De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk vanavond om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Acteur en schrijver Michael Palin

De Kleine Man

‘Ongeneeslijk aardig’ wordt Michael Palin genoemd, de meest zachtaardige van de Python-groep. Ook een eeuwige piekeraar, tonen zijn dagboeken. Hij lijkt een Brits archetype: de immer charmante binnenvetter.

De Britse schrijver en acteur Michael Palin (1943) speelde in de drieënhalf seizoenen van Monty Python’s Flying Circus. Hij trad daarna op in een dertigtal films en televisieseries, waaronder de kaskraker A Fish Called Wanda. Hij presenteerde acht uitermate succesvolle reisprogramma’s en maakte gedegen documentaires over Hemingway, Matisse en Hammershøi. Hij publiceerde een half dozijn kinderboeken, twee romans, een toneelstuk en drie delen van zijn Diaries. Onlangs nog verscheen een puik boek over een dramatische expeditie naar de noordwestelijke passage, Erebus: The Story of a Ship.

In die lange lijst successen zit één zeperd: de film American Friends uit 1991. Palin schreef zelf het scenario (drie jaar werk), voerde een taai gevecht met Amerikaanse producenten en speelde de hoofdrol. De film werd een publieksdebacle. Palin zei niet zo lang geleden ‘dat op de hele planeet ongeveer drie mensen de film zijn gaan zien’. De recensies waren verschrikkelijk. In Amerika bracht de film 23.000 dollar op. Het deed pijn: hij had er hart en ziel in gelegd.

De film is prachtig, vind ik, maar American Friends is vooral het essentiële Palin-zelfportret: charmant, gereserveerd, authentiek, geestig, en met een zoete weemoed, die niemand kan verklaren. In de film speelt Palin Francis Ashby, een schuchtere Oxford-professor in de kalme negentiende eeuw. Hij is geheel natuurlijk vrijgezel, want zijn college laat geen vrouwen toe en de fellows moeten ongetrouwd blijven. Op vakantie in Zwitserland ontmoet hij de Amerikaanse weduwe Caroline en haar protégée, Elinor. Ashby wordt bedremmeld verliefd, op Elinor, of eigenlijk op beide vrouwen tegelijk, dat wil zeggen: voor zover hij weet wat ‘verliefd zijn’ ís. De twee vrouwen raken op hun beurt gesteld op de stoffige intellectueel en zij komen hem in Oxford opzoeken. Het is allemaal volstrekt onschuldig, maar het levert stof voor geroddel, waardoor Ashby’s positie als fellow in gevaar komt. Hij moet kiezen.

Ashby is gebaseerd op Palins overgrootvader, Edward Palin. Ook die was een ‘Oxford-don’ die op vakantie in Zwitserland een meisje leerde kennen, zeventien jaar jonger dan hij. Hij piekerde en aarzelde daar vier jaar lang over, vulde lange dagboekpagina’s met twijfel, maar trouwde uiteindelijk toch met haar, in Parijs. Hij verloor daardoor zijn baan aan de universiteit, werd dominee in Herefordshire en kreeg zeven kinderen.

Palin is de man die op de set van een film koffie gaat halen voor de stagiair

Het verhaal was onderdeel van Michael Palins familiegeschiedenis, maar het is tegelijkertijd een uiterst Brits onderwerp, een cliché bijna: delicate gevoelens, breekbare liefde, seksuele verlegenheid komen in botsing met Victoriaanse taboes en bekrompen, bitse instituten. On Chesil Beach, Remains of the Day, Maurice, Carrington, het halve oeuvre van Alan Bennett – je noemt zo tien titels waarin dat sneue conflict de motor is. Ashby komt echter net als Edward Palin tot de juiste keuze, de moedige, de liefdevolle, en ik durf de stelling aan dat die tedere rebellie aan de basis ligt van vrijwel alle rollen en typetjes die Michael Palin in zijn film- en tv-werk gespeeld heeft.

In de sketches in Monty Python is Palin bij uitstek de goeiige burgerman van bescheiden komaf, die onschuldige, kinderlijke dromen heeft – hij zou graag een Canadese cross-dressing lumberjack zijn, bijvoorbeeld. Als hij met zijn vrouw bij de huwelijkstherapeut zit laat hij beleefd toe dat de therapeut en zijn echtgenote ter plekke seks hebben. Hij is een prooi voor koeionerende bureaucraten en school bullies, die in Python onveranderlijk worden gespeeld door de hautaine cynicus John Cleese en door Graham Chapman, de laatste het liefst als geschifte bovenmeester of half-krankzinnige, krijsende brigadegeneraal. Dat was niet alleen maar spel. Chapman, Cleese en Eric Idle kenden elkaar van de cabaret-scene van de universiteit van Cambridge; Terry Jones en Palin kwamen van Oxford. Daartussen bestaan sterke verschillen. Stephen Fry heeft wel eens geschreven dat Cambridge-humor radicaal, schril, absurd en fel kon zijn, waar Oxford-humor doorgaans milder, intelligenter, subtieler, weemoediger is. Ook Alan Bennett, Rowan Atkinson en Dudley Moore zijn ‘Oxford’.

In de Python-wetenschap geldt Palin als de meest zachtaardige van de groep. Als Cleese de anderen weer eens zo ver getreiterd had dat er met stoelen werd gesmeten, dan trok Palin zich kalmpjes terug en wachtte tot de storm was gaan liggen. In Cleese’s herinnering: ‘Hij is niet een man die ooit zal sneuvelen op de barricaden – maar hij zal sterven te midden van duizend vrienden.’ Palin wordt geregeld ‘ongeneeslijk aardig’ genoemd. Hij is al 52 jaar getrouwd met de vrouw die hij op z’n vijftiende voor het eerst ontmoette. Hij woont al een halve eeuw met haar in hetzelfde huis in Londen. Hij is de man die op de set van een film koffie gaat halen voor de stagiair, in plaats van andersom.

Nu weet Palin natuurlijk donders goed dat dit beminnelijke profiel brood op de plank brengt, veel brood zelfs. Uit zijn dagboeken blijkt dat hij ook korzelig, ongeduldig en boos kan zijn, dat hij een hekel heeft aan de onzekerheid van het freelance bestaan en dat hij maar slecht kon omgaan met de bizarre tirannie van zijn Hollywood-bonzen. Hij vraagt zich voortdurend af of dat wat hij schrijft – zelfs in de beslotenheid van het dagboek – wel grappig en origineel genoeg is. Palin is privé vooral een man ‘who worries about things’ – hij piekert, ook al is er helemaal niets om over te piekeren.

Palin kreeg een Bafta voor de rol van Ken Pile, de stotterende dierenbeschermer in A Fish Called Wanda, alweer een underdog, een gevangene van zijn eigen milde principes, die echter opstaat en de bully onder een stoomwals plet. De rol werd in de Verenigde Staten sterk bekritiseerd, als onaardig tegen stotteraars. Voor Palin was dat buitengewoon ironisch: zijn vader, Edward Moreton Palin (1900-1977), was een heftige stotteraar geweest, die zijn leven lang bitter onder zijn gebrek had geleden. Als oprechte middle class Brit had hij zijn frustraties daarover keurig voor zich gehouden; alleen in het gezin kon hij exploderen in tomeloze drift. In Wanda deed Michael Palin wat zijn vader nooit gedurfd had: terugslaan.