CHINA EN DE CRISIS 1

De Kleine Sprong Achterwaarts

Sleurt de crisis ook China mee de afgrond in of wordt het land de reddende engel van de wereldeconomie? Zeker is dat de communistische partij snel moet handelen. Al is het maar voor haar eigen voortbestaan.

DE WERELDCRISIS, hoe hard komt die aan in China, de werkplaats van de wereld? Keihard, zegt de een, want China dankt zijn groei aan export, buitenlandse investeringen en investeringen in de bouw, en krijgt dus zware klappen wanneer in al die drie de klad komt. Onzin, zegt de ander: dankzij zijn beschermde economie, het vertrouwen in het banksysteem, de kolossale spaartegoeden, het belastingoverschot en de groeiende binnenlandse markt kan China de klappen best opvangen, en dankzij zijn enorme deviezenreserves kan het land zelfs de reddende engel van de wereldeconomie worden. Wie krijgt er gelijk? Dat is een allesbehalve academische vraag, want het gaat om de toekomst van China en waarschijnlijk van de hele mensheid.
Zo ongeveer alles is tegenwoordig made in China, behalve de financiële catastrofe. Tot leedvermaak van de Chinezen is ze veroorzaakt door ’s werelds meest kapitalistische land. De nationaliseringen, geldinjecties en steunmaatregelen waarmee westerse regeringen hun financiële industrie van de ondergang proberen te redden, gelden voor Peking als een bewijs van de superioriteit van het ‘socialisme met Chinese karakteristieken’, de economische revolutie die Deng Xiaoping dertig jaar geleden ontketende. En tegelijk ziet China in de afgang van het westerse financiële systeem een nieuwe bevestiging van wat het al lang wist: dat de westerse democratie voor China geen geschikt systeem is.
Toch is het niet waar dat China part noch deel heeft gehad aan de ontketening van de financiële tsunami. Het land heeft immers voor vele miljarden de Amerikaanse staatsschuld gefinancierd. Eind augustus had China voor 541 miljard dollar aan waardepapieren van de Amerikaanse schatkist in huis, een paar miljard minder dan Amerika’s grootste schuldeiser, Japan. Dus mede dankzij China hebben de Amerikanen veel te lang boven hun stand kunnen leven, wat de Chinese export geen windeieren legde en beide economieën nog verder met elkaar verknoopte. Maar daardoor werd het uur van de waarheid naar voren geschoven en kwam de kladderadatsj harder aan.
De Chinezen zelf zijn het tegenovergestelde van geldverspillers. Zij zijn de grootste spaarders van de wereld, niet omdat het schrapers zijn maar omdat ze het hoofd moeten bieden aan de risico’s van het bestaan. Vroeger, onder Mao, was iedereen even arm, maar de staat zorgde zo’n beetje voor alles en iedereen. Tegenwoordig zorgt hij alleen voor de overheidsdienaren. De meeste mensen zijn gedwongen hun geld zo veel mogelijk opzij te zetten voor het geval ze ziek worden, om de studie van hun kind te betalen of als appeltje voor de dorst voor de oude dag. Daarom is de schijn van overdaad en consumptie die van de grote steden afstraalt zo bedrieglijk. Samen consumeren de Chinezen slechts 38 procent van hun bruto binnenlands product, dat is ongeveer de helft van het Amerikaanse percentage. Ook in absolute cijfers is er geen vergelijk tussen de beide landen: de gemiddelde Amerikaan heeft bijna vijftien keer meer te besteden dan de gemiddelde Chinees.
De staat is een spaarder in het groot: met 1,9 biljoen dollar is China wereldrecordhouder deviezenreserves, dankzij zijn fenomenale export en de instroom van (speculatief) kapitaal. Wat de Verenigde Staten en Europa missen, heeft China in overvloed: liquide middelen. Financieel is China ook veel minder kwetsbaar. Zeker, het land heeft de markteconomie omhelsd, maar dan wel op z’n Chinees. De communistische partij heeft de financieel-economische controle net zo min uit handen gegeven als de politieke. Het binnen- en buitenlandse particuliere bedrijfsleven mogen dan de aanjager van de expansie zijn geworden, alle strategische bedrijven en de grootste banken zijn in handen gebleven van de eenpartijstaat, terwijl privé-ondernemers de partij nodig hebben om te kunnen floreren.
Daar komt bij dat de Chinese munt nog altijd niet convertibel is – dat was ook de belangrijkste reden dat de Azië-crisis van 1997-1998 grotendeels aan China voorbij is gegaan – en dat op de twee effectenbeurzen op het Chinese vasteland voornamelijk bedrijven zijn genoteerd waarin de staat een meerderheidsbelang heeft. Het is onwaarschijnlijk dat de Chinese banken in de ondergangsmaalstroom terechtkomen, want ze hebben niet aan jan en alleman geleend, hebben zich verre gehouden van de fataal gebleken derivatenhandel en ze hebben maar 3,7 procent van hun gezamenlijke kapitaal in omgevallen westerse financiële instellingen gestoken. Kortom, de Chinese geleide economie blijkt een stuk beter gepantserd tegen de crisis dan het Amerikaanse neoliberale laissez faire-kapitalisme.
Natuurlijk hebben Chinese instellingen die zich in het westerse financiële systeem hadden gewaagd – de verzekeraar Ping An bijvoorbeeld, die met Fortis in zee had willen gaan – klappen gekregen. De 57,5 miljoen Chinese beleggers hebben door de verticale val van de effectenbeurzen de afgelopen twaalf maanden gemiddeld 56.000 dollar per persoon verloren. Veel mensen zijn al hun spaargeld kwijt. Van de 66 Chinese dollarmiljardairs van vorig jaar zijn er nog 24 over, en de vierhonderd rijksten van China hebben gezamenlijk veertig procent van hun rijkdom moeten inleveren.

Sinds China’s toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie in 2001 is zijn economie innig vervlochten geraakt met de wereldeconomie. Voor de globale onttakeling kan China dus niet immuun zijn. Zo’n veertig procent van wat China verdient, komt uit de export. Nu de vraag van China’s belangrijkste exportmarkten Europa en de Verenigde Staten inzakt en het handelsprotectionisme toeneemt, is er in de wereldwerkplaats minder te doen. Op de laatste Canton Fair, China’s grootste handelsbeurs, duikelde het aantal deals met zestien procent. Volgens de laatste gegevens is de groei in vrijwel iedere sector sterk aan het afnemen. Veelzeggend is de daling van zowel het elektriciteitsverbruik als de inflatie.
De bouw is direct na zijn moment van olympische glorie gaan haperen. Vooral getroffen is China’s meest bedrijvige provincie, Guangdong. Daar ging het met de low tech-industrie al een tijdje niet goed, deels omdat de regering ervan af wil, deels omdat de gestegen productiekosten veel ondernemers naar goedkopere landen hebben gedreven. De wereldcrisis is daar bovenop gekomen. Massaal worden de arbeiders, meestal migranten, van de ene dag op de andere op straat gezet. Een kwart van de zeventigduizend fabrieken van Hongkongse eigenaars in Guangdong zal binnenkort moeten sluiten. Het aantal gewelddadige incidenten neemt snel toe. De ontploffing van een sociale tijdbom begint een reëel perspectief te worden.
29 jaar lang is de Chinese economie gegroeid met gemiddeld bijna tien procent per jaar, vorig jaar zelfs met 11,9 procent. En toen kwam de omslag. In het derde kwartaal van dit jaar viel de groei terug tot negen procent. Voor volgend jaar voorspelt de Chinese centrale bank een groei van acht tot negen procent, maar sommige banken zien de groei krimpen tot minder dan acht procent. Andere landen zouden daarvan watertanden, maar acht procent geldt in China algemeen als de minimumgroei die nodig is om de bevolking rustig te houden en om voldoende nieuwe banen te scheppen, vooral voor de bijna twintig miljoen binnenlandse migranten per jaar.
Een paar jaar lang heeft de regering gewaarschuwd tegen economische oververhitting. De afkoeling is nu plotseling gekomen, niet van binnenuit maar van buitenaf, en ingrijpender dan verwacht. Toch staat de Chinese economie er lang niet zo beroerd voor als die van het Westen. Dat kijkt begerig naar de gigazak met geld in Peking en komt met voorstellen: samen met de Arabische oliestaten zou China een wereldreddingsfonds moeten stichten, of het zou de nieuwe grootfinancier moeten worden van het Internationaal Monetair Fonds.
Peking voelt niets voor die rol. President Hu Jintao zei op de G20-top in Washington dat de voortzetting van een snelle groei China’s ‘belangrijke bijdrage’ aan de sanering van de wereldeconomie is. Daartoe heeft China de rente al tot drie keer toe verlaagd, fiscale stimuleringsmaatregelen genomen en alle remmen op kredietverlening opgeheven. En het wil de economische focus verleggen van export naar de ontwikkeling van de eigen binnenlandse markt. De regering zegt dat al een paar jaar, maar door de exportmalaise is het urgent geworden. Het is de enige manier om de naar schatting vier biljoen dollar aan spaargeld productief te maken.
Ontwikkeling van de binnenlandse markt wil vooral zeggen: prioriteit voor de ontwikkeling van het platteland, waar nog zo’n 750 miljoen arme boeren vrijwel niet meedoen aan de consumptie en vaak een Afrika-achtige levensstandaard hebben. Ook daarover wordt al langer gepraat, maar de kloof tussen stad en land is er niet door versmald. Vorige maand is echter een ingrijpend besluit genomen. Dertig jaar na de ontmanteling van Mao’s collectieve boerderijen is een nieuwe landhervorming afgekondigd. De grond blijft collectief eigendom, maar boeren kunnen voortaan het gebruiksrecht van de hun toegewezen grond verkopen. Dat moet slechte producenten aanmoedigen hun grond van de hand te doen, waardoor boeren die het beter doen er grond en inkomen bij kunnen krijgen.
Deze maand is een stimuleringspakket gelanceerd ter waarde van 586 miljard dollar. Dat is 17,8 procent van het bruto binnenlands product van vorig jaar, een bewijs van de ernst van de situatie in regeringsogen. In verhouding tot het bbp is het Chinese pakket ruim drie keer zo groot als het Amerikaanse – dat voor een groot deel door China zal worden gefinancierd. Gestimuleerd zullen worden de economische en sociale infrastructuur, zoals de aanleg van tienduizenden kilometers spoorlijn op het platteland, de bouw van goedkope huizen en tien atoomcentrales, onderwijs en gezondheidszorg voor de armen, milieusanering.
Onderwijs, gezondheid en een oudedagsvoorziening voor de armen zijn niet alleen om principiële maar ook om economische redenen noodzakelijk, anders gaat hun spaarpot nooit open voor consumptieve uitgaven. En zonder een grondige milieusanering en een rationeler gebruik van energie heeft economische ontwikkeling weinig zin. Alleen al de nationale steenkolenindustrie heeft volgens Chinese economen vorig jaar een milieuschade aangericht van zeven procent van het bbp van vorig jaar, nog afgezien van de 750.000 mensen die ieder jaar te vroeg doodgaan vanwege lucht- en watervervuiling.

Slechts een kwart van het stimuleringspakket bestaat uit nieuwe kredieten. De uitvoering van de maatregelen kost tijd, de verleiding om zich te beperken tot de aanleg van openbare werken zal groot zijn, de medewerking van lokale autoriteiten is niet verzekerd, en het is de vraag of de investeringen die de consumptie moeten stimuleren zullen opwegen tegen het verlies van het inkomen uit export. Voor de communistische partij is een race tegen de tijd begonnen. Premier Wen heeft het zelf geschreven: ‘Zonder een zekere snelheid in economische groei zullen er moeilijkheden komen met werkgelegenheid, fiscale inkomsten en sociale ontwikkeling, en nemen de factoren toe die de sociale stabiliteit schaden.’ Sociale instabiliteit is iets wat de partij koste wat het kost wil voorkomen. De drang tot politieke overleving kan het daarom winnen van de noodzaak tot een economische ommezwaai.
En toch. Dit is hét moment voor China om het roer om te gooien voordat zijn huidige ontwikkelingsmodel strandt. Wat toch al had moeten gebeuren, ook zonder wereldcrisis, is nu een absolute noodzaak geworden: de economische roofbouw van de laatste dertig jaar moet plaatsmaken voor een ontwikkelingsstrategie die vriendelijker is voor mens en milieu en zich minder zal richten op de export en meer op de binnenlandse markt. Het is ook de enige manier om de sociale harmonie tot stand te brengen die nu alleen maar in slogans bestaat. Dat is goed voor de Chinezen, goed voor de wereld en uiteindelijk ook goed voor de communistische partij.