PORTRETTEN VAN ERASMUS

De kleine Hercules

Desiderius Erasmus was de belichaming van het contemplatieve leven, en van het geestelijk ideaal van de tranquillitas. Portretten tonen hem als de rust zelve, te midden van de stormen van het leven. En stormen woedden in zijn tijd alom.

KORT NA DE DOOD van Desiderius Erasmus werd in Rotterdam een klein beeldje van de schrijver geplaatst op de gevel van zijn geboortehuis, dat toen al een toeristische attractie was. Het definitieve eerbetoon, het bronzen beeld van Hendrick de Keyser, werd in 1622 onthuld. En dan te bedenken dat Erasmus graag de spot dreef met dat soort verering, die beelden van beroemde mannen op de pleinen van Europa. Die spot begint al met de karikatuurtjes van zichzelf, de kleine humanist met de grote neus, die hij in de kantlijn van zijn manuscripten zette. Toen hij hoorde dat mensen zijn portret aan de muur hadden hangen en het kusten, stelde hij daar de anekdote tegenover van een kanunnik uit Konstanz die Erasmus’ beeltenis op papier in zijn slaapkamer had gehangen, ‘enkel en alleen omdat hem dat het plezier gaf er op te spugen, elke keer als hij er langs liep’.
In de grote tentoonstelling in Museum Boijmans, die aan de Rotterdammer gewijd is, speelt het portret van Erasmus een belangrijke rol. De samenstellers hebben hun verhaal thematisch geordend, niet biografisch, en ze hebben originele keuzes gemaakt uit werk van tijdgenoten – Parmigianino, Lucas van Leyden, Maarten van Heemskerck, Lucas Cranach. Daardoor is Erasmus in beeld een heel sterke, interessante tentoonstelling geworden, zeker als je in aanmerking neemt dat Erasmus nu eenmaal een schrijver was, en met boeken, brieven en prenten is het niet makkelijk een aansprekend visueel vertoog te maken.
Maar natuurlijk maakt de tentoonstelling dankbaar gebruik van de portretten. Ze zijn allemaal van de hand van de grootste kunstenaars van zijn tijd: Hans Holbein, Albrecht Dürer, Quentin Massys, Hans Baldung Grien. De portretten werden in prent (waarvan die van Dürer de fraaiste is) in enorme aantallen verspreid. Erasmus reisde rond, en maakte vrienden van Venetië tot Londen, en van Neurenberg tot Parijs. Hij was een celebrity. Daar hoorden portretten bij. Als schrijver had Erasmus misschien niet per se een hoge pet op van de schilderkunst – hij haalde graag het cliché aan ‘dat men hem beter leerde kennen in zijn geschriften’ – maar het uitwisselen van beeltenissen was een belangrijk element in het sociaal verkeer, en naarmate Erasmus’ roem groeide, steeg de vraag naar zijn afbeelding, alleen al als leal souvenir voor zijn vrienden en bewonderaars. Eén van de portretten die Holbein van hem maakte was een cadeau voor koning Frans I; een andere Holbein ging naar William Warham, aartsbisschop van Canterbury, een van Erasmus’ belangrijkste beschermheren.
Ondanks de grote variatie in kunstenaars lijkt er geen ander beeld van Erasmus te bestaan dan dat van een magere vijftiger met donkere mantel, bontkraag, kap en boek, staande aan een schrijftafel in de rust van een studeervertrek. Die gelijkvormigheid wordt tegenwoordig ‘iconisch’ genoemd, een slap anglicisme, waarmee bedoeld wordt: ‘ontdaan van particuliere trekken’, ‘gestandaardiseerd’, een type, zoals de gelaatstrekken van Christus in tweeduizend jaar orthodoxe iconenschilderkunst tot een sjabloon zijn afgesleten. Het woord is hier echter toch relevant. Je zou kunnen zeggen dat Erasmus een van de uitvinders is van het ‘iconische’ portret van ‘de geleerde’, maar dan vooral in de zin van een schilderij waarvan de afbeelding van de fysieke werkelijkheid deel is van een samenspel van allerlei andere boodschappen.
Het schilderen van portretten van ‘gewone mensen’ kwam in de vroege zestiende eeuw goed op gang. Moderne schilders als Massys en Dürer zochten naar ‘iets’ in een gezicht dat een uitdrukking was van iets anders, een stemming, een humeur, een gedachte, als ‘een venster op de ziel’, zoals Leonardo da Vinci het had genoemd. In 1517 liet Erasmus door de Antwerpse meester Quentin Massys een dubbelportret maken van zichzelf en Pieter Gillis, stadssecretaris van Antwerpen, bedoeld als geschenk voor hun wederzijdse vriend Thomas More. In Boijmans zijn de twee delen herenigd. De innige band tussen de twee zichtbare en de derde, onzichtbare vriend wordt op allerlei manieren uitgebeeld. Op de plank ligt het boek van Lucianus, dat More en Erasmus samen vertaalden. Gillis heeft in zijn hand een brief van More en Massys heeft More’s handschrift zo precies geïmiteerd dat de Brit er versteld van stond.
Voor Erasmus was in eerste instantie de gelijkenis, zijn ‘vultus’, van belang. Hij meldt More dat de voltooiing van het tweeluik vertraagd werd, omdat eerst Gillis en toen hijzelf ziek werd, en hij er, naar het oordeel van de schilder, niet meer hetzelfde uitzag. Hetzelfde gebeurde met Albrecht Dürer. Die had Erasmus twee keer naar het leven getekend, in 1520, maar toen zijn grote prent in 1526 uitkwam mopperde Erasmus over de gebrekkige gelijkenis. Dat was natuurlijk niet Dürers schuld: Erasmus zelf was veranderd, door een niersteenaanval in 1525 (‘mijn arme oude lijf wordt iedere dag dunner en uitgedroogder’). Hij eerde Dürers kunstenaarschap in een lofrede in 1528, waarin de schilder wordt geprezen als een kunstenaar die zelfs bijna de stem weet uit te beelden, een cliché, zeker, maar toch hoge lof van iemand die zelf de voorkeur gaf aan welsprekendheid boven schilderkunst.
Maar de gelijkenis was niet de hoofdzaak. Voor More en Erasmus had dat hele idee een humoristische kant, iets wat ze mogelijk baseerden op de Dialogen van Lucianus, die ze in 1506 samen hadden uitgegeven: het niet-samenvallen van ‘vorm’ en ‘vent’, van beeld en reputatie. In Erasmus’ geval: de tegenstelling tussen zijn enorme literaire werk en zijn tengere, zwakke gestel. Johannes Kesser beschreef hem in 1525 als ‘ain tubgrawer [duifgrijze], ersamer, alter und ain klainer und zarter mensch’. Bepaald niet de Hercules van de geest, dus, die men in zijn geschriften kon herkennen.
Een tweede betekenis van zijn portretten lag in de doelbewuste associatie met de kerkvader Hiëronymus, van wie Erasmus de Opera omnia in negen delen vertaald en bezorgd had, en van wie hij de biografie had geschreven. In de vroege zestiende eeuw gold Hiëronymus zeker in de Duitstalige wereld als de belangrijkste ‘oude’ theoloog en als de schutspatroon van de moderne humanisten, die net als hij in hun ‘nestje’, hun studeerkamer (of kloostercel) noest ploeterden om de oude waarheden aan het licht te brengen. Zoals Erasmus zei: ‘Vóór alles moeten wij Hiëronymus lezen.’ Onverstoorbaar werkend aan zijn lessenaar is Erasmus een moderne Hiëronymus, de belichaming van het contemplatieve leven, maar misschien meer nog van een specifiek geestelijk ideaal: tranquillitas. Hij is ‘de rust zelve’, te midden van de affectus, de passies die de ziel in beweging brengen en die zo sterk tegengesteld zijn aan de ratio. Erasmus’ onverstoorbare gezicht, met de rustig op elkaar geklemde lippen, was de doelbewuste uitdrukking in beeld van dat ideaal, een bolwerk tegen de stormen van het leven. En stormen woedden alom. Er werd continu pressie op hem uitgeoefend om zich uit te spreken over de controverse rond Luther. Dürer, bijvoorbeeld, was in Antwerpen toen het bericht kwam dat Luther was gearresteerd, en hij onderbrak zijn (saaie) reisdagboek voor een lange jammerklacht waarbij hij zich direct tot Erasmus richtte: ‘O Erasmus van Rotterdam, waar wil je staan? Luister, ridder van Christus, rijd vooraan naast Christus de Heer, bescherm de waarheid en reik naar de kroon der martelaren!’
Drie jaar later mengde Erasmus zich in de storm, met De liberum arbitrium, een kritiek op de basis van Luthers theologische filosofie. In hetzelfde jaar stuurde hij zijn portret door Holbein aan William Warham. Dat stuk ontbreekt in Boijmans, helaas, want het is misschien wel het meest filosofische portret van allemaal, de drager van veel meer boodschappen dan de eerste blik doet vermoeden. Het Portret van Erasmus met de renaissance-pilaster wordt wel het eerste ‘emblematische’ portret genoemd. Die term ‘emblematisch’ hing in 1523 in de lucht. Een Italiaanse auteur, Andrea Alciati, werkte aan een boek waarin klassieke epigrammen en spreekwoorden werden gecombineerd met een plaatje en een geleerde verklaring. Het boek kwam uit in 1531, in Augsburg, maar Erasmus en Alciati kenden elkaar al langer, en in hun correspondentie was het idee al eens ter sprake gekomen. Erasmus’ Adagia (Spreekwoorden) uit 1508 waren bovendien voor Alciati een belangrijke bron.
In het portret rusten Erasmus’ handen op een rijk gebonden boek, waarop, in het Grieks, ‘De Werken van Hercules’ geschreven staat. De verwijzing lijkt duidelijk: Erasmus rust uit van zijn Herculische werken, en zij die Grieks lezen, zijn geestverwanten, begrijpen dat. Maar er is meer. Die geestverwanten – en zeker Warham – hadden natuurlijk Erasmus’ Adagia gelezen, en daarin worden de Herculei Labores besproken in een essay over de strijd van Hercules tegen de veelkoppige Hydra. ‘Herculeische werken’, schrijft Erasmus, ‘zijn die werken waarbij de auteur praktisch geen voordeel haalt, behalve een beetje roem en een maximum aan afgunst.’ In de begeleidende brief aan Warham gaat Erasmus op die afgunst in. De brief is een mengeling van oprechte zorg en zelfspot. Erasmus lacht om zijn eigen hypochondrie, zijn kwaaltjes en zijn ouderdom, maar maakt ook melding van zijn onmogelijke positie te midden van aanvallen van lutherse ‘beulsknechten’ enerzijds en leden van de roomse kerk anderzijds. De afbeelding van Erasmus staat dus niet op zich. Beeld (ikon), motto en tekst worden dus gecombineerd tot één essay over de magere beloning van de intellectueel: een storm van afgunst, onterechte kritiek, allemaal bedreigingen van de tranquillitas. De combinatie van spreekwoord, beeld en begeleidende tekst werd na Alciati in Europa zeer populair en zou door meer volkse uitvoeringen – Jacob Cats’ Sinne- en minnebeelden, of Hoofts Emblemata amatoria – de literatuur en de beeldende kunst geweldig beïnvloeden. Het is een verleidelijk idee dat Erasmus zichzelf als zo’n embleem heeft laten zien, een kleine, ‘duifgrijze’ Hercules, een geestig voorbeeld van de onverenigbaarheid van lichaam en geest, van beeltenis en betekenis.

Erasmus in beeld. Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam, t/m 8 februari. www.boijmans.nl