Wat kost de financiële sector Nederland?

De kip met het waterhoofd

Vergeet Cyprus. Nederland heeft naar verhouding een van de grootste financiële sectoren ter wereld. Die zadelt de belastingbetaler op met enorme risico’s, op dit moment bijna 68 miljard euro. De lusten van het financiële overgewicht wegen niet langer op tegen de lasten.

Medium financielewaterhoofd def

Met een daverende klap viel in 1983 scheepsbouwer Rijn-Schelde-Verolme (rsv) om. Samen met het concern ging ook het Nederlandse industriebeleid ten onder. Jarenlang had de staat het faillissement proberen af te wenden. In totaal was er 2,7 miljard gulden in het bedrijf gepompt, zo kwam in de daaropvolgende parlementaire enquête aan het licht. Het mocht niet baten. Mede door de opkomende concurrentie uit Japan en Zuid-Korea was er overcapaciteit in de Nederlandse scheepsbouw. De sector moest vroeg of laat inkrimpen.

De lessen die uit het rsv-debacle getrokken werden, zijn tot op de dag van vandaag van invloed in Den Haag. De overheid mag niet toegeven aan de verleiding om noodlijdende bedrijven te helpen met grootschalige steun, menen politici van links tot rechts. De baten zouden simpelweg niet opwegen tegen de mogelijke kosten.

Op die regel geldt in Nederland één reus­achtige uitzondering: de financiële sector. Alleen al de nationalisatie van het wankelende SNS Reaal, eerder dit jaar, kost de Nederlandse belastingbetaler een veelvoud van het rsv-debacle: 3,7 miljard euro. Daarbovenop komen nog eens 1,1 miljard euro aan leningen en 5 miljard aan garanties.

Natuurlijk kan dat geld over enkele jaren (deels) terugkeren in de staatskas. Maar het omgekeerde is ook mogelijk, schreef minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem in een brief aan de Tweede Kamer. Zeker als het gaat om de achilleshiel van SNS Reaal, de vastgoed­portefeuille, ‘valt niet uit te sluiten dat de staat door verder verslechterende markt­omstandigheden met een extra verlies geconfronteerd zal worden’.

De Nederlandsche Bank (dnb) deed haar best de staatssteun voor SNS Reaal als eenmalig af te schilderen. Geen andere bank had, in verhouding tot de omvang van de rest van de onderneming, zoveel en zulke verliesgevende vastgoedprojecten – een gevolg van de overname in 2006 van het voormalige Bouwfonds. ‘Nu zouden we een dergelijke transactie niet meer goedkeuren’, verklaarde Jan Sijbrand, directeur toezicht, op de in allerijl georganiseerde persconferentie op het ministerie van Financiën in Den Haag.

Feit is dat de redding van SNS Reaal allesbehalve eenmalig is. Sinds het uitbreken van de crisis in 2008 zijn er weinig financiële instellingen in Nederland die géén staatssteun hebben ontvangen. ing en Aegon kregen tijdelijk extra kapitaal; in het geval van ing nam de overheid ook een pakket ‘giftige’ Amerikaanse hypotheken over. Andere partijen als nibc en LeasePlan maakten gebruik van staatsgaranties. Maar de grootste klapper was natuurlijk de overname van het Nederlandse deel van Fortis en ABN Amro.

De nog altijd wankele financiële sector vormt een tijdbom onder de Nederlandse economie. De Groene Amsterdammer berekende aan de hand van cijfers van het ministerie van Financiën en de Rekenkamer het totale risico dat de belasting­betaler hierdoor loopt. Dat levert duizelingwekkende getallen op. Op dit moment loopt de staat een risico van bijna 68 miljard euro (zie kader). Alsof dat nog niet genoeg is, heeft de bankencrisis ook de rest van de economie in een crisis gestort. De kosten van die recessie zijn door voormalig minister van Financiën Jan Kees de Jager op 150 miljard euro geschat. Op het hoogtepunt van de crisis had de financiële sector Nederland nog veel duurder kunnen komen te staan. Toen was er alles bij elkaar het onwaarschijnlijke bedrag van 181 miljard euro gemoeid met de redding van de noodlijdende banken, verzekeraars en andere financiële instellingen. Ter vergelijking: dat is grofweg negen keer zoveel als het totale bedrag dat het kabinet-Rutte II de komende jaren wil bezuinigen.

Het gaat zowel om leningen en garanties als om daadwerkelijke uitgaven. Een groot deel van dit geld zal de komende jaren terugvloeien in de staatskas. Op sommige onderdelen, zoals de garantieregeling voor banken, wordt mogelijk zelfs winst gemaakt. Maar voor vele andere miljarden geldt dat de overheid deze hoogstwaarschijnlijk nooit meer zal terugzien. In zijn nieuwjaarsspeech gaf Jeroen Dijsselbloem voor het eerst voorzichtig aan dat de balans van de reddingsoperatie negatief begint uit te slaan. Tot die tijd gold dat Nederland hier alleen maar aan verdiende. In 2012 legde de staat er echter 193 miljoen op toe. Daarbij zal het niet blijven, voorspelde Dijsselbloem.

De minister is nog veel te optimistisch. Neem alleen al de overname van Fortis/ABN Amro. De commissie-De Wit noemde in haar rapport de prijs die de regering hiervoor op tafel heeft gelegd ‘buitengewoon riant’. Tijdens de verhoren werd gesuggereerd dat er acht miljard euro te veel is betaald. Hoe het ook zij, de overheid zal bij een eventuele beursgang van ABN Amro lang niet al haar geld terugzien. In plaats daarvan zal zij er miljarden op toeleggen.

De ongemakkelijke waarheid is dat Nederland dertig jaar na de rsv-affaire opnieuw een noodlijdende economische sector aan het infuus heeft. De nog veel ongemakkelijkere waarheid is dat, vergeleken met de bedragen waar het nu om gaat, de 2,7 miljard gulden van destijds ineens kruimels lijken.

Hoe heeft het zover kunnen komen? Het argument ligt voor de hand. De regering móest wel, zo concludeerde ook de genoemde commissie-De Wit. De financiële sector, de banken voorop, is too big to fail. Om een scenario als in IJsland of Ierland te voorkomen, was ingrijpen noodzakelijk. Het maakt de gang van zaken er niet acceptabeler om. Want hoe kon Nederland überhaupt terechtkomen in een situatie waarin het gedwongen is miljarden te pompen in stuntelende banken? Een toestand waarin ’s lands economie staat of valt met de finan­ciële sector? Het antwoord heeft alles te maken met het Nederlandse financiële overgewicht. De politieke verontwaardiging over Cyprus de afgelopen weken doet anders vermoeden, maar er zijn weinig landen waar de financiële sector ten opzichte van de rest van de economie zó groot is als hier. Alleen al de balans van ing is nog altijd fors groter dan de totale Nederlandse economie. De balans van de bankensector als geheel beslaat zelfs tussen de vier en vijf keer het bbp. Op een internationale ranglijst van het imf uit 2011 stond Nederland met zijn finan­ciële waterhoofd dan ook prominent op nummer vijf. Die omvang is deels historisch te verklaren. ‘Al sinds de Amsterdamse Wisselbank uit 1609 hebben we een groot bankwezen gehad’, legt hoofdeconoom Wim Boonstra van de Rabobank desgevraagd uit. Hij wijst op het open, internationale karakter van de Nederlandse handelseconomie. ‘Dat kun je niet met kleine bankjes ondersteunen. Grote bedrijven moeten door grote banken bediend worden. Zwitserland en Engeland hebben dat ook.’

Toch is de grote groei iets van de afgelopen decennia. Vanaf de jaren negentig is de finan­ciële sector geliberaliseerd en geëuropeaniseerd. Dat leidde tot een razendsnelle schaal­vergroting. Neem alleen al het jaar 1991. Uit een fusie van de kort daarvoor samen gegane Postbank en Nederlandsche Middenstandsbank met Nationale Nederlanden ontstond ing. En ook die andere kolos, ABN Amro, zag het licht. ‘We moeten een Angelsaksische houding aannemen’, stelde een vertegenwoordiger van Amsterdam Financial Center, een lobby-initiatief dat van de hoofdstad de ‘financiële toegangspoort’ tot Europa wilde maken, in datzelfde jaar tegenover The New York Times. ‘We hebben agressievere marketing en productinnovatie nodig. We moeten veranderen van een coöperatieve club in een vrije markt waarin iedereen uit is op zijn eigen marktaandeel.’

Amsterdam Financial Center hoopte begin jaren negentig de nieuw te vormen Europese Centrale Bank binnen te halen. Dat lukte niet, het werd Frankfurt. Maar de droom van Nederland als een toonaangevend financieel centrum bleef. Niet zonder resultaat: tussen 1990 en 2005 nam het aandeel van de financiële sector in de Nederlandse economie toe van 3,5 naar een kleine 7 procent. De banken zagen hun balanstotalen exploderen. En er doken allerlei brievenbusfirma’s op: handige fiscale constructies van internationale bedrijven die via ons land belastingen ontwijken.

Kritiek was er nauwelijks. ‘Voor de crisis was het idee: de belangen gaan gelijk op. Wat goed is voor de financiële sector is goed voor het land’, stelt econoom Rens van Tilburg, verbonden aan Somo, een nonprofit onderzoeks­organisatie. ‘Iedereen op het ministerie vond het toen vanzelfsprekend dat de financiële sector een belangrijke pijler van de economie was.’ Willem Vermeend, tussen 1994 en 2000 staatssecretaris van Financiën voor de pvda, herinnert zich dat anders. ‘Natuurlijk waren we trots op die grote banken’, vertelt hij terugblikkend. ‘Maar het was niet zo van: nu gaan we er even een grote sector van maken. De Nederlandse politiek heeft redelijk op afstand gestaan.’

Het aanzwellende financiële waterhoofd kreeg in het nieuwe millennium concreet gestalte op de Amsterdamse Zuidas. Daar werd een nieuwe zakenwijk vol kantoortorens en uitdagende architectuur uit de grond gestampt. Hier zou het kloppend hart van de financiële sector komen. Maar genoeg was het nog altijd niet. Hoewel snel gegroeid, vreesden betrokkenen dat de Nederlandse financiële sector terrein zou verliezen aan andere landen. Aan Ierland of Luxemburg bijvoorbeeld, landen met toezicht light. Of Londen, waar Nederlandse pensioenfondsen steeds vaker het beheer van hun pensioen­gelden lieten uitvoeren.

Om die reden werd een nieuwe lobby opgezet. Iedereen deed mee aan Holland Financial Center (hfc): banken en consultants, maar ook ministeries, de gemeenten Amsterdam en Den Haag en de toezichthouders De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten(afm). Tekenend voor de tijdgeest: zelfs vakcentrale fnv was van de partij. hfc kon ook rekenen op subsidies. De rijksoverheid droeg 2,75 miljoen per jaar bij. Via de gemeente Amsterdam kwam nog eens een keer datzelfde bedrag binnen. Met het geld werd onder meer een nieuwe opleiding gefinancierd, de Duisenberg School of Finance.

Bij de presentatie in de zomer van 2007, op het moment dat in de Verenigde Staten de eerste tekenen zichtbaar werden van een financiële ramp die zijn weerga niet kende, prees afm-voorzitter Arthur Docters van Leeuwen het ‘mooie voorbeeld’ van Ierland. Een ‘onderontwikkelde financiële industrie’ wisten ze ‘na een paar jaar vooraanstaand te maken’, met name waar het ging om beleggingsfondsen en hedgefondsen. ‘Nederland is het kleinste grote land dat ik ken’, sloot hij zijn speech af. ‘Zouden we dat ook zijn geweest zonder onze financiële industrie? Kijk even om u heen. Niet alleen in Amsterdam, maar ook in Den Haag. Het huidige Nederland staat op de schouders van een rijke financiële traditie. Het is aan ons om die traditie in en voor deze tijd verder te brengen.’

Zes jaar later staat het door Docters van Leeuwen geprezen Ierland onder curatele van Europa en het Internationaal Monetair Fonds. Met dank aan haar voorbeeldige financiële industrie. Van de ‘rijke financiële traditie’ van Nederland is evenmin veel over. Minister Dijsselbloem heeft laten weten de stekker uit Holland Financial Center te willen trekken. Zo’n innige samenwerking tussen overheid, toezichthouders en private partijen past volgens hem niet meer in deze tijd. Twee van de vier grootste Nederlandse banken zijn genationaliseerd. Een derde moest een beroep doen op staatssteun.

De directe, nog openstaande risico’s van die reddingsoperatie zijn al genoemd: een kleine 68 miljard. Maar er zijn ook indirecte kosten. Daarbij wordt de schade van belastingontwijking, die door een ander deel van de Nederlandse financiële sector wordt gefaciliteerd, niet eens mee­genomen. Buitenlandse overheden lopen hierdoor vele miljarden aan belasting­opbrengsten mis. Fraai is het niet, maar de Nederlandse burger merkt er weinig van.

Anders ligt dat voor de gigantische schade die de door de financiële sector veroorzaakte crisis heeft aangericht in de rest van de economie. Nog in september 2008 werd in de Miljoenennota gerekend op financiële overschotten voor de komende jaren. Het werd crisis, krimp en torenhoge financiële tekorten. Toenmalig minister De Jager had het in dat kader over een economische schade van 150 miljard. De Rekenkamer komt op een soortgelijk getal uit. De vraag is alleen in hoeverre deze misgelopen miljarden direct aan de Nederlandse financiële sector zijn toe te schrijven. Zelfs zónder substantiële financiële bedrijvigheid had de op export gerichte Nederlandse economie last gehad van de crisis. Je kunt de mondiale recessie nou eenmaal niet enkel herleiden tot de problemen bij ing.

Tegenover die lasten staan bovendien ook lusten. Naar aanleiding van de emotionele debatten over de bonussen betoogde Boele Staal, aanvoerder van de Nederlandse Vereniging van Banken (nvb), in een brief aan de fractie­voorzitters in 2011 dat de financiële sector tot wel een vijfde van de Nederlandse economie beslaat. Dat lijkt enigszins overdreven. Alleen als je alle mogelijke zakelijke dienstverlening, inclusief de schoonmaak, erbij optelt kom je op twintig procent uit. Maar vast staat dat de financiële sector een belangrijk onderdeel is van de Nederlandse economie. Het Centraal Bureau voor de Statistiek houdt het op zeven procent van het bbp, goed voor 261.000 banen. Bovendien vervullen banken een nutsfunctie, benadrukken voor- én tegenstanders. Ze faciliteren het betalings­verkeer en verstrekken kredieten aan ondernemingen en huizenkopers.

Dus wat is te groot, zo bezien? Robin Fransman, adjunct-directeur van hfc, vindt niet dat je zomaar kunt zeggen dat Nederland een te omvangrijke financiële sector heeft, enkel omdat deze een fors percentage van het bbp beslaat. ‘Dat heeft bijvoorbeeld ook te maken met de aanwezigheid van multinationals in Nederland. Bovendien heeft de hypotheekrenteaftrek gezorgd voor grote hypotheekportefeuilles bij de banken. Daar kunnen zij weinig aan doen.’

Toch vragen steeds meer economen zich hardop af hoe blij een land moet zijn met een uit de kluiten gewassen financiële industrie. Dirk Bezemer is een van hen. In 2009 vestigde deze Groningse econoom zijn naam bij een breder publiek met een veelbesproken opiniestuk in de Financial Times. Kop: ‘Why Some Economists Could See the Crisis Coming’. Daarin betoogde hij, tegen het gangbare excuus in, dat politici en toezichthouders de crisis wel degelijk hadden kunnen zien aankomen. Al in de jaren negentig ontwikkelde een minderheid onder de economen een model waarin de financiële sector een veel prominentere rol speelt dan in de gangbare theorieën. Op die manier voorspelde de Britse econoom Wynne Godley in 1999 dat, wanneer de door schulden gefinancierde groei nog acht jaar zou doorgaan, er een ‘sensational day of reckoning’ zou plaatsvinden.

‘“Baat het niet dan schaadt het niet”, dat gaat niet op voor een sterk groeiende financiële sector’, legt Bezemer desgevraagd uit. ‘Het werkt instabiliteit in de hand. Denk aan de woningmarkt. Als je daar veel geld in steekt, zoals in Nederland is gebeurd, gaan de prijzen omhoog. Daarvan profiteren mensen, maar zodra de markt inzakt heb je een groot probleem.’ Je kunt het volgens Bezemer ook iets abstracter formuleren. ‘Krediet is de keerzijde van schuld. Die twee gaan onvermijdelijk samen. Landen die een zeer grote financiële sector nastreven – Nederland, Luxemburg, Engeland – én tegelijkertijd schulden willen afbouwen, jagen dus een utopie na.’

De vraag is waar het omslagpunt precies ligt. In een imf-paper werd hierbij vooral gekeken naar de hoeveelheid leningen die de financiële sector verstrekt aan het bedrijfsleven. Overstijgt dat de omvang van ongeveer 110 procent van het bbp, dan liggen er economische zeepbellen op de loer. Niet voor niets scoorde IJsland op deze index voorafgaand aan de crisis het hoogst. Ook Nederland doet mee in de wereldtop – in dit geval een twijfelachtige eer. ‘Tot een bepaalde grens kan dat geld in de reële economie gestoken worden’, vertelt Bezemer. ‘Daarna krijg je een boom. Dat levert niets op. Nou ja, behalve meer schulden, risico’s en instabiliteit dan.’

Rens van Tilburg van Somo noemt een heel ander voorbeeld om te illustreren dat een grote financiële sector geen zegen is. ‘Onlangs heeft abn in Dallas een groep energiehandelaren van het oude Fortis overgenomen. abn wil namelijk wereldwijd tot de top-drie _commodities-_banken behoren. Die investering dient geen enkel Nederlands belang. Maar als het mis gaat, heeft de Nederlandse bank ABN Amro wél een gat in zijn balans. Dat moet gerepareerd worden, en drie keer raden door wie.’ ABN Amro is niet de enige met verreikende ambities. ‘De Rabobank wil tot de top-drie agrarische banken behoren; de ing tot de top-drie van de Europese banken. Allemaal hebben ze een grootse visie, maar dat betekent wel dat ze een heel forse balans krijgen. Als het mis gaat, moet de Nederlandse overheid daarvoor opdraaien.’

Een heel ander gevaar is het beslag dat een grote financiële sector legt op het ‘menselijke kapitaal’ van een land. Niks kip met de gouden eieren. ‘De financiële sector is een kip met een waterhoofd geworden. Daardoor wordt talent onttrokken aan andere, technologische ­sectoren’, oordeelt oud-staatssecretaris Willem Vermeend. Een binnenlandse braindrain, kortom.

Neem high-frequency trading, ook wel ‘flitshandel’ genoemd. In fracties van seconden kunnen miljoenen aandelen en andere financiële producten worden verhandeld. Dat gebeurt niet op basis van economische analyses van mensen, maar door computers. Niet voor niets trekt deze snel opgekomen sector veel wiskundigen en IT’ers aan. Maar, zo stellen critici als Bezemer en Vermeend, die mensen hadden een maatschappelijk veel waardevollere bijdrage kunnen leveren in dienst van kennisintensieve bedrijven als, pak ’m beet, de middelgrote toeleveranciers van hightechbedrijf asml.

De hoogtechnologische sectoren waar Nederland zo graag in wil uitblinken, kunnen of willen echter niet opbieden tegen de lonen in de financiële sector. Lagen ze begin jaren negentig zeventien procent hoger dan het gemiddelde, in 2007 was dat meer dan tachtig procent geworden, zo blijkt uit het Somo-rapport Het financiële overgewicht van Nederland. Waar een gemiddelde werknemer ruim dertig euro per uur verdiende, streek een bankmedewerker ruim 55 euro op. Van de landen met een grote financiële sector stegen alleen in IJsland de beloningen harder. Die stijging kan niet uitsluitend verklaard worden door hogere opleidingeisen bij de banken of de gemiddelde leeftijd van het personeel. Wie denkt dat die trend inmiddels gekeerd is, heeft het bovendien mis. Ook in 2010 en 2011 namen de salarissen bij de banken weer harder toe dan in de rest van de (kwakkelende) economie.

Ondanks alles wat er de afgelopen maanden in de financiële sector is gebeurd’, sprak toenmalig minister van Financiën Wouter Bos in november 2008 op een conferentie van Holland Financial Center, ‘ondanks alles wat we weten over hoe we nooit meer willen bankieren, ondanks dat ik me afvraag of iedereen binnen de financiële sector er voldoende van overtuigd is dat het echt anders moet, ondanks dat blijft het Nederlandse kabinet bereid met u de positie van Nederland als financieel centrum te promoten en te versterken.’

Veel bankiers en andere betrokkenen nemen, anders dan Bos, niet eens meer de moeite dat voorbehoud te maken: ‘ondanks dat’. Want hoewel de crisis voor Nederland nog niet voorbij is, krabbelt de financiële lobby alweer op. Zo stelde Gerrit Zalm, de oud-minister die tegenwoordig aan het roer staat van het genationaliseerde ABN Amro, eind vorig jaar in een gesprek met De Telegraaf dat we minder negatief moeten zijn over de banken: ‘Je moet niet raar opkijken dat als je banken het leven moeilijker maakt, dat ook gevolgen heeft voor de kredietverlening. Hetzij qua kosten, hetzij qua omvang.’ Hoofdlobbyist Boele Staal noemde in de Volkskrant het gegoochel van banken met giftige hypotheken aan de vooravond van de crisis ‘een uitwasje’. Maar, zo merkte hij op, de financiële producten hebben ook veel welvaart gebracht. En: ‘De financiële sector is van ongelooflijk belang voor onze economie.’

De droom van Nederland als mondiaal financieel centrum blijkt niet voor iedereen vervlogen. Nog in 2011 verkoos de Amsterdam Economic Board de financiële sector tot een van de zeven kansrijke en belangrijke economische clusters voor de regio. ‘De financieel zakelijke dienst­verlening is een grote sector in de metropool­regio met een bovengemiddelde verwachte groei’, oordeelde Herman Dijkhuizen, voorzitter van de raad van bestuur van kpmg. Hij wond geen doekjes om het doel: ‘Het is de ambitie om in 2020 bij de top-zeven van Europese finan­ciële centra te behoren en in specifieke niches tot de top-tien positie in de wereld.’

Met zoveel halsstarrigheid is het wachten op de volgende financiële crisis. Gelukkig klinken er ook meer realistische geluiden. Robin Fransman, adjunct-directeur van Holland Financial Center, toont zich afkerig van het denken in termen van ‘groot, groter, grootst’. ‘Wij hebben ons vanaf het begin gericht op die onderdelen van de financiële sector met een laag risico­profiel’, benadrukt hij. Fransman verwacht veel van een aantal maatregelen die vanuit de Europese Unie worden voorbereid. Daarmee moeten in de toekomst faillissementen van banken als sns ordelijk afgewikkeld kunnen worden, zónder dat de staat gedwongen is financieel bij te springen. Fransman: ‘Met die nieuwe wetgeving had de schuld van gewone obligatiehouders van sns omgezet kunnen worden in aandelen. Daarmee was die bank in één keer geherkapitaliseerd. Too big to fail zou daarmee verleden tijd zijn. En ja, dán kun je als financiële sector natuurlijk wel weer gewoon groeien.’

Anderen wijzen op het belang van een Europese ‘bankenunie’. Op eigen houtje kan het kleine Nederland zomaar ten onder gaan aan een crisis van haar enorme banken. Zou die sector daarentegen een Europese verantwoordelijkheid worden, dan is er veel meer vuurkracht, en is het waterhoofd verholpen. Of het zover komt, is echter zeer de vraag. Heel erg hard lijkt Nederland niet aan de plannen te trekken. Terwijl uitgerekend dat land er toch alle belang bij heeft. Lang niet alle deskundigen vertrouwen er dan ook op dat de verstrengeling van banken en overheden spoedig tot het verleden zal behoren. Maar zelfs voor deze sceptici gloort er een sprankje hoop. Het probleem is – heel voorzichtig, maar toch – bezig zichzelf op te lossen. Alle grootse ambities ten spijt gebeurt sinds kort wat mensen als Bezemer bepleiten: stukje bij beetje wordt er lucht uit de opgeblazen Nederlandse sector gelaten. Zij krimpt.

Banken stoten onderdelen af en kondigen ontslagrondes aan. Hoewel een ramp voor de betrokkenen, is dat voor het evenwicht en de stabiliteit van de Nederlandse economie als geheel helemaal niet verkeerd. Enige tijd geleden rapporteerde dnb al dat de bankensector kleiner en veel sterker nationaal georiënteerd is dan vijf jaar geleden. Eind 2006 was de totale sector nog 5,5 keer zo groot als de Nederlandse economie. Vijf jaar later was die omvang geslonken tot 4,7 maal het bbp. Dat is nog altijd ontzettend veel, maar de trend is helder. In reactie op Kamervragen van Arnold Merkies, financieel specialist van de SP, wees ook minister Dijsselbloem op het krimpende personeelsbestand bij de banken. Van een braindrain was daarom in Nederland geen sprake, aldus de bewind­voerder. Met een kleine drie procent van de werkgelegenheid in de financiële sector zou ons land onder de kritische drempel zitten.

Of de spontane krimp genoeg is voor Nederland om uit de gevarenzone te komen? Diezelfde minister Dijsselbloem sprak onlangs van een ‘heel grote financiële sector. Veel te groot voor het land.’ Het betrof toen Cyprus, dat door de rest van de eurozone van de ondergang gered moest worden. Maar zo heel veel anders is de situatie in Dijsselbloems eigen land niet. Wil Nederland er honderd procent zeker van zijn dat het nooit IJsland, Ierland of Cyprus achterna zal gaan, dan wordt het hoog tijd om het eigen financiële waterhoofd serieus te nemen.

Voor een toelichting op de genoemde cijfers (zoals het staatsrisico van 68 miljard) zie .


Stiekeme subsidie

Als het mis gaat met de financiële sector, springt de Nederlandse staat bij. Dat weet sinds de crisis van 2008 iedereen. Die impliciete overheids­garantie is buitengewoon gunstig voor de betroffenen, de vier grote ‘systeembanken’. Zij kunnen daardoor goedkoper geld lenen op de financiële markten. Deskundigen spreken dan ook van een ‘impliciete subsidie’. Die beslaat volgens sommigen grofweg de helft van de jaarlijkse winsten van de banken.

Maar wat kost die onuitgesproken reddingsbelofte de overheid? Of is dat gratis? ‘Het kan zijn dat je een iets hogere rente op je staatsschuld betaalt’, legt Michiel Bijlsma, bij het Centraal Planbureau specialist op het gebied van finan­ciële markten, uit. Beleggers weten immers dat de staat meer risico loopt door de banken.

Naast financiële schade is er ook een politiek risico. De verstrengeling van banken en overheid in Nederland kan de beleidsvrijheid van de regering inperken; het beknot het politieke debat. Bijlsma: ‘In tijden van crisis moet je dan heel snel bezuinigen. Omdat je bang bent dat als je dat niet doet, de financiële markten jou en je banken niet meer vertrouwen.’


Op jacht naar buitenlands spaargeld

De Nederlandse banken hebben een tekort aan spaargeld. Om die funding gap aan te vullen, worden zij steeds actiever in omliggende landen. Daar onderscheiden ze zich met relatief hoge spaarrentes. Rabobank adverteert in Duitsland met ‘Der Sicherheit von Hollands Bank Nummer 1’. Het Financieele Dagblad meldde enige tijd geleden dat het rap gaat: vijftigduizend klanten in vijf maanden tijd. MoneYou, een dochter van ABN Amro, had volgens de inmiddels ter ziele gegane zakenkrant Financial Times Deutschland in een jaar tijd iets meer dan honderdduizend klanten in haar boeken kunnen schrijven.

Ook de IJslandse banken, zoals Icesave, haalden aan de vooravond van de crisis massaal geld op bij buitenlandse spaarders. Die klopten, toen de banken omvielen, aan bij de IJslandse overheid. Is dat in Nederland ook mogelijk? Het in Duitsland en België opgehaalde spaargeld valt doorgaans onder het Nederlands deposito­garantiestelsel. Gaat een bank failliet, dan staan de andere banken garant voor de tegoeden van de spaarders, tot honderdduizend euro. Toch betekent het depositogarantiestelsel niet vanzelfsprekend dat de banken hun eigen boontjes doppen, benadrukken kenners. Bij SNS Reaal waren de hoge kosten en risico’s voor de andere banken, als het depositogarantiestelsel in werking zou treden, juist een van de voornaamste argumenten om tot nationalisatie over te gaan. Een faillissement van SNS Bank had de andere banken volgens DNB uiteindelijk ruim vijf miljard euro kunnen kosten. Te veel, zo luidde het oordeel. Dus moest de belastingbetaler, het depositogarantiestelsel ten spijt, alsnog bijspringen.