De kleine simson

Heinrich Heine ventileerde zijn ervaringen met de Lage Landen aan de Zee in zijn Memoiren des Herren von Schnabelewopski (1834), een boek dat zich deels in Amsterdam en grotendeels in Leiden afspeelt. Hij bezocht Leiden in augustus 1827, op doorreis van Rotterdam naar Amsterdam.

De drie kwart dag die hij rond het Rapenburg heeft rondgehangen bleken uiteindelijk inspirerend genoeg om zeven hoofdstukken (de helft) van zijn boek in de kleine Hollandse universiteitsstad te situeren. Schnabelewopski studeert daar theologie. De waardin van herberg De Rode Koe is verliefd op hem. Als Schnabelewopski af en toe wat minder gevoelig voor haar attenties is, daalt de kwaliteit van de biefstuk navenant, vandaar dat zijn medestudenten en lotgenoten hem smeken zich tegenover zijn aanbidster van zijn beste zijde te laten zien.
Schnabelewopski’s medestudenten zijn de pantheïst Vanpitter en de fichteaan Driksen. Zij vuren hun schrale, cerebrale argumenten af op de kleine, ijverige, belachelijke, ontroerende deïst Simson.
Simson? Is dat niet die oudtestamentarische vechtjas die, met een ezelskinnebak gewapend, hele Filistijnse legerscharen een kopje kleiner maakte? Heines Simson is daarentegen een aamborstige jood uit Frankfurt, zo'n ‘onderdanige kamerdienaar van Jehova’, zich radeloos werend tegen al dat vertoon van intellectuele godloochening van zijn medestudenten.
'O God! Dat is bij God niet geoorloofd! O God!’ verzuchtte hij en probeerde de zelfbewuste fichteaan Driksen met zijn dunne armpjes te lijf te gaan. 'Dan pakte de dikke echter de beide armpjes van de kleine Simson, hield hem rustig vast, zette hem zijn systeem heel kalm uiteen, zonder zijn pijp uit zijn mond te nemen en blies hem dan zijn dunne argumenten tezamen met een dikke rookwolk in het gezicht, zodat de kleine bijna stikte van rook en ergernis, en steeds zachter en smekender jammerde: O God, o God!’
Nee, de ellendige Driksen had aan bijbelse parallellen geen behoefte en goot zich hoogmoedig een groot glas Schiedamse jenever door het keelgat. Repliceerde de kleine Simson, met trillende knieën: 'Ik heb eens in Frankfurt een klok gezien die niet aan de klokkemaker geloofde. Hij was van geelkoper en liep slecht.’
Het dispuut ontaardde, naar negentiende-eeuws gebruik, in een duel. Heftig hakte de kleine Simson op de dikke Driksen in. 'Hij streed immers voor het bestaan van God’, constateert Heine, 'de oude Jehova, de Koning der Koningen.’ Maar deze verleende Zijn kampioen niet de minste bijstand - en liet hem sterven onder het moordend staal.
Het is een en al zelfportret van de auteur, de man die eerst door Hegel was wijsgemaakt dat de mens een tweebenige God is, om uiteindelijk, in het aangezicht van de dood weer rouwmoedig tot het Opperwezen terug te keren.
Hoe kon Heine anders? ’s Nachts, op zijn matrassengraf gelegen, had hij geen andere gesprekspartner dan God voorhanden. Die was de enige bij wie de stervenszieke schrijver zijn nood kon klagen. Maar voor wat hoort wat, sprak Jehova streng. Dus met al die hegeliaanse godslasterlijkheden moet het afgelopen zijn. 'U mag, wat mij betreft, elke leer aanhangen die u maar wil, lieber Doctor, het republikanisme, het socialisme, maar níet het atheïsme.’