Henry Kissinger, portret van een onzekere, ijdele bankzitter

De kleine gigant aan de zijlijn

Henry Kissinger schreef een nieuw boek dat niemand zal lezen. Hij probeert al ruim dertig jaar vergeefs om relevant en invloedrijk te zijn.

DEZE WEEK komt er een nieuw boek uit van Henry Kissinger en in alles belooft het een gebeurtenis te worden van dezelfde omvang en impact als de vorige drie maal in de afgelopen tien jaar: een ontluisterend non-event en een snelle exit via de ramsj. Eind jaren zeventig, toen de oud-minister nog een voorschot van vijf miljoen dollar kreeg voor zijn memoires, was dit onvoorstelbaar geweest. Kissinger werd destijds door vriend en vijand tot de meest invloedrijke mensen ter wereld gerekend en hij was volgens opiniepeilingen de meest bewonderde man van de Verenigde Staten. Kissinger was 53 toen hij afzwaaide en niemand, hijzelf wel het minst, kon zich toen voorstellen dat hij de rest van zijn leven aan de zijlijn zou blijven staan.
Kissinger was van heel ver gekomen: als de kleine, joodse Heinz vluchtte hij in de jaren dertig met zijn familie uit Zuid-Duitsland. Eind jaren zeventig gold hij niet alleen als de meester van de internationale politiek, hij was ook een regelrechte celebrity. ‘Het was alsof je met Mohammed Ali was’, vertelde iemand aan Kissingers biograaf Isaacson, over een wandeling met Kissinger door New York. 'Mensen in taxi’s draaiden de raampjes omlaag om hallo te roepen, anderen leunden uit de ramen van kantoren en wezen hem na.’ Ruim drie decennia sinds zijn exit uit het Witte Huis is Kissinger alleen nog de celebrity, een bekende ex-staatsman die soms om zijn mening wordt gevraagd. Hoewel er in de dertig jaar na zijn ministerschap twintig jaar een partijgenoot van Kissinger in het Witte Huis zetelde, zou hij nooit meer een ambt van enig gewicht bekleden.
Kissingers boeken nemen in die dertig jaar een centrale plaats in. Ze zijn te lezen als pogingen van de eeuwig onzekere Kissinger om zich te verdedigen tegen zijn critici, als pogingen om zijn plaats in de wereldgeschiedenis veilig te stellen, en als pogingen om duidelijk te maken dat Kissinger kennis in huis heeft die van onmisbaar belang is voor de Verenigde Staten. On China, het boek dat deze week verschijnt, past naadloos in dit procédé: Kissinger bevestigt daarin hoe ontzettend belangrijk hij in de Amerikaans-Chinese betrekkingen is geweest, verdedigt zijn historische rol én werpt zich op als cruciale adviseur voor elke Amerikaanse regering. Maar Kissingers kansen om ooit nog iets van doen te hebben met de grote bewegingen van de geschiedenis zijn gekrompen en even klein geworden als zijn eens omvangrijke aura.
Kissingers aanzien in de jaren zeventig is niet te begrijpen zonder kennis van de situatie waar de Verenigde Staten zich destijds in bevonden. De eindeloze krachtmeting met de Sovjet-Unie had het land gedemoraliseerd en de onwinbare oorlog in Vietnam had de Amerikanen tot op het bot verdeeld. Buitenlandse politiek was Amerikanen altijd uitgelegd als een simpele zaak van goed en kwaad en als de VS zich aan de kant van het goede schaarden, hoorde dat ook snel te winnen. Kissinger brak opzichtig met die traditie. Hij was vier jaar nationaal veiligheidsadviseur van president Nixon en vier jaar minister van Buitenlandse Zaken onder Ford en hij presenteerde zich in die jaren als de eerste Amerikaanse Realpolitiker: een man die onbevangen nadacht over Amerika’s nationale belangen en die door superieure diplomatie de wereld naar zijn hand zette. Hij claimde grote successen, zoals de beëindiging van de Vietnamoorlog, het losweken van China uit het kamp van Moskou en de détente, de ontspanning met de Sovjet-Unie. Zo kwam Kissinger bekend te staan als een magiër van de internationale arena, een geniale poppenspeler in de ondoorzichtige wereld van macht en belangen.
Na een decennium van tegenslagen in de Koude Oorlog was dit precies het succesverhaal dat de VS konden gebruiken, inclusief eenzame held in de gevaarlijke wereld. 'Amerikanen houden van de cowboy die in z'n eentje op zijn paard de karavaan aanvoert, de cowboy die helemaal in z'n eentje de stad binnenrijdt’, verklaarde Kissinger zelf zijn status, in een gewraakt interview met Oriana Fallaci. Hij vulde die mythe aan met een unieke verschijning (klein, dik en professoraal, met een ravijndiepe stem en een obscuur accent) en met een intrigerend, tegenstrijdig karakter: volgens verschillende biografieën was hij tegelijk arrogant en kwetsbaar, geneigd tot somberheid én vol humor, lichtgeraakt en samenzweerderig, reflectief en zeer sociaal. Het maakte het hem tot een ster in een land dat eenlingen tot onwaarschijnlijke hoogten kan optillen. En zijn sterrendom stopte niet bij de landsgrenzen: zo mengde de president van Bolivia zich eens incognito onder de wachtende burgers om Kissingers aankomst op het vliegveld van La Paz te kunnen zien, omdat het ontvangstprotocol tot zijn teleurstelling voorschreef dat de president daar niet bij zou zijn.
Kissinger koppelde deze faam aan een ego dat zo groot was dat het hem zelf verbaasde en amuseerde. Hij maakte er graag half serieuze grapjes over, zoals toen een audiëntie bij de paus werd uitgesteld omdat twee mannen heilig werden verklaard: 'Wie is de ander?’ vroeg hij. Zoals veel mensen die zich van heel laag opwerken tot heel hoog had hij moeite het juiste perspectief te houden op zichzelf. Het was ook geen geringe carrière geweest die Henry had doorlopen nadat hij in de VS zijn nieuwe voornaam aangenomen had. Tijdens de Tweede Wereldoorlog diende Kissinger als inlichtingenofficier in Duitsland, daarna studeerde hij summa cum laude af aan Harvard, promoveerde daar en werd hoogleraar internationale betrekkingen. Hij begon allerlei adviesfuncties te bekleden en werd door de Republikeinse presidentskandidaat Richard Nixon ingelijfd nadat Kissinger hem geheime inside-informatie had verstrekt over vredesonderhandelingen met Vietnam - een voorproefje van de onethische wijze van politiek bedrijven waarmee de twee later berucht zouden worden.
Als nationaal veiligheidsadviseur en minister maakte Kissinger buitenlands beleid 'met het air van een eregast op een cocktailfeest’, in de woorden van zijn biograaf Walter Isaacson. Kissinger vond het logisch dat alle lijnen via hem liepen. Dat hij daarmee andere ego’s krenkte, deerde hem allerminst. Later zou hem dit zwaar opbreken. Maar toen hij afzwaaide als minister maakte Kissinger zich geen enkele zorgen om gekwetste mindere mannen. Hij was larger than life en dat wist hij ook. Om een punt te maken, liet hij bij Harvard doorschemeren dat ze hem best mochten vragen om terug te keren als hoogleraar. Toen dat aanbod kwam, wimpelde Kissinger het af: 'Ik ben een figuur op wereldniveau. Ik kan niet zomaar het leven leiden van een gewone professor.’
Kissinger doelde daarmee niet alleen op de importantie van zijn persoon - te belangrijk om werkstukken na te kijken - maar ook op de levensstijl waar hij tijdens zijn jaren in het Witte Huis verslaafd aan was geraakt: met een team beveiligers de wereld over vliegen in privé-vliegtuigen, met de groten der aarde de loop der geschiedenis sturen en zich bij terugkomst wentelen in de gala’s en diners van de mondiale jetset. Hij had, in zijn eigen woorden, 'weerzin om terug te keren naar de dimensies van een gewone sterveling’. De dimensies die Kissinger bij zichzelf vond passen, kon hij echter niet betalen van een hoogleraarsalaris - net zo min als de drie juristen die hij permanent in dienst had om alle rechtszaken af te handelen vanwege zijn afluisterpraktijken in het Witte Huis.
En dus draaide Kissinger drie geldkranen zo ver mogelijk open: de eerder genoemde memoires leverden hem miljoenen op; hij verhuurde zich als commentator aan verschillende media, tegen tonnen per jaar; en hij richtte de consultancy-firma Kissinger Associates op. Als consultant deed Kissinger lobby- en advieswerk, en praatte hij de directies van grote bedrijven bij over de stand van de wereld, à raison van een ton per dag. Kissingers inkomen groeide tot zo'n acht miljoen dollar per jaar. Hij kocht er een appartement van in New York en een buiten met een paar hectare grond. In dezelfde tijd peilde een society-blad hem als 'de grootste ster’ van het cocktailcircuit van Washington en New York, waar hij verscheen met zijn knappe tweede vrouw. Kissingers nieuwe leven leek perfect.

DAT WAS HET natuurlijk niet. Uit de verschillende Kissinger-biografieën blijkt hoezeer deze reus van de twintigste eeuw hunkerde naar twee zaken die hij niet kon krijgen. Ten eerste wilde hij begrip, erkenning en respect van iedereen, juist van zijn vele critici en vijanden. Kissinger was gevoelig voor de kleinste vermeende krenkingen - dat hij eens de publieke lift moest gebruiken in het ministerie van Buitenlandse Zaken, bijvoorbeeld. Tekenaar Garry Trudeau, die Kissinger jarenlang in zijn cartoon Doonesbury had bespot, mocht zich verheugen met een pleitbrief geschreven vanuit het perspectief van Kissingers hond Tyler.
De grotere krenkingen maakten Kissinger vaak wild van woede, zoals het boek Sideshow uit 1979, waarin de Britse onderzoeksjournalist William Shawcross Kissinger de schuld gaf van de oorlog en genocide in Cambodja. Of The Price of Power uit 1982, waarin Seymour Hersh, de sterverslaggever van The New York Times, Kissinger neerzette als de ultieme cynische manipulator, die zich van oorlogen, coups en intriges bediende om zijn macht uit te bouwen. Kissinger wond zich enorm op over dit 'pack of slimy lies’ en wakkerde daarmee zelf een vuurtje aan dat maanden doorsmeulde. Kissinger was al even gekrenkt toen Richard Nixon in de beroemde interviews met David Frost het krediet opeiste voor de buitenlandse successen tijdens zijn presidentschap en de spot dreef met sommige van Kissingers karaktertrekken. Deze dunne huid hinderde Kissingers terugkeer in de politiek: hij overwoog namelijk een paar maal om zich verkiesbaar te stellen voor de Senaat, maar mogelijke geldschieters maakten zich zorgen dat Kissinger makkelijk uit zijn tent te lokken zou zijn tijdens de verkiezingsrace.
Het tweede waar Kissinger naar hunkerde, was invloed en macht - de 'ultieme afrodisiac’, zoals hij eens half spottend had gezegd. Kissinger had vele bittere vijanden gemaakt in progressieve hoek, maar opvallend genoeg werd zijn terugkeer naar de macht juist afgesneden vanuit zijn eigen Republikeinse Partij. Kissinger lag namelijk bijzonder slecht bij de kruisvaarders die daar de macht zouden grijpen: oerconservatieve, fanatiek christelijke hardliners, die in de Europees pratende, joodse, kosmopolitische en samenzwerende Oostkust-professor de belichaming zagen voor alles wat er mis was met Amerika. In hun visie had Kissinger de VS op de knieën gebracht voor de Sovjet-Unie. Jarenlang was Kissinger hun favoriete mikpunt geweest vanwege zijn gebrek aan 'morele helderheid’. In 1980 grepen zij de macht in de persoon van Ronald Reagan. Kissinger stond buitenspel.
Niet dat hij zich daarbij neerlegde: Kissinger probeerde uit alle macht om zijn netwerk binnen de Republikeinse Partij te mobiliseren. Op het cruciale moment had hij echter zijn eigen karakter niet in de hand. Tot ontsteltenis van zijn vrienden begon Kissinger te roddelen over Reagans gematigde minister van Buitenlandse Zaken, George Shultz. Reagans regering was weer verenigd tegen Kissinger en acht jaar gingen voorbij met de kleine gigant aan de zijlijn.
Nu Kissinger geen echte staatsman meer was, begon hij veel energie te steken in het nabootsen daarvan. Hij moest ook wel, want de exorbitante gages die hij als consultant opstreek bestonden bij de gratie van zijn imago als wereldwijd opererende insider in de wandelgangen van de macht. Kissinger realiseerde zich dat al te goed. 'Ik heb nog tien jaar kapitaal over van mijn reputatie’, zei hij in 1978. 'Elk jaar zal het minder worden. Ik zal vergeten worden als ik het niet ververs.’
Toen Reagans presidentschap afliep, in 1989, was dat kritieke moment gekomen. De kaarten lagen gunstig: twee Republikeinse presidentskandidaten wilden Kissinger wel als minister hebben, de derde lag politiek gezien heel dicht bij hem. Helaas was die derde een van de mensen die Kissinger zo achteloos had geschoffeerd toen hij boven aan de voedselketen stond. George Bush was links- en rechtsom door Kissinger gepasseerd toen Bush ambassadeur was in China en bij de Verenigde Naties. Kissinger had hem eens als 'lichtgewicht’ weggezet - het type roddel dat in Washington altijd uitkomt. Toen Bush de verkiezingen won, passeerde hij de hunkerende professor maar plukte wel twee topmensen weg bij Kissinger Associates. Voor het eerst leek Kissinger een has-been.
Desperaat op zoek naar medestanders begaf Kissinger zich op een heilloze weg. Nu zijn ingang via de gematigde tak van de Republikeinse Partij was afgesneden door Bush probeerde Kissinger zich in te likken bij de radicale vleugel. Hij sloot een gênant verbond met Bush’s vice-president Dan Quale, de Sarah Palin van een generatie geleden: knap, extreem religieus en een ongelooflijk leeghoofd. Het leverde Kissinger allerlei pijnlijke situaties op, bijvoorbeeld toen hij Quale uitnodigde voor een Bilderberg-conferentie en de vrome idioot daar met een bliksembezoek wilde neerstrijken als een popster. Daarnaast stortte Kissinger zich met nog meer vuur in het cocktailcircuit, met mediamagnaten, playboys en modeontwerpers als tafelgenoten in plaats van Washington- en Wall Street-insiders. Hij begon lange, jaarlijkse vakanties te nemen in hun wanstaltige paleizen in plaatsen als Acapulco en Santo Domingo. 'Kissingers wereld was nu meer gevuld met show dan met substantie’, concludeerde zijn biograaf Walter Isaacson meedogenloos.
Kissinger bleek niet alleen de verkeerde vijanden te hebben gemaakt. In de jaren negentig liet ook de geschiedenis hem in de steek: de wereld leek namelijk steeds minder geschikt voor Kissingers visie op buitenlandse politiek. Een voorval uit 1989 illustreerde dat. Terwijl het Oostblok afbrokkelde, begon Kissinger een typisch kissingeriaans plan uit te venten voor een geheime deal met de Sovjet-Unie over Oost-Europa. Het lekte onmiddellijk uit naar de pers als een nieuwe poging om Oost-Europa aan de Russen te verkwanselen. Kissinger stond voor schut, zeker omdat het Oostblok vervolgens vanzelf ineenzeeg en de VS daar toen de handen vrij hadden.
De nieuwe wereldorde leek helemaal geen Kissinger nodig te hebben, geen sluwe manipulator die haarscherp alle vectoren van de machtsbalans bespeelde. De VS waren de enige supermacht in een globaliserende wereld. In plaats van cold warriors zoals Kissinger, geobsedeerd door veiligheid, was er behoefte aan flexibiliteit en netwerkdenken in een wereld waar economische groei, democratie en mensenrechten de mantra’s waren.
Diplomacy, Kissingers vuistdikke meesterwerk uit 1994, was zijn intellectuele antwoord op die opvatting. In deze zeer lezenswaardige geschiedenis van de negentiende en twintigste eeuw betoogde Kissinger subtiel dat idealisme belangrijk is maar ook heel gevaarlijk als het niet wordt gekoppeld aan een scherp oog voor de mogelijkheden (en vooral de begrenzingen) van macht. Oftewel: als mannen zoals hijzelf het Amerikaanse messianisme niet in goede banen leidden. Zoals gezegd sloot dit niet erg aan op de tijdgeest van de jaren negentig. En bovendien zat er acht jaar een Democraat in het Witte Huis, Bill Clinton.
Opnieuw zat Kissinger op de reservebank. Tijd genoeg om het laatste deel van zijn bijna vierduizend pagina’s tellende memoires te tikken, een boek waar maar weinig mensen op wachtten. Veel meer aandacht trok The Trial of Henry Kissinger, waarin de Britse journalist Christopher Hitchens in 2001 betoogde dat Kissinger aangeklaagd moest worden voor 'oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid, en samenzwering tot moord, ontvoering en marteling’. Kissinger was, uiteraard, woedend.

KISSINGERS LAATSTE KANS om zijn 'kapitaal aan te vullen’ ging voorbij toen uitgerekend Bush junior in 2001 het Witte Huis betrok - een man die, zoals bekend, zijn vaders vijanden met grote ijver overnam. Bush omringde zich enerzijds met isolationisten die de wereld het liefst lieten ophouden bij de grens van Texas en anderzijds met neocons die de hele wereld stormenderhand veilig wilden maken voor de vrijheid. Net als in 1994 schreef Kissinger daarop een boek als intellectueel antwoord. De timing had niet slechter kunnen zijn. Does America Need a Foreign Policy? kwam uit op 4 september 2001. Een week later was het boek al hopeloos achterhaald.
De kruistocht waar Bush jr. vervolgens aan begon, tartte alles waar Kissinger voor stond. Bush’s tweede inaugurale rede, met zijn apocalyptische retoriek over het veranderen van de hele wereld - onmiddellijk, tegen elke prijs en zonodig alleen - leek wel een blauwdruk van alle kardinale fouten in Kissingers handboek. Maar paradoxaal genoeg zorgde het ook voor een kleine comeback van Kissinger. Want de kruistocht liep natuurlijk vast.
Kissinger antwoordde zoals hij al drie decennia had gedaan: hij schreef een soort openbare sollicitatie waarmee hij zijn kwaliteiten wilde tonen aan de president. 'Victory over the insurgency is the only meaningful exit strategy’, heette het: een precies op Bush’s smaak geschreven opiniestuk. Eindelijk lukte het Kissinger daarmee in 2005 om weer een beetje mee te doen. De in het nauw gedreven Bush jr. begon Kissinger uit te nodigen voor advies, zo onthulde Bob Woodward in State of Denial, om zich te redden uit zijn Midden-Oosten-moeras.
Maar een opmaat tot een nieuwe rol van Kissinger als insider was het niet. De laatste maal dat hij van zich deed spreken was tekenend genoeg bij de zoveelste pijnlijke onthulling over de Nixon-jaren in het Witte Huis. Eind vorig jaar doken nieuwe 'Nixon-tapes’ op, waarop Kissinger woorden uitte die diep sneden bij de laatste groep mensen die hem op handen dragen: Amerikaanse joden die de verdediging van Israël boven alles stellen. 'Het helpen van joden uit de Sovjet-Unie is geen doelstelling van Amerikaans buitenlands beleid’, zei Kissinger op de audio-opname uit 1973. En toen: 'Als ze de joden in de gaskamers zetten in de Sovjet-Unie is dat geen Amerikaans belang. Misschien een humanitair belang.’ Zo werd Kissinger opnieuw wat hij altijd geprobeerd had níet te zijn: een man - een omstreden man - van het verleden.

Henry Kissinger, On China, The Penguin Press, 586 blz.