Mirna Funk en Ayelet Gundar-Goshen

De klauwen van het verleden

De schaduw van de Tweede Wereldoorlog ligt zwaar over de personages van Mirna Funk en van Ayelet Gundar-Goshen. In hun romans wordt de geschiedenis verbonden met het nu, en blijkt telkens weer dat er niet valt te ontsnappen aan het verleden.

Oorlog eindigt niet na het tekenen van een vredesverdrag. Niet alleen bij mensen die de gevechten, bombardementen en bezetting zelf meemaakten blijven littekens achter, maar ook bij hun kinderen en kleinkinderen. Deze maand stond er weer een groot verhaal in de Süddeutsche Zeitung over een nieuwe generatie Duitsers die gebukt gaat onder de erfenis van het naziregime en de holocaust, de zogenaamde Kriegsenkel, de kleinkinderen van de oorlog. Ze wisselen hun ervaringen uit op internet, op speciale forums en online zelfhulpgroepen. Die virtuele gemeenschap blijft gestadig groeien en treft elkaar ook steeds vaker in levenden lijve, op avondjes in een van de Duitse steden.

De pioniersarbeid met betrekking tot het doorwerken van de Tweede Wereldoorlog werd in Duitsland verricht door de journaliste Sabine Bode, die in 2004 een boek publiceerde over de ‘Kriegskinder’, die ze een vergeten generatie noemde. De oorlogskinderen hadden van alles zelf ervaren, zonder dat ze het precies begrepen. Los van die vaak traumatiserende oorlogservaringen werden ze ook nog eens opgevoed door de ex-nazi’s en hun meelopers, de schuldigen en de wegkijkers, door voormalige Wehrmacht-soldaten en SS’ers. Hoe konden die hen waarden en beschaving bijbrengen, terwijl ze die zelf met voeten hadden getreden? Het werd een opvoeding die gedrenkt was in een slecht geweten en woede over het eigen leven, en dat gecombineerd met verdringing, leugens en vooral zwijgen. Een kille opvoeding was het, door innerlijk afwezige ouders.

Bode schreef in de tien jaar daarna nog twee boeken over deze thematiek: Nachkriegskinder, over de generatie die in de jaren vijftig geboren werd, en Kriegsenkel, over de kinderen van de vergeten generatie, die tussen 1960 en 1980 het leven zagen. Daarvoor interviewde ze veel leden van de naoorlogse generatie en ontdekte ze dat veel van hen leden aan depressies, psychosomatische ziektes, relatieproblemen, een gebrek aan zelfvertrouwen en een verhoogde angst voor risico. Hoe hadden de oorlogskinderen met hun koude jeugd ook zelf goede ouders kunnen zijn? Toch had het ook iets contra-intuïtiefs: de kleinkinderen groeiden op in een tijd van vrede en grote welstand, in hun jeugd had het hun materieel aan niks ontbroken. En tegelijkertijd leden ze onder vragen over hun identiteit, onder een diffuse angst voor de toekomst. Naarmate de oorlog langer geleden was, waren er alleen maar meer beelden en verhalen van de oorlog, in het onderwijs, in de media, in films en boeken. Maar hoe die te verbinden met het eigen leven, de eigen familiegeschiedenis, grootouders en ouders?

Medium hu050386

De erfenis van de oorlog is bij uitstek terug te vinden in de literatuur. De Tweede Wereldoorlog blijft, ook meer dan zeventig jaar na dato, een belangrijk thema, waar steeds weer nieuwe generaties – de ooggetuigen, hun kinderen en kleinkinderen – zich aan wagen. Maar hoe te schrijven over iets waar al bibliotheken over zijn volgeschreven? Hoe een eigen verhouding te vinden tot iets wat al zo lang geleden plaatsvond en tegelijk nog steeds zo actueel is?

De Duitse journaliste Mirna Funk (1981) debuteerde vorig jaar met de roman Winternähe (de Nederlandse vertaling zal in 2016 verschijnen) over de Duits-joodse fotografe Lola, in wie de oorlog onmiskenbaar doorwerkt. De identiteitsproblemen, die Sabine Bode bij de oorlogskleinkinderen signaleerde, zijn zeer aanwezig bij Funks hoofdpersoon. Het begint er al mee dat Lola een Duitse moeder en een joodse vader heeft, dat ze zich joods voelt terwijl ze dat als vaderjood volgens de joodse wet niet is. Ze is ook nog eens opgevoed door haar joodse grootouders in de laatste jaren van de ddr en het begin van de Duitse hereniging, en lijdt onder een vadercomplex – haar vader is ‘verdwenen’ in de Australische jungle. Ze is, zoals Funk scherp schrijft, ‘dader en slachtoffer in een’, ‘een mengeling van kampgevangene en kampbewaarder’. En dan is er ook nog eens een selfie van haar op Facebook terechtgekomen waarop ze een knullig Hitlersnorretje draagt. Er wordt aangifte gedaan bij de politie en een proces volgt. Zitten er antisemitische motieven achter die selfie? Of kan dat niet, gezien haar gedeeltelijk joodse identiteit?

Zoals Jacob Markovitsj zijn liefde aan Bella opdringt, zo veroveren de zionisten Palestina

De kern van Winternähe is ernstig, maar Mirna Funk speelt vooral een ironisch spel met de geschiedenis, met hoe het Duitse en het joodse zich tot elkaar verhouden, en met het antisemitisme dat in de vorm van antizionisme weer alom aanwezig is in Duitsland. Niet alleen op haar werk en in de kroeg, maar vooral op internet stuit Lola steeds op antisemitsche opmerkingen. ‘Snel merkte Lola’, schrijft Funke, ‘wie op de-holocaust-is-voorbij-pagina stond en wie op de we-mogen-nooit-vergeten-wat-er-gebeurd-is-pagina.’ Duidelijk is dat de holocaust nog steeds een stempel drukt en een onbezwaard leven voor joden in Duitsland onmogelijk maakt.

Winternähe is een in een lichtvoetige stijl geschreven roman die zich in het heden afspeelt en de lezer van Berlijn naar Tel Aviv naar Thailand voert. De geschiedenis wordt verbonden met het nu, met de toestand in het hedendaagse Duitsland en Israël. Er valt niet te ontsnappen aan het verleden, of het moet zijn op het Thaise eiland waar Lola uiteindelijk naartoe vlucht.

Ook in de debuutroman Eén nacht, Markovitsj van de Israëlische schrijfster Ayelet Gundar-Goshen (1982) is de oorlog pregnant aanwezig, maar de toon en sfeer zijn volstrekt anders dan in Winternähe. De roman speelt in de jaren veertig; ten tijde van de jodenvervolging in Europa wordt in Palestina gebouwd aan, en later tijdens de onafhankelijkheidsoorlog ook gestreden voor, een eigen land voor de joden. De schaduw van de Tweede Wereldoorlog ligt zwaar over sommige personages die het nationaal-socialistische Europa zijn ontvlucht. Over Rachel Mandelbaum bijvoorbeeld, de vrouw van de slager van het dorp, die in het nieuwe land geen Duits meer wil spreken en zelfs in het Hebreeuws leert lachen. Zij kan het geluid van de krakende schedel van een oude jood die door Oostenrijkse jongens op de grond werd gesmeten niet vergeten. Ze ‘voelde zich door haar verleden achtervolgd, het kwam haar met ontblote klauwen achterna en het zou haar inhalen en toekomst worden. Keer op keer werd ze in haar bed wakker van het geluid van de barstende schedel van de oude jood in Wenen.’

En de oorlog heeft de beeldschone Bella naar Palestina verdreven. Zij komt in het niet nader genoemde dorp door een ingenieuze actie van het zionistische verzet: dat verscheept verzetsstrijders naar Europa om ze daar met joodse meisjes te laten trouwen, om zo hun vlucht mogelijk te maken. Aangekomen in Palestina wordt dan meteen de scheiding geregeld. De mooie Bella wordt gekoppeld aan de nietszeggende Jacob Markovitsj, die haar zo’n lot uit de loterij vindt dat hij de scheiding weigert en haar meetroont naar zijn dorp, waar zij zich terugtrekt in zijn slaapkamer, en hij voortaan op de bank slaapt, haar nachthemd als slaapgenoot.

De grote geschiedenis is alom aanwezig in Eén nacht, Markovitsj, maar de stijl is bijbels, poëtisch. Gundar-Goshen heeft het recente verleden op die manier tijdloos gemaakt, mythisch. Maar naarmate de roman vordert wordt het steeds duidelijker dat de obsessie van Jacob Markovitsj voor Bella een parabel is van de obsessie van de joden met hun land. Zoals hij zijn liefde aan haar opdringt en daarbij door roeien en ruiten gaat, zo veroveren de zionisten Palestina. De parabel is er ook in de onbereikbare liefde van de adjunct van het verzet voor Sonja, een van de vrouwen uit het dorp die met een ander is getrouwd. Na de Israëlische onafhankelijkheidsoorlog – die in de roman niet zo heet – verwerpt hij alle zelfbedrog. ‘Hij had toch zelf de ogen van Lod gezien toen ze wat spulletjes bij elkaar pakten en aan de grote trek begonnen. Hij had de blakerende zon gezien. Hij had een vrouw gezien die haar dode kind probeerde te zogen. En toen hij in haar ogen keek, toen hij in de ogen van alle Arabieren keek, was het alsof hij zijn eigen ogen in de spiegel zag. Want hij herkende de blik. De blik van iemand die datgene wat hem het allerdierbaarst is aan een ander heeft verloren.’


Foto: Israël ca. 1945. Twee schepen met samen 1014 joodse vluchtelingen komen aan in Haifa (Hulton-Deutsch Collection / CORBIS / HH)