren. Toen werd het koud.
‘Kom maar’, zei Franklin, en hij opende met een sleutel de tuindeur van de garage.
‘Hoe kom je daar nu aan?’ vroeg Majorie, doelend op de sleutel.
‘Nagemaakt’, zei hij.
Onder het peertje licht aan het plafond sprong de auto groot en glanzend te voorschijn. Een dolfijn op het droge. Franklin nam plaats achter het stuur, Majorie schoof naast hem. De kleintjes achterin.
‘Deuren en ramen dicht’, zei Franklin. ‘Iedereen klaar? We gaan naar Italië.’ Ze speelden vader en moedertje. Franklin reed, Majorie bewonderde hem om zijn rijvaardigheid (hem dankbaar voor zijn idee) en gaf hem een denkbeeldig broodje. Cas zette hoog in met ‘Glo-oho-o-ho-o-hoh-oo-ria in excelsis Deo’. Hij deed de eerste stem, met hoge uithalen in c. Ze zongen allemaal mee.
Toen hun vader de keukendeur opende en het belletje liet klinken, vonden ze het bijna jammer om op te houden. Franklin stuurde net voorbij Milaan.
Kerstavond was als andere jaren. Het warme vuur in de haard, de betoverende kerstboom met lichtjes en zilveren en gouden balletjes, het stalletje dat uit elkaar hing van ouderdom, de tafel gedekt voor zes, met damast en zilver, blinkende glazen en de Italiaanse Salade in het midden. En de cadeautjes, tot een uitzinnige berg opgestapeld rondom de boom. Maar eerst het ‘Et incarnatus est’ van Mozart uit de Mis in c klein.
Hun moeder was er dit jaar niet bij. Ze was naar bed gegaan met migraine. Niets nieuws onder de zon. Hun vader verborg zich de verdere avond zwijgend achter de rookwolken van zijn pijp. Hij had voor het eerst hoogrode konen, zag Majorie.
‘Laatste cadeau bij de keldertrap’, zei hun vader. ‘Franklin!’
Toen Franklin weer binnenkwam, liet hij een zwart katje uit zijn armen glippen. Het jonge diertje probeerde zich te verlossen van een rood kerstlint om zijn hals, daaraan een kaartje: ‘Voor Jessie’. Na een kleine stilte hoorden ze de verrukte stem van Jessie:
‘Kokoschka!’
Niemand wist waar ze die naam vandaan had.

O
p eerste kerstdag had hun moeder de vroege trein genomen naar familie in Eindhoven.
Ze komt terug, zei hun vader.
Ze aten die dag van het kerstbrood en de tulband die zij had staan bakken. Hun vader legde de twee eenden in de diepvries. ’s Avonds kwam oom Hans, geen echte oom, meer de beste vriend van hun vader. De tussendeuren gingen dicht, de twee mannen hadden veel te bespreken, met hun rokende pijpen, een fles oude klare naast hun vaders stoel. Het werd laat, merkte Majorie, toen ze om twaalf uur haar boek dichtdeed en onder de dekens schoof. Jessie in het andere bed zuchtte diep in haar slaap, het zwarte poesje aan haar voeteneinde zuchtte eensgezind met haar mee.
De dagen daarop bouwde Franklin gestaag aan zijn treinencomplex. Hij had op kerstavond nieuwe stukken rail gekregen en een moderne TEE-locomotief met slaapwagon. Hij kon nu het stevige diesel-locje rakelings langs de nieuwe trein laten lopen. Hij beloofde Cas, die over zijn schouder meekeek, een landschap van papier-maché te bouwen.
‘Italië?’ vroeg Cas.
‘Zwitserland’, zei Franklin, ‘met hoge bergen en zo.’
Geen van de kinderen bracht hun moeder ter sprake, die was weggelopen. Majorie schreef in haar nieuwe dagboek, een cadeau dat ze ‘schitterend’ noemde, over de steeds maar vallende sneeuw, over hun vader die lange wandelingen in de bossen maakte, zonder dat er een kind mee mocht, over wat ze met de toekomst zou doen. ‘Dan wil ik naar de toneelschool’, schreef ze, ‘daar moet ik voor sparen. We hebben ieder honderd gulden van opa gekregen. Ik heb nu honderdenvijf gulden.’ Majorie was van de kinderen het minst onder de indruk van haar moeders afwezigheid. Ze vond het eigenlijk wel prettig, ze werd tenminste niet om de vijf minuten lastiggevallen. Het enige waarover ze voor het slapengaan wel eens tobde, was hoe ze het aan haar klas moest vertellen dat ze een kind van gescheiden ouders was. Het was natuurlijk treurig, maar ook modern, dacht ze, aangenaam modern.
Voor Casimir was het het moeilijkst. Hij dacht aan zijn moeder als de mooiste vrouw van de wereld, een toververschijning eigenlijk, die hem gelukkig maakte en deed stralen. Als compensatie voor wat hij zelf als kinderachtig beschouwde, begon hij maar een verhaal te schrijven over een weesjongen die verdacht veel leek op Remi uit Alleen op de wereld, waaruit zijn moeder hen de eerste winterdagen had voorgelezen.
Jessie keek van niemands zorgen op, haar bestaan werd geheel in beslag genomen door Kokoschka. Het poesje wilde nu eens naar buiten, dan weer naar binnen en Jessie was een trouwe wachter, totdat hun vader vanuit de kamer riep:
‘Kan dat gedonder met die keukendeur ophouden?’
Het menu was eenzijdig. Ze aten bruine bonen met spek en appelmoes en ’s morgens gebakken eieren of yoghurt met beschuit. De enige variatie bestond uit een blik hutspot met klapstuk dat hun vader uit de kelder had opgedoken. Het was nog uit de oorlog en tot het jaar tweeduizend geldig, zeiden gestanste letters. De oorlog smaakte naar motorolie. Met oudjaar kwam tante Ans (geen familie) met oliebollen en appelflappen. Ze maakte zuurkool met worst voor hen klaar, ‘voor wel twee dagen’.
Ze speelden spelletjes en vanaf dat moment leek het wel alsof ze verslaafd raakten aan spelletjes. Mens-erger-je-niet, voor Jessie, en monopoly en mahjong. Ze speelden verwoed, het leek wel of de spelletjes macht over hen hadden, ze konden niet meer aan iets anders denken, ze speelden met risico’s die onverantwoord leken, de inzetten werden steeds hoger, de verliezen voelden elke keer heftiger.
Franklin en Majorie probeerden alles netjes te houden, af te wassen, op te ruimen, te stoffen. Alleen Franklin maakte zich zorgen, het zag er op de een of andere manier niet uit zoals vroeger, ze deden het niet goed. Maar Majorie kon het niets schelen. Ze zei elke ochtend tegen Jessie: ‘Schone onderbroek.’ Dat moest genoeg zijn. Ze gingen één keer onder de douche, maar hun vader zette het warme water laag en toen Majorie daar luidkeels tegen protesteerde, stopte hij een stuk zeep in haar mond. Op de tweede dag van het nieuwe jaar moest hun vader gewoon naar zijn werk. Hij legde twee tientjes op tafel, droeg Franklin op van dat geld boodschappen te doen en verzekerde hen dat het aan het dooien was.

A
an sommige dingen was niets te doen. Op Driekoningen klom Casimir op een stoel en haalde hij Balthasar van zijn hoge plaats van de boekenkast om hem bij het stalletje te zetten. De eerste van de drie koningen was bij het kribbetje aangekomen. Het was de laatste dag van hun kerstvakantie, Jessie had de boon bij haar ontbijt gevonden, ze droeg de koningsmantel en de kroon. Ze speelde dubbel zo fanatiek.
Aan het eind van de middag stonden ze gevieren bij het raam en keken naar buiten, hun buiken vol van massa’s vanille- en chocoladevla. De dooi had inderdaad ingezet, het grootste deel van het grasveld was al zwart en de sneeuw hield alleen dicht bij de wortels van de bomen en onder de struiken stand. Het miezerde. Franklin keek de tuin in en het was alsof hij het niet zag, want de wereld scheen zich voor hem te openen in een verblindend wit licht, dat hem optilde uit zijn lichaam en hem van boven naar alle vier liet kijken. Hij bevond zich in een ijle ruimte, die elk moment beloofde hem in een verschrikkelijk tempo weg te voeren, in een draaikolk om de aarde heen, voorbij de maan, voorbij de Melkweg waar alleen nog maar leegte bestond, die wij ons niet kunnen voorstellen. Leeg en ver en moe.
De eerste die het ook zag was Cas en hij verwoordde het meteen, zodat het hem niet te pakken kreeg, zoals het Franklin deed:
‘Daar! Onder de blauwe-bloemenstruik! Daar, dat is Kokoschka!’
‘Nee’, zei Majorie. ‘Nee, nee, nee.’
Ze holden met z’n vieren naar de keukendeur. Het katje was koud en stijf.
H
un vader was niet thuisgekomen. Ze lagen ellendig om de Chinese Muur heen, de fiches met de wonderschone plaatjes in hun hand. Franklin voelde hoe hij het niet veel langer in de hand kon houden. Hij viel in stukken en brokken uiteen, de gedachten in zijn hoofd gingen te snel, paniek kwam bovendrijven. Het huis zag er niet meer uit als vroeger, de rommel ging zijn gang, door niemand gehinderd.
‘Morgen gaan we niet naar school’, zei Majorie, ‘we hebben een begrafenis.’
Ze hadden het katje met de sneeuwschuiver verplaatst naar de achterkant van het schuurtje. De grond was nog te hard om hem te kunnen begraven. Jessie had niet gehuild, haar gezichtje stond strak, ze zei: ‘Dood is niet terugkomen’ en leek vastbesloten het haar hele leven daarbij te laten. Dat besluit verwoestte talloze programma’s in haar kleine hersenen. Alleen Casimir had gehuild, met hoge, hysterische uithalen. Majorie had beschuit met gestampte muisjes gemaakt voor hun honger.
Om tien uur hoorden ze de sleutel van hun vader in het slot. Jessie was nog op, het zou wreed zijn haar naar bed te sturen. Haar gezichtje zag klein en witjes. Ze speelden traag. Hun vader had hun moeder meegenomen. Ze hoorden haar stem in de hal, toen ze een blik op de keuken wierp. Ze leek veel buitenlandser te praten dan vroeger: ‘O, de keuken, lieve help’ en in de kamer: ‘O, ik kan van voren af aan beginnen.’ Toen pas zag ze de kinderen op het Perzisch tapijt in de grote kamer.
‘O, mijn kinderen’, zei ze. Ze droeg een hoed met een voile, waarachter haar gezicht grijs en schimmig leek. Cas was de enige die opstond en met stijve ledematen op haar af liep. Ze streelde door zijn haar.
‘O, Casimir’, zei ze, ‘wat zijn je haren vet, van jullie allemaal trouwens, o, o, en die kleren!’
Cas barstte weer in snikken uit. Ze deed haar voile naar achteren, haar gezicht was mooi en uitgerust. Majorie peinsde erover hoe ze haar eigen begrafenis wilde, ergens ver weg in een exotisch land, met trommels en castagnetten en een scherpe fluit.
‘Jessie’, riep hun moeder, ‘je had allang in je bedje moeten liggen, kom eens in mamma’s armen.’ Maar Jessie bewoog niet. Haar moeder trok haar wenkbrauwen op en keek naar Franklin, koel, onderzoekend. Ze knielde bij Jessie neer en tilde haar kinnetje op.
‘Je krijgt een poesje, echt waar, als je jarig bent in de zomer. Pappa en ik hebben er allang over gepraat.’
‘Ik wil geen poes meer’, zei Jessie en dat was dan ook het laatste wat er te zeggen viel. In jaren, dacht ze, misschien wel in altijd.
Ze werden naar bed gestuurd. Morgen, dacht Franklin, morgen timmer ik een kistje voor Kokoschka. Uit zijn zolderkamerraam zag hij hoe het opnieuw was begonnen te sneeuwen. De sneeuw viel op de daken van de huizen, op de takken van de bomen, op de struiken in de tuinen, er kroop een wit randje langs de kozijnen van vreemde mensen. Ook de mensen aan de overkant zouden hun doden onder de sneeuw hebben liggen. In de winter was de sneeuw onverbiddelijk. Ook hijzelf zou ooit eens zo liggen en hij zou niet eens voelen dat de aarde boven hem weer zachter werd.
Een verdieping lager kroop Jessie bij Majorie in bed. Ze lagen lepeltje lepeltje. Jessie lag stil te huilen, Majorie liet haar. Warm, dacht ze, hier was het in ieder geval warm.