HANS FALLADA ALLEEN IN BERLIJN

De kleine man

Hans Fallada, Alleen in Berlijn, 29,90
Hans Fallada, Jeder stirbt für sich allein, 24,30

Zonder een mengeling van moed en lafheid had Hans Fallada Alleen in Berlijn nooit geschreven.

Berlijn 2011. In het midden van het hippe stadsdeel Prenzlauer Berg ligt de Jablonskistrasse. Drie crèches, een muziekschooltje en een winkel met kinderkleding zijn er in het korte straatje te vinden. Het laatste huizenblok dat nog de sporen vertoont van de verwaarlozing ten tijde van de DDR staat in de steigers. De gevels zijn lichtgrijs, oudroze, frisgeel en mintgroen gesaust, de kleuren van het nieuwe Berlijn. Om de hoek de enige boekwinkel die ik ken waar een ruimte is om je baby te verschonen, en een yogastudio ‘ook voor baby’s’. Prenzlauer Berg is de kraamkamer van Berlijn. Hier kruipt en huilt de beoogde intellectuele en culturele voorhoede van 2035.

'Een prachtige kinderspeelplaats, is het niet?’ zegt de politiecommissaris in de roman Alleen in Berlijn van Hans Fallada tegen de leider van de Hitler Jugend, als hij uitkijkt over de Jablonskistraat in 1942. In deze straat woonde zeventig jaar geleden niet de culturele voorhoede, maar de spreekwoordelijke kleine man. In kleine appartementjes aan binnenhoven leefden de werknemers 'met het inkomen van de arbeider en het streven van de burger’. Tussen 1920 en 1940 woonden meer dan vier miljoen mensen voornamelijk in eenkamerwoningen in de dichtstbevolkte stad van Europa. Het is die kleine man over wie Fallada zijn leven lang geschreven heeft.

Alleen in Berlijn verscheen in 1947 onder de titel Jeder stirbt für sich allein. Onlangs werd het boek 'herontdekt’, geprezen in The New York Times en nu in vele landen opnieuw uitgeven. In Nederland bestond een vertaling uit 1949, die nu bewerkt is en van een nawoord voorzien, en voorbeeldig uitgegeven door uitgeverij Cossee.

De roman vertelt het meeslepende verhaal van het echtpaar Quangel uit de Jablonskistraat, dat aan het begin van de Tweede Wereldoorlog hun enige kind verliest aan het front. Ze weten zich geen raad met hun verdriet, en worden van de ene op de andere dag politiek bewust. Hitler heeft hun zoon vermoord, Oskar, het lievelingetje van zijn moeder. Het is Hitler zelf die ze ten val willen laten komen.

De Quangels zijn gebaseerd op het echtpaar Hampel dat in 1942 een actie begon om de nazi’s te dwarsbomen. Door zelfgeschreven kaarten met antiregeringsteksten neer te leggen in trappenhuizen en andere semi-openbare plekken hoopten ze een stemming op te wekken waardoor het regime uiteindelijk zou vallen. In werkelijkheid regeerde al lang de angst: de kaarten werden bijna zonder uitzondering onmiddellijk naar de Gestapo gebracht. Het naïeve van de actie, waar de Gestapo het juist Spaans benauwd van kreeg, moet Fallada aangetrokken hebben. 'Is het niet een beetje weinig wat jij wilt doen, Otto?’ vraagt Frau Quangel aan haar man. Er is maar één mogelijkheid om te overleven, wil Fallada met dit boek beweren: een innerlijke, menselijke integriteit waarborgen.

Niet alleen de Quangels, maar ook andere van de meer kleurrijke personages in dit boek proberen dat. In het achterhuis aan de Jablonskistraat 55 woont ook de gepensioneerde rechter Frommel, die de joodse bovenbuurvrouw laat onderduiken om haar zo uit handen te houden van de hardhandige nazifamilie op de eerste verdieping. Al na een paar dagen eenzaam in de verduisterde kamer te hebben doorgebracht besluit mevrouw Rosenthal zich uit het raam te werpen; haar zelfgekozen 'Freitod’ is een van de hoogtepunten van het boek. Meer personen behouden zo hun zelfbeschikkingsrecht en hun waardigheid in deze roman, maar er is ook meegaandheid, verraad en verdorvenheid. De bewoner van de begane grond, Borkhausen, mishandelt zijn vrouw, een prostituee, en zijn zoon met pervers plezier, en wil iedereen wel verraden voor geld, dat hij nodig heeft voor zijn drankzucht en goklust. En ook sommige van de Gestapo-officieren scheppen een persoonlijk genoegen in mishandeling, foltering en moord. Zelfs in de gek geworden beroepsmoordenaar Kareltje met wie Otto Quangel in een cel wordt opgesloten, en die zich letterlijk als een hond gedraagt, 'dit stuk vee van een mens’, lijkt zich uiteindelijk meer menselijks te verbergen dan in de nazifamilie Persicke. Ook dat zijn 'kleine mensen’, maar toch kan de lezer met hen geen medelijden krijgen, omdat ze elkaar genadeloos bedriegen en in de steek laten. De partij trok veel criminelen en sjoemelaars aan, die zich een weg naar boven probeerden te werken.

Uiteindelijk lijkt er maar één mens te zijn die door de actie van de Quangels van mening verandert: de SS'er die jarenlang jacht op hen maakte. Hij krijgt alle kaarten in handen en raakt in gewetensnood. 'Ieder mens is één mens.’

Hoe laaghartig sommige van de personages ook zijn, het boek eindigt hoopvol. Borkhausens zoon, de mishandelende jongen die voor galg en rad opgroeit, komt bij toeval in de zorg van Eva Kluge, postbode in Prenzlauer Berg, die al vroeg in de oorlog ervoor kiest zich zo veel als hij kan van de wereld af te zonderen en in stille aandacht op het land te werken. Zij wekt de jongen opnieuw tot leven. Het paste uitstekend in de ideologie van het door de Russen bezette deel van Duitsland vlak na de oorlog, deze plattelandsidylle. Een escapistisch slot van de roman dus, om de hopeloze ellende van de laatste maanden van het echtpaar Quangel in de Gestapo-kelders te verzachten.

Het wekt verbazing dat de eerste antifascistische roman van na de oorlog, met een escapistisch slot, werd geschreven door een man die rechtlijnig noch principieel was. Sommigen zijn ervan overtuigd dat Fallada een echte antifascist was wiens werk door de nazi’s verboden werd, maar er zijn ook andere geluiden, die duiden op verregaande meeloperij.

Hans Fallada is in al zijn wisselvalligheid echt een zoon van zijn tijd. In de biografie More Lives than One van de Ierse Jenny Williams, die in Duitse vertaling is verschenen bij Aufbau Verlag, is het fascinerende en treurige verslag van zijn leven te volgen. Met Fallada kun je alle kanten op, lijkt het. Zo werd na zijn dood zowel in de DDR als in West-Duitsland zijn werk uitgegeven, verschenen verschillende biografieën en werden zijn romans verfilmd. In de DDR werd zijn werk verklaard vanuit de sociologisch-historische ontwikkelingen in Europa, en Fallada’s verslavingen en decadente neigingen vanuit de maatschappelijke en historische omstandigheden in het Interbellum. In West-Duitsland werd zijn leven en werk psychoanalytisch geduid; zijn neiging tot zelfvernietiging kwam door de autoritaire opvoeding en zijn werk is te verklaren vanuit een ongezonde moederbinding.

Fallada’s jeugdjaren waren inderdaad heftig. Rudolf Ditzen, zoals hij eigenlijk heette, woonde als jongetje in Berlijn, niet tussen de kleine mensen, maar in een zevenkamerwoning in Charlottenburg, in het latere 'westen’. Zijn vader was rechter, en hij kreeg een uiterst verantwoorde opvoeding die geheel in het teken stond van het Duitse Bildungsideaal. Maar het zou met hem heel anders aflopen dan zijn ouders hadden voorzien. Op zijn achttiende was hij helemaal in Oscar Wilde, en ging mee in een ongekende zelfmoordgolf onder Duitse jongeren, ook in zijn eigen klas. Met zijn beste vriend sprak hij af gezamenlijk uit het leven te stappen op een eervolle, dramatische wijze: een schijnduel om een meisje. Fallada doodde zijn vriend, raakte zelf zwaargewond, en verbleef daarna lange tijd in de gevangenis en psychiatrische klinieken. Zijn leven lang bleef hij verslaafd aan medicijnen, drugs en drank.

In Lesen unter Hitler: Autoren, Bestseller, Leser im Dritten Reich uit 2010 wordt een dagboekfragment uit 1938 van Joseph Goebbels geciteerd: 'Gelesen Fallada Wolf unter Wölfen, ein tolles, spannendes Buch. Aber der Junge kann was.’ Fallada ging ver: hij nam een schrijfopdracht voor een filmscenario aan van Goebbels. Hij had toen al kennisgemaakt met censuur. In herdrukken van Kleiner Mann - was nun?, waarmee hij een succesvol volksschrijver werd, had de Reichsschrifttumskammer passages aangepast aan de nazi-ideologie. Fallada probeerde het scenario te laten eindigen vóór de machtsovername in 1933, maar dat werd door Goebbels niet geaccepteerd. Hij moest een slot schrijven waarbij de hoofdfiguur intrad in de NSDAP. Goebbels was tevreden, maar de nazi-ideoloog Rosenberg niet. De film werd afgelast en het op basis van het scenario geschreven boek op de verboden lijst gezet. Toch lijkt het alsof Goebbels Fallada de hand boven het hoofd heeft gehouden; hij mocht blijven publiceren, zij het later in de oorlog voornamelijk in tijdschriften. In Lesen unter Hitler wordt uiteengezet hoe belangrijk literatuur was voor de nazi’s. Er werd veel uitgegeven in de oorlog, en de nazi-ideologen hadden boeken als propagandamiddel en statussymbool ontdekt. Boven aan de indrukwekkende bestsellerlijst staat Mein Kampf met 12,5 miljoen exemplaren, Rosenberg op 4 met 1,3 miljoen, Goebbels op 15 met 660.000. Het is een macaber lijstje. Plaats 44 is voor Fallada’s Kleiner Mann - was nun? Ook Rainer Maria Rilke werd veel gelezen, en Ernst Jünger; en verrassend genoeg Karl May, die net als Fallada regelmatig in gevangenissen en tuchthuizen verbleef wegens diefstallen en oplichting.

Eind jaren dertig sloot Fallada zich zo veel mogelijk van de wereld af. Hij trok zich met zijn vrouw en kinderen terug in een huis dat hij had laten bouwen op het platteland in Carwitz, en verloor zichzelf gedurende lange periodes in zijn alcoholverslaving en depressies. Maar natuurlijk drongen ook daar de nieuwe mores en wetten van de nationaal-socialisten door: kennissen van Fallada werden gedwongen te scheiden omdat de vrouw een halve jodin was, een jeugdvriend werd gedwongen gesteriliseerd, een van zijn boeken werd 'ongeschikt’ verklaard door het ministerie van Opvoeding. Een jaar twijfelde hij erover of hij alsnog zou emigreren, zoals alle beroemde schrijvers immers al gedaan hadden. Vertwijfeling lijkt ook de kern van Wolf onder de wolven: 'Verzweifelte Lage eines verzweifelten Volkes, verzweifelt handelt jeder einzelne Verzweifelnde.’ Fallada emigreerde niet, besloot hij in 1938 voorgoed. Zijn talenten moest hij prostitueren, zoals zijn biografe schrijft, en hij moest zijn uitgever Rowohlt, een persoonlijke vriend en beschermer, in de steek laten toen de uitgeverij werd verboden en de rechten aan een andere uitgeverij (DVA) werden toegewezen. Hij ging bewust 'Unterhaltungsliteratur’ schrijven - soms had hij maar een paar weken nodig voor een roman - maar geen fascistische lectuur. Ondertussen verzamelde Fallada, zonder het zelf te weten, gebeurtenissen en personages voor zijn grote roman Alleen in Berlijn.

In 1943 kwam hij onder de algemene arbeidsplicht uit door een opdracht van de partij te aanvaarden om ter plekke een boek te schrijven over het soldatenleven aan het Franse front. Hij schreef een brief waarin hij de oorlog rechtvaardigde. Na de bevrijding is die vaak aangehaald om Fallada als nazisympathisant te bestempelen. Biografe Jenny Williams doet de brief, wat al te gemakkelijk, af als 'slechts bestemd voor de censor’. Zo vergoelijkt ze ook zijn aanval, met pistool, op zijn vrouw, door zijn arrestatie te wijten aan een 'overijverige officier’. Na de bevrijding hekelt een voormalige medewerkster die zijn boeken uittypte in een open brief Fallada’s meeloperij, nu weer met de nieuwe machthebbers. De Russen hadden Fallada tot burgemeester van Carwitz benoemd. Niet voor lang. Met een nieuwe, zwaar verslaafde 24-jarige vrouw aan zijn zijde werd hij ziek en stierf in 1947 na maandenlange ziekenhuisopnames, nog voordat zijn grote boek, dat hij in de laatste maanden van 1946 had geschreven, uitkwam.

In de loop van zijn leven was de dappere en romantische jongeling veranderd in een naïeve en verslaafde weifelaar die koos voor materiële zekerheid. In de ogen van de Exil-auteurs was hij een lafaard. Thomas Mann verklaarde eens dat alle boeken die tussen 1933 en 1945 in Duitsland zijn gedrukt, 'minder dan waardeloos zijn, en niet ter hand genomen kunnen worden. De geur van bloed en schande hangt ze aan, en ze moeten allemaal tot pulp vermalen worden.’ Fallada zelf zegt om zijn capitulatie te rechtvaardigen: 'Ich liebe nicht die hohe Geste’. Het echtpaar Quangel doet dat wél: hun verzet gaat uiteindelijk niet om het resultaat, maar juist om de geste. Een vier- of vijftal personages uit het boek tezamen lijkt zo de complexiteit van Fallada’s eigen geweten en gedragingen te verwoorden. 'Moed betekent het uithouden, ook als het volledig onverdraaglijk is’, schreef hij al in 1937. Opnieuw opgenomen in een kliniek schreef hij in 1944 een kleine roman, verhalen en herinneringen die hem ongetwijfeld de kop hadden gekost als ze niet in zo'n kriebelhandschrift waren geschreven dat niemand ze kon ontcijferen.

Zonder deze complexe mengeling van moed en lafheid was Alleen in Berlijn nooit geschreven. Kennelijk voelde Fallada het niet als zijn bestemming om te vluchten en in exil te leven, noch om verzet t e plegen, maar om de kleine levens van de kleine, vertwijfelde Duitsers in het Derde Rijk vast te leggen.

In de Jablonskistraat van 2011 is de kleine man niet meer te vinden. Die leeft nu in andere delen van Berlijn, in Kreuzberg bijvoorbeeld, waar een van de grootste populaties Turken buiten Turkije woont. De huizen staan er nog, het stratenpatroon is nog hetzelfde, de resten van de Muur worden gekoesterd en het joodse kerkhof vlak bij de Jablonskistraat, dat de oorlog heeft doorstaan, verdedigt zwaarbewaakt zijn bestaansrecht. Misschien ligt de 'echte’ mevrouw Rosenthal, de bovenbuurvrouw van de Quangels, die haar leven en dood in eigen hand nam en voor de 'Freitod’ koos, hier wel begraven. Van de andere bewoners van het achterhuis geen spoor.


Jenny Williams, Mehr Leben als eins: Hans Fallada, Duitse vertaling door Hans-Christian Oeser, Aufbau Taschenbuch Verlag, 391 blz.,

€ 13,95. Christian Adam, Lesen unter Hitler: Autoren, Bestseller, Leser im Dritten Reich, Galiani Berlin, 384 blz., € 19,95