China/Noord-Korea en Amerika/Israël

De Kleine Blindganger

Zoals Israël altijd op de steun van Amerika kan rekenen, zo weet Noord-Korea zich verzekerd van rugdekking door China. Toch halen beide vazalstaten met regelmaat hun patroons het bloed onder de nagels vandaan.

Zonder de hulp van de Verenigde Staten kan Israël waarschijnlijk niet overleven. Toch gedraagt de dwerg Israël zich allesbehalve als een schoothondje van de Amerikaanse reus. Speciaal op het gebied van oorlog en vrede liggen de twee landen vaak op ramkoers. Desalniettemin laten de Amerikanen hun eigenzinnige Israëlische protégé niet vallen. Sterker nog, ze laten zich door hem ringeloren. Van het eindeloze verhaal over de dwerg die de reus naar zijn pijpen laat dansen beleven we op dit moment een nieuwe aflevering.

Zonder de hulp van China kan Noord-Korea waarschijnlijk ook niet overleven. Toch gedraagt de dwerg Noord-Korea zich allesbehalve als een schoothondje van de Chinese reus. Speciaal op het gebied van oorlog en vrede liggen de twee landen vaak op ramkoers. Desalniettemin laten de Chinezen hun eigenzinnige Noord-­Koreaanse protégé niet vallen.

Frappant, die parallellie tussen twee actuele crisissituaties. Israël-vrienden zullen misschien schuimbekken van woede als ze er een vergelijking in menen te zien tussen de westers georiënteerde democratie Israël en het stalinistisch-theocratische Noord-Korea. Die woede is misplaatst. Het gaat immers niet om het vergelijken van de twee balorige vazalstaten onderling, maar om de overeenkomsten die er zijn in de relatie van elk van beide staten tot hun patroon. In beide gevallen zijn er in die relatie atoomwapens in het spel: reële Noord-­Koreaanse en mogelijk nog te ontwikkelen Iraanse.

In beide gevallen gaat de relatie terug tot kort na de Tweede Wereldoorlog. Elf minuten nadat Ben Goerion op 14 mei 1948 de onafhankelijkheid van Eretz Israel had uitgeroepen, werd de nieuwe staat erkend door de Verenigde Staten, onder heftig protest van de minister van Buitenlandse Zaken George Marshall. Sinds jaar en dag kan Israël rekenen op de beschermende Amerikaanse paraplu. Geen enkel land is zo ruim voorzien van Amerikaanse militaire hulp. Juist die nauwe band maakt de Verenigde Staten tot een haast onmogelijke bemiddelaar in het Israëlisch-Palestijnse conflict. De toespraak die president Barack Obama in maart hield tot Israëlische studenten in Jeruzalem was een heldhaftige poging om Palestijnen en Israëliërs weer aan het praten te krijgen, maar het zwakke punt in de Amerikaanse bemiddelingsrol, de hechte alliantie met Israël, werd er niet sterker door. En de dovemansoren van de Israëlische leiders werden door Obama’s bewogen vredesoproep niet horende.

Aan de andere kant van Azië ontrolt zich een soortgelijk scenario. De relatie tussen China en Noord-Korea dateert van het begin van de Koreaanse Oorlog (1950-1953). Mao Zedong stuurde toen 1,35 miljoen Chinese ‘vrijwilligers’ – het gebruik van die term moest voorkomen dat China officieel een van de oorlogvoerende partijen werd – om te voorkomen dat het regime van zijn communistische kameraad Kim Il-sung door de Amerikanen onder de voet zou worden gelopen. Honderdduizenden Chinese soldaten kwamen als kanonnenvlees aan hun eind, maar het doel werd bereikt: Amerikanen en Zuid-Koreanen werden teruggedreven tot onder de 38ste breedtegraad. Daar loopt in de gedemilitariseerde zone, een strook van vier kilometer breed die het meest gemilitariseerde grens­gebied van de wereld is, nog altijd de bestandslijn die sinds de wapenstilstand van zestig jaar geleden Noord- en Zuid-Korea van elkaar scheidt. Misschien grenzen armoede en overdaad nergens ter wereld zo dicht aan elkaar en liggen ze tegelijk zo onbereikbaar ver van elkaar vandaan.

De banden tussen de Volksrepubliek China en de Democratische Volksrepubliek Korea worden sinds jaar en dag in Peking standaard omschreven als nauwer dan die tussen lippen en tanden. De vriendschap zou door het in de Koreaanse Oorlog vergoten bloed bezegeld zijn. De ware motieven van de Chinese interventie in de Koreaanse oorlog waren niet zo altruïstisch als de propaganda over internationale communistische solidariteit de wereld wilde laten geloven. Mao wilde tot elke prijs een instorting van het regime in Pyongyang voorkomen, want anders zou China in militair opzicht komen te grenzen aan de Verenigde Staten, de patroon van Zuid-Korea. Daarom moesten de Amerikanen naar het zuiden worden teruggedrongen. Mao was er ook op uit om zijn positie in eigen land te versterken en prestige te krijgen bij de communistische leiders in de rest van de wereld, speciaal bij Stalin, die de Chinese communistische leider altijd grondig heeft gewantrouwd.

In Noord-Korea is inmiddels de derde generatie van de familie Kim aan de macht. Het land is de afgelopen zestig jaar niet wezenlijk veranderd. Het regime is geëvolueerd tot een familietirannie, omgeven door een elite die bij een verandering van regime alles te verliezen heeft. De machtsbasis van de heersende familie is het leger, dat dan ook al sinds jaren politieke prioriteit geniet. Met ruim 1,1 miljoen militairen zijn de Noord-Koreaanse strijdkrachten in verhouding tot het bevolkingsaantal (24,5 miljoen) verreweg het grootste leger van de wereld. Als ook alle reservisten en paramilitairen op de been worden gebracht, dijt het leger uit tot een massa van bijna tien miljoen individuen. In ruil voor hun trouw krijgen de generaals een deel van de buit toegeworpen. Twee derde van de bevolking is arm tot straatarm en lijdt periodiek honger.

De staatsgodsdienst heeft zich uitgekristalliseerd tot een nationale eredienst aan God de Vader Kim Il-sung en God de Zoon Kim Jong-il, wier heldendaden op deze aarde alom verheerlijkt worden. Hun halfgoddelijke (klein)zoon Kim Jong-un verzekert zich daarmee van de loya­liteit van zijn onderdanen. De staatsideologie is officieel niet het marxisme of het stalinisme, maar de Juche Idee, een slobberige constructie van politieke onafhankelijkheid, militaire zelfredzaamheid en economische zelfvoorziening. Dat laatste lukt niet erg: Noord-Korea is economisch zwaar afhankelijk van China, leverancier van energie, grondstoffen en industriële producten, en het kan of wil zijn eigen bevolking niet voldoende te eten geven. De grote hongersnood van 1994 tot 1998 joeg tussen de achthonderdduizend en anderhalf miljoen mensen de dood in. Sindsdien is er bijna elk jaar tussen april en september, als de oogst van het vorige seizoen op is en die van het nieuwe seizoen nog moet komen, acuut tekort aan voedsel. Buitenlandse voedselhulp gaat bij voorkeur naar het leger. De bevolking wordt op rantsoen gesteld, maar de rantsoenen bereiken lang niet iedereen. Begin dit jaar drongen er opnieuw berichten door over kannibalisme. Er was zelfs sprake van een vader die zijn kinderen had geslacht en opgegeten en van een man die een gestorven kleinkind ter consumptie had opgegraven.

China is na Mao al vier leidersgeneraties verder. Sinds de economische revolutie van 1978 is er van het maoïstische China nauwelijks een steen op de andere gebleven. Vele malen hebben de Chinese leiders geprobeerd hun Noord-Koreaanse kameraden te bekeren tot het Chinese groeimodel, en al die keren zijn die pogingen niet verder gekomen dan een in mysteriën gehulde treinreis van Kim Jong-il naar China, die pas officieel werd bevestigd als hij weer thuis was. Kennelijk durft de machiavellistische familie Kim een economische openstelling niet aan, uit angst het paard van Troje binnen te halen en de macht te verliezen. Het Noord-Koreaanse regime kan immers niet zonder zijn internationale isolement en zonder buitenlandse vijanden. Het laat zich door geen enkele afspraak binden en met zijn bombastische dreigementen met nucleaire hel en verdoemenis hangt het de onberekenbare gek uit. En gekken, die moet je zien te paaien voordat ze echt gevaarlijk worden.

Met die tactiek heeft het allesbehalve krankzinnige regime van de Kims al twintig jaar lang de wereld gechanteerd en, minstens even belangrijk, zich tegenover de eigen bevolking weten te profileren als de onverschrokken verdediger van het vaderland die bang is voor niemand: niet voor de grote vijanden Zuid-Korea en Japan en zelfs niet voor de opperste vijand en bron van alle kwaad, de Verenigde Staten. De ontwikkeling van Noord-Korea tot een nucleaire minimogendheid – het land beschikt nu over naar schatting tien kernkoppen – heeft zich stapsgewijs voltrokken volgens een vast schema. Eerst liet Noord-Korea uitlekken dat het in de weer was met activiteiten die wezen op het ontwikkelen van een kernbom. Daarop volgde een escalatie van demonstratieve maatregelen en dreigementen, waarna er overleg kwam dat uitliep op een uitruil: Noord-Korea zou geen atoombom maken en de VS, Zuid-Korea en Japan zouden dat gebaar ruim belonen. Totdat Noord-Korea de afspraken niet nakwam en de hele cyclus opnieuw begon.

Amerika bewees het Noord-Koreaanse regime een grote dienst toen president Bush jr. het land in één adem noemde met Irak en Iran en die drie gezamenlijk omschreef als de ‘as van het kwaad’. Vervolgens vielen Amerikaanse troepen Irak binnen en joegen Saddam Hoessein en zijn regime over de kling. De Noord-Koreanen trokken daaruit de bepaald niet onzinnige conclusie dat ze daarna zelf voor een regime change aan de beurt zouden zijn. Ze besloten dat ze dat alleen maar konden voorkomen door niet alleen met een toekomstige atoombom te dreigen, maar hem ook werkelijk te maken, voor eigen gebruik of om hem door te verkopen aan bijvoorbeeld Iran of een terroristische organisatie. Met een kernbom achter de hand als overlevingsgarantie hoopt het Noord-Koreaanse bewind dat het van Amerika onderhandelingen op voet van gelijkheid kan afdwingen, met als uiteindelijke doel de Amerikaanse erkenning van het regime en ruime economische hulp.

Een afdoende antwoord op die nucleaire escalatie zijn de VS tot op heden schuldig gebleven. Iedere keer dat Noord-Korea een atoomproef deed of een ballistische raket lanceerde probeerden de Amerikanen China onder druk te zetten om zijn handel met en hulp aan Noord-Korea te staken. Zeventig procent van de Noord-Koreaanse handel is handel met China; stopzetting daarvan zou voor Kim en de zijnen de genadeslag betekenen. De Chinese standaard­reactie was het aantekenen van ‘ferm verzet’ tegen de Noord-Koreaanse provocatie, een oproep aan alle betrokken landen tot ‘terughoudendheid’ en een aansporing tot hervatting van het zes­landenoverleg dat sinds de zesde ronde in 2007 volledig stilligt. En daarna gebeurde er niets.

De laatste keer dat dit scenario begon te lopen was in februari, na de derde Noord-­Koreaanse kernproef sinds 2006. Kort tevoren was een langeafstandsraket getest. Amerika was er deze keer van overtuigd dat de Chinese lippen zich eindelijk zouden scheiden van de Noord-­Koreaanse tanden. De nieuwe Chinese partij­leider Xi Jinping leek immers buitengewoon verbolgen over het feit dat Kim Jong-un niet naar hem had geluisterd en de kernproef gewoon had laten doorgaan, met als extra provocatie de locatie van het experiment: op niet meer dan 160 kilometer van de grens met China. Dat de jonge, onervaren Kim met die atoomproef vooral zijn eigen generaals wilde overtuigen van zijn militaristisch-chauvinistische inborst was voor China geen argument. De recalcitrante vazal Kim had het grote China gezichtsverlies bezorgd, en dat moest hem betaald worden gezet.

En zo gebeurde het dat de Chinese Volksrepubliek, notoir dwarsligger in de Verenigde Naties als het gaat om sancties tegen regimes die in het Westen een slechte reputatie hebben, zoals Iran en Syrië, voor het eerst samen met de VS aan de VN-Veiligheidsraad een pakket voorlegde van financieel-economische sancties tegen de stalinisten in Pyongyang. Een opzienbare stap die wereldwijd werd becommentarieerd. Velen zagen er het einde in van de Chinese protectie van Noord-Korea, en dus het begin van het einde van het Noord-Koreaanse bewind. Het pakket werd op 7 maart unaniem door de Veiligheidsraad goedgekeurd.

China heeft alle reden om Noord-Korea te laten vallen. Het wil geen spanningen in zijn deel van de wereld – tenzij het die zelf kan doseren, zoals in de hoog opgelopen soevereiniteitsconflicten met Japan over de Diaoyu/Senkaku-eilanden in de Oost-Chinese Zee en met Vietnam en de Filippijnen over de Spratly-eilanden in de Zuid-Chinese Zee. Noord-Korea’s nucleaire en ballistische strapatsen zijn voor China alleen maar nadelig. Die kunnen immers Japan en Zuid-Korea aanmoedigen om ook kernwapens te ontwikkelen, en ze kunnen een Amerikaanse militaire escalatie in de regio en zelfs een rechtstreekse interventie rechtvaardigen. En dat terwijl de Chinezen Amerika juist willen verjagen uit het westelijke Pacific-gebied omdat ze vinden dat het in hun natuurlijke invloedssfeer niets te zoeken heeft.

Een Amerikaanse/Japanse/Zuid-Koreaanse aanval op Noord-Korea is voor China niet minder dan een spookbeeld. Want dan zou automatisch het Chinees/Noord-Koreaanse vriendschapsverdrag uit 1961 in werking moeten treden, dat China verplicht Noord-Korea in geval van een aanval militair te hulp te komen. En een oorlog tegen Amerika en/of Zuid-Korea is wel het laatste waar China om verlegen zit. Maar ook zonder dat het tot een confrontatie komt is Noord-Korea een bron van instabiliteit, die de Verenigde Staten noopt hun militaire aanwezigheid in de regio op te voeren en de militaire banden met hun junior-bondgenoten aan te halen. Allemaal slecht nieuws voor China.

Geen wonder dat de Chinezen voor het eerst met de VS het initiatief namen tot het treffen van internationale sancties tegen hun rebelse vazal. Voor het eerst ook publiceerde de Chinese pers kritische artikelen over de traditionele Chinese steun aan het meest gesloten regime ter wereld. Het is ondenkbaar dat dat soort stukken niet de steun van machtige politici heeft. Het meest kritische artikel was van Deng Yuwen, hoofdredacteur van het blad van de Centrale Partijschool. Op 27 februari verscheen van zijn hand in de Financial Times een opiniestuk onder de revolutionaire titel ‘China Should Abandon North Korea’, met een nog schokkender ondertitel: ‘The Best Way Is to Take the Initiative to Facilitate Unification with South Korea’. Nog nooit eerder waren uit zo’n gezaghebbende Chinese pen zulke onorthodoxe woorden over Noord-Korea gevloeid. De auteur, die ongetwijfeld een belangrijk deel van het Chinese politieke establishment vertegenwoordigt, ziet sterke argumenten om te breken met Pyongyang:

– Ideologie mag geen criterium zijn voor relaties tussen staten. Als het dat wel zou zijn, zou Peking met het Westen geen relaties mogen hebben, terwijl China’s verschillen met Noord-Korea veel groter zijn dan die met het Westen.

– Misschien was Noord-Korea een nuttige vriend tijdens de Koude Oorlog, tegenwoordig biedt het China geen enkele strategische beveiliging meer, integendeel. Een Amerikaanse aanval op een nucleair Noord-Korea zou China dwingen het regime in Pyongyang te hulp te komen, met desastreuze gevolgen.

– Het Noord-Koreaanse regime zal zich niet openstellen voor de buitenwereld en zal daarom vroeg of laat ten onder gaan. Waarom zou China relaties onderhouden met een land dat gedoemd is te verdwijnen?

– Noord-Korea heeft zich al lang van China gedistantieerd. Al in de jaren zestig liet Kim Il-sung de beslissende rol van de Chinezen in de Koreaanse Oorlog verdonkeremanen en massaal Chinese oorlogsgraven ruimen, zodat hijzelf alle eer voor het terugdrijven van de Amerikanen kon oogsten.

– De mogelijkheid bestaat dat Noord-Korea zijn kernwapen tegen China zelf zal gebruiken om zijn eisen kracht bij te zetten. Daarop zou de vorige leider Kim Jong-il hebben gezinspeeld tegenover de Amerikaanse oud-president Bill Clinton tijdens diens bezoek aan Pyongyang in 2009.

– Conclusie: aan zo’n ‘buffer’ heeft China niets. Het is beter Noord-Korea aan zijn lot over te laten en te gaan werken aan de Koreaanse hereniging. Dat zou de militaire spanning in de regio aanzienlijk verminderen en de Amerikaanse militaire allianties met Japan en Zuid-Korea ondermijnen.

Dat laatste is Chinees wensdenken. Die allianties zijn immers behalve tegen Noord-Korea vooral ook tegen China zelf gericht. Bovendien is Amerika bezig zijn militaire activiteiten te concentreren in de Pacific, met als – officieel tegengesproken – doel de Chinese invloed in het westen van dat gebied in te dammen. En zo is er wel meer op het betoog van Deng Yuwen af te dingen. De observatie dat Noord-Korea al lang van China afstand heeft genomen en dus niet te vertrouwen is, geldt ook omgekeerd. In feite hebben ze een gloeiende hekel aan elkaar. China heeft altijd neergekeken op zijn oude vazalstaat Korea, die na de Eerste Chinees-Japanse Oorlog (1894-1895) een kolonie van Japan werd. Tussen de familie Kim en de Chinese communistische partij is geen liefde verloren. De Chinese leiders hadden al weinig op met Kim Jong-il en moeten van de jongste Kim nog minder hebben.

In Peking is een Chinese claim opgerakeld op het grondgebied van Koguryo, een koninkrijk dat bestaan heeft in de eerste zeven eeuwen van onze jaartelling. Deze bakermat van de Koreaanse cultuur strekte zich uit over het grootste deel van het Koreaanse schiereiland, naar het noorden toe tot ver in Mantsjoerije en bij de zee tot in Rusland. Het feit dat Mantsjoerije veel later een deel van China werd is volgens revisionistische Chinese historici het bewijs dat Koguryo eigenlijk een Chinese provincie is. Sommige partijleiders zeggen het hun na, want assertief gedrag is tegenwoordig bon ton in het Chinese buitenlandse beleid. De absurde Chinese aanspraak heeft in beide Korea’s buitengewoon boze en verontruste reacties uitgelokt.

De opmerking over wat Kim Jong-il tegen Clinton zou hebben gezegd kan met grove korrels zout worden genomen. De vorige Noord-Koreaanse leider was bereid alles te beweren en te beloven, als er maar aan te verdienen viel, en het verplichtte hem tot niets. Een goed voorbeeld daarvan was zijn ontmoeting in 2000 in Pyongyang met de toenmalige president van Zuid-Korea, Kim Dae-jung. Algemeen werd deze inter-Koreaanse top gezien als een begin van verzoening en een doorslaand succes van Kim Dae-jungs welwillende ‘zonneschijn­politiek’ tegenover Noord-Korea. De Zuid-­Koreaanse president kreeg er zelfs de Nobelprijs voor de vrede voor. Later kwam uit dat hij voor dit meest glorieuze moment van zijn carrière grof had moeten betalen, want Kim Jong-il had aan de top een prijskaartje gehangen: honderd miljoen dollar. Van verzoening was natuurlijk geen sprake.

Toch sloeg het artikel van Deng Yuwen in als een bom, te meer omdat het Noord-Koreaanse gedrag zijn conclusie om te breken met Pyongyang volop leek te rechtvaardigen. Nog voordat de Veiligheidsraad de verscherpte sancties had goedgekeurd dreigde Noord-Korea met een ‘preventieve kernaanval’ op de VS en ‘andere agressors’. Na het aanvaarden van de resolutie kwam uit Pyongyang de ene schreeuw om aandacht na de andere: Washington zou door een kernbom in de as worden gelegd. Seoul, het Pacific-eiland Guam en andere Amerikaanse bases zouden volgen. Nee, het eerste nucleaire doelwit was Tokio. De plutoniumreactor in Yongbyon zou opnieuw worden gestart voor de aanmaak van nucleaire brandstof. Lanceringsplatformen werden ostentatief naar de Noord-Koreaanse Pacific-kust vervoerd. Het Noorden verklaarde zich weer in staat van oorlog met zijn zuiderbuur door de wapenstilstand van 1953 op te zeggen, sneed de Rode Kruis-hotline met Seoul door en sloot de gezamenlijke industriële zone in Kaesong, waar vijftigduizend Noord-Koreaanse arbeiders werkten in 120 Zuid-Koreaanse bedrijven.

Hoewel de Amerikanen geen hoge dunk hebben van de doeltreffendheid van de Noord-Koreaanse langeafstandsraketten en kernbommen namen ze de dreigementen serieus. Dat bleek uit oefeningen boven Zuid-Korea met gesimuleerde atoomaanvallen op Noord-Korea door stealth bommenwerpers, plaatsing van nieuwe raketafweersystemen in Alaska en Californië naast de dertig bestaande, voorbereidingen voor het inzetten van een geavanceerd antiraketsysteem op Guam en stationering van een Amerikaans oorlogsschip en een radarplatform voor de Noord-Koreaanse kust. Al die maatregelen leidden in Pyongyang tot nieuwe woede-uitbarstingen.

Misschien was het deze Amerikaanse militaire overreactie, misschien de aangeboren Chinese afkeer van het nemen van risico’s, misschien was het een combinatie van beide, maar het werd binnen de kortste keren duidelijk dat de houding van Peking tegenover Noord-Korea niet wezenlijk is gewijzigd. En na een paar demonstratieve douanecontroles ging ook de Chinese handel met Noord-Korea gewoon door, sancties of geen sancties. De strenge woorden waarmee president Xi Jinping het onverantwoordelijke gedrag van Noord-Korea veroordeelde zonder dat land bij naam te noemen, blijken ook te kunnen slaan op de VS. En Deng Yuwen, de schrijver van het kritische artikel, werd ontslagen als hoofdredacteur. Alles rond Noord-Korea lijkt de laatste dagen zijn normale loop te hernemen: China is opnieuw in de greep van zijn ondankbare vazal, die na al het apocalyptische gedreig met bommen en granaten nu weer praat over het hervatten van onderhandelingen, waarvan iedereen weet dat die tot niets zullen leiden zolang Noord-Korea zijn zin niet krijgt: erkenning van het regime door de VS en een waterdichte garantie dat het niet door de Amerikanen wordt aangevallen.

Tot nader order vindt China dus nog altijd een nucleair Noord-Korea minder gevaarlijk dan een ingestort Noord-Korea. De Koreaanse hereniging die na zo’n implosie zou plaatsvinden blijft voor China een angstvisioen. Het opruimen van de gedemilitariseerde zone roept in Peking herinneringen op aan de val van de Berlijnse Muur en de daaropvolgende instorting van de Sovjet-Unie. En de Volksrepubliek zou de buffer kwijt zijn die haar nu nog gescheiden houdt van het Amerikaanse leger: 28.500 soldaten in Zuid-Korea en 30.000 mariniers in Okinawa in Japan.

Zuid-Korea wil eigenlijk ook niet horen van hereniging, vanwege de ontstellende kosten die eraan vast zouden zitten.

Een andere Chinese angst wordt door menigeen gedeeld: dat het Noord-Koreaanse nucleaire materiaal over de wereld gaat zwerven of wellicht terechtkomt bij een of andere terreurgroep. En dan is er nog een argument voor de Chinese leiders om Kim Jong-un de hand boven het hoofd te houden. Als Noord-Korea implodeert zullen honderdduizenden vluchtelingen China binnenstromen. Op een verstoring van het wankele etnische evenwicht zit China niet te wachten. Het heeft nu al genoeg problemen met zijn Koreaanse minderheid en met de Noord-Koreaanse vluchtelingen, die door China moeten om via Mongolië of een land in Zuidoost-Azië Zuid-Korea te bereiken. China erkent geen politieke vluchtelingen uit Noord-Korea. Als ze gepakt worden, worden ze teruggestuurd. Thuis wacht straf: marteling, een cel, de kogel.

Terug naar Israël. Geen enkel ander land heeft zo’n grote invloed op de Amerikaanse politiek. Dat is alleen maar mogelijk omdat de Israëlische leiders weten dat de VS hun land niet in de steek zullen laten. Hun bemoeienissen komen niet zelden neer op inmenging in de Amerikaanse binnenlandse politiek. Tegen Barack Obama is een venijnige campagne gevoerd. Met zijn pogingen om de bouw van Israëlische nederzettingen in de bezette gebieden stop te zetten zou hij Israël hebben verraden. Ook zou hij veel te slap zijn tegen Iran, waar volgens premier Netanyahu de nucleaire installaties moeten worden weggebombardeerd voordat daar een kernbom kan worden vervaardigd, terwijl Obama eerst alle diplomatieke middelen wil uitputten.

Of neem de haatcampagne tegen oud-senator Chuck Hagel, waardoor de ratificatie van zijn benoeming tot Amerika’s minister van Defensie weken op zich heeft laten wachten. Rechtse activisten in Israël en de Verenigde Staten hebben de allesbehalve linkse Hagel uitgemaakt voor een verklaarde vijand van Israël omdat hij een paar jaar geleden had gezegd: ‘De joodse lobby intimideert het Congres en heeft een paar stomme dingen gedaan.’ De joodse lobby! Dat had natuurlijk de politiek correcte ‘pro-Israëlische voorspraakgroep’ moeten zijn. En ‘stomme dingen’ kon Hagel niet noemen. Waarna beschuldigingen tegen hem werden ingebracht die even vreselijk als onzinnig waren. Dat hij geld had aangenomen van Noord-Korea en Iran. Dat hij zich had aangesloten bij de ‘vrienden van Hamas’. Dat hij gewoon een jodenhater was. De felste conservatieven in de Israëlische politiek wonen niet in Israël maar in de Verenigde Staten. Ze zijn vooral te vinden in de aipac (American Israel Public Affairs Committee). Op de jaarvergadering in maart waren dertienduizend activisten aanwezig, plus veel leden van het Congres, ministers en vice-president Joe Biden.

Net als Noord-Korea weet ook Israël van zijn patroon geschenken af te troggelen in ruil voor concessies – die worden ingetrokken als het cadeau binnen is. Zo kreeg premier Netanyahu Amerikaanse gevechtsvliegtuigen cadeau in ruil voor een bevriezing van de bouw van nederzettingen. Na leverantie van de vliegtuigen werd de bouw hervat. Maar net als in China groeit in Amerika de irritatie over het ondankbare gedrag van de cliënt. Er zijn zelfs al pleidooien gehoord om het Midden-Oosten het Midden-Oosten te laten, vooral nu Amerika dankzij zijn eigen schalie-olie en schaliegas de regio steeds minder nodig heeft. Misschien is met het vredespleidooi dat Obama in maart in Jeruzalem hield de laatste Amerikaanse poging begonnen om vrede te stichten tussen Israëliërs en Palestijnen. Als het ook deze keer niet lukt, laat dan die ondankbare Israëliërs maar aan hun lot over. De Amerikaanse leiders hebben belangrijker dingen aan hun hoofd. Zoals Noord-Korea en China onder controle houden.