Is volksgezondheid belangrijker dan handelsbelangen?

De kleine lettertjes van Cancún

«Een historisch akkoord», jubelde de Wereldhandelsorganisatie (WTO) in Genève. «Dit bewijst dat de organisatie naast handelsbelangen evengoed humanitaire belangen dient.» Het akkoord dat betaalbare medicijnen voor arme landen moet garan deren, wordt komende week op de WTO-top in Cancùn een hamerstuk. Terwijl de WTO zichzelf schouderklopjes uitdeelt, vragen arme landen zich af hoe de praktijk eruit gaat zien. Ze mogen goedkoop medicijnen kopen. Maar van wie?

In ontwikkelingslanden groeit nog steeds de vraag naar medicijnen: aids, malaria en tbc alleen al veroorzaken meer dan vijf miljoen doden per jaar. Onderzoek en ontwikkeling van medicijnen, meestal door Amerikaanse en Europese bedrijven, is peperduur. De farmaceutische industrie van onder meer India kopieert daarom de innovaties van het Westen, om zelf een «generieke» merkloze versie voor een fractie van de prijs op de markt te brengen. Maar volgens het TRIPS-verdrag (Trade-Related aspects of Intellec tual Property rights) moeten vanaf 2005 alle 146 WTO-landen elkaars patenten respecteren. Ook India moet dus gaan betalen voor het gebruik van patenten of merkmedicijnen importeren. Dat de hoge prijs van merk medicijnen de strijd tegen ontembare virussen en epidemieën niet vergemakkelijkt, staat buiten kijf. In 2001 werd daarom in Doha aan het TRIPS-verdrag een verklaring toegevoegd die arme landen extra ruimte biedt. De kern daarvan is dat «het TRIPS- verdrag WTO-landen niet belet, en niet mag beletten maatregelen te nemen om de volksgezondheid te beschermen». Concreet betekent het onder meer dat een land in een «noodsituatie» een «dwanglicentie» kan uitgeven. De lokale farmaceutische industrie kan daarmee een medicijn tegen een zelf te bepalen prijs produceren.

Sindsdien hebben de Verenigde Staten op hun onderhandelingsstoel heen en weer geschoven. De VS hebben een belangrijk aandeel in de ontwikkeling van nieuwe medicijnen. Als landen die nu nog keurig Amerikaanse patenten respecteren straks met een beroep op de Doha-verklaring overal generieke medicijnen kunnen kopen, zouden patenthouders te weinig verdienen om farmaceutisch onderzoek commercieel interessant te houden. De VS houden de verklaring daarom in beraad, totdat er overeenstemming is over het verhandelen van deze medicijnen.

Dat is niet onverstandig, want dat de meningen verschillen over wat een «nood situatie» is, bleek twee jaar geleden al. Zuid-Afrika nam toen een wet aan die generieke medicijnen door parallelle import en eigen productie beter toegankelijk moest maken. Ruim tien procent van de bevolking daar is hiv-besmet. Dat weerhield grote patent houders er niet van de regering te bestoken met tientallen claims. Slechts na lange juridische strijd en onder grote druk van patiënten, actiegroepen en non-gouvernementele organisaties trokken de farmaceuten hun claim in. Om verdere misverstanden te voorkomen, wilden de VS de interpretatie van «Doha» tot in detail uitspellen, vóór het begin van de WTO-top in Cancún.

De Nederlandse delegatie heeft zichzelf voor Cancún een stevige opdracht gegeven: «Het is zonneklaar dat de enige gewenste en mogelijke oplossing is dat de VS zich alsnog in de consensus van de overige WTO-landen voegen.» Nederland mag zelf echter niet aan tafel zitten, dat doet de EU voor ons. Ook Eurocommissaris Pascal Lamy had hoog ingezet: «Het vraagstuk van de toegankelijkheid van medicijnen voor arme landen is een test geworden voor ons vermogen, het vermogen van het multilaterale systeem, om te voorzien in een aanwijsbare behoefte. We had better not fail this test.»

Over het besluit dat vorige week in Genève werd gepresenteerd, is inderdaad weinig misverstand mogelijk. Voor landen die zelf generieke medicijnen kunnen produceren, verandert er in eerste instantie niets. Maar wie wil im- of exporteren, krijgt met een moedeloos makende lijst voorwaarden te doen. Het aantal landen dat gebruik mag maken van de regeling is expliciet beperkt, er zijn eisen gesteld aan de verpakking, de hoeveelheid medicijnen, en de omstandigheden waaronder «Doha» mag worden gebruikt.

Volgens Ellen ’t Hoen, coördinator globalisering van Artsen zonder Grenzen, betekent dat uiteindelijk ook de nekslag voor producenten zelf, zoals India: «De nieuwe regeling is nodeloos complex, zodat er in de praktijk nauwelijks gebruik van zal worden gemaakt. Natuurlijk blijft het in theorie mogelijk, maar het is de vraag of die incidentele gevallen genoeg zijn om een levens vatbare industrie in stand te houden. Het horrorscenario is dat de productie van generieke medicijnen straks helemaal opdroogt, gewoon omdat er geen markt meer voor is.»

De EU hield zich in Genève afzijdig. Stichting Wemos, een lobbyorganisatie voor de volksgezondheid in ontwikkelingslanden, twijfelt dan ook aan de oprechtheid van de onderhandelaars: «De VS krijgen nu de zwarte piet toegespeeld, maar het ziet ernaar uit dat deze afspraak de EU ook niet slecht uitkomt.» In het slechtste geval wordt de hele wereld afhankelijk van monopolies van de farmaceutische industrie.

Een mogelijkheid om nog aan dat doembeeld te ontkomen, bestaat wel. Als arme landen al vóór 2005 ervaring opdoen met de nieuwe regeling winnen ze tijd en kan het akkoord nog op tijd worden geamendeerd. Maar de kans daarop is klein. Ellen ’t Hoen: «In Doha was er nog zo’n goede spirit. Iedereen was het erover eens: volksgezondheid ís belangrijk, belangrijker dan handelsbelangen. Die sfeer van Doha is nu helemaal weg.»