De kleine oorlog

Uri Orlev, Lydia koningin van Palestina. : Uitgeverij Fontein, 156 blz., f 28,50
URI ORLEV IS een Poolse Jood die zowel het getto van Warschau als Bergen Belsen overleefde. Na de oorlog vestigde hij zich in Israel, waar hij over zijn jeugdherinneringen begon te schrijven. Het resultaat was onder andere een van de aangrijpendste jeugdboeken over de Tweede Wereldoorlog, Het eiland in de Vogelstraat (1981), de sober vertelde geschiedenis van een jongen die samen met zijn witte muis in leven weet te blijven in de onderwereld van het getto. Wat het boek uittilt boven vergelijkbare literatuur is dat het ook los van de oorlogsachtergronden een indrukwekkende getuigenis biedt van menselijke creativiteit en overlevingsdrang.

In Orlevs nieuwste jeugdboek Lydia koningin van Palestina draait het opnieuw om een kind dat het alleen moet zien te redden. Lydia’s leven wordt weliswaar bepaald door de oorlog - als tienjarig joods meisje wordt ze in 1943 met een groep andere kinderen uit Roemenie naar Palestina gestuurd en opgevangen in een kibboets - maar haar werkelijke zorg is hoe ze zowel de liefde van haar vader als van haar moeder zeker kan stellen. Het huwelijk van de ouders is al vastgelopen voor het uitbreken van de oorlog. Vader vertrekt als journalist met een andere vrouw naar Palestina. Moeder verdrinkt in haar persoonlijke, door de oorlog verhevigde sores en laat haar dochter vaak alleen of op zijn best onder de hoede van wonderlijke kinderjuffrouwen achter.
Lydia echter is een oorspronkelijk en vrijgevochten kind, waarover de vertellende ik-figuur later tevreden vaststelt: ‘Niet alleen toen, maar tot op deze dag heeft niemand me in bedwang kunnen houden.’ Ze zegt wat haar voor de mond komt, schopt en krijst en bewijst het ongelijk van jongens, die 'denken dat wie een jurk draagt niet voor zijn rechten op kan komen’. Op reis naar Palestina werpt ze handig de door haar moeder bereide gehaktballetjes in de strijd en weet zichzelf als eenling binnen de al gevormde groep ruimte en aandacht te verwerven.
Belangrijker nog dan haar gewiekstheid en assertiviteit is Lydia’s verbeeldingskracht, waarmee ze haar woede tegen de wereld weet om te zetten in een effectieve overlevingsstrategie. Geconfronteerd met ingewikkelde, half begrepen aangelegenheden of met volwassenen die ze niet kan gebruiken - de vriendin van vader ('die Vrouw’) - fantaseert ze met haar poppen hele scenes waarin de gewraakte 'tot vijand verklaard wordt’ en allerlei vreselijks moet ondergaan. Wanneer de egocentrische 'koningin van Palestina’ leert begrijpen dat volwassenen ook een eigen leven leiden en dat er behalve ouders nog andere belangwekkende mensen bestaan, blijkt ze ook in staat enkele 'vijand-verklaringen’ weer in te trekken.
Voor Orlev is de oorlog deze keer niet het grote onderwerp maar eerder het vertrekpunt om iets van de omzwervingen van het joodse volk te laten zien. Interessant is de schets van het communale leven in de kibboets, waarover in kinderboeken nauwelijks is geschreven. Maar in de allereerste plaats gaat het Orlev om een aandoenlijk klein mens, dat - hoe groot de ontreddering in de wereld om haar heen ook is - alleen echt bang is om de veiligheid van het ongebroken gezin te verliezen. Jammer dat een uitgever voor het bedrag van bijna dertig gulden kinderen niet iets aantrekkelijkers heeft te bieden dan een clicheomslag, goedkoop papier en geen enkel plaatje.