De kleinheid van de nazi’s

De Poolse Jan Karski en de ­Duitse Anna ­Seghers schreven ­beiden tijdens de oorlog een ­klassieker, over het ­verlangen naar het einde van de oorlog en het geloof in ­menselijkheid.

Jan Karski, Mijn bericht aan de wereld. Vertaling Olaf Brenninkmeijer, nawoord Céline Gervais-Francelle. Cossee, 494 blz., € 29,90

Anna Seghers, Het zevende kruis. Vertaling Nico Rost, herzien door Elly Schippers. Van Gennep, 390 blz., € 19,90

Vorig jaar stonden de boeken van Hans Keilson (In de ban van de tegenstander) en Hans Fallada (Alleen in Berlijn) volop in de belangstelling van pers en lezerspubliek. Het zijn romans die zich afspelen tijdens de Tweede Wereld­oorlog, geschreven door ooggetuigen van de oorlog. En nu zijn er weer twee van zulke boeken uitgebracht in Nederlandse vertaling, van de Pool Jan Karski en de Duitse Anna Seghers. Ze zijn geschreven in respectievelijk 1943 en 1938, beide dus voordat de volle omvang van het kwaad tot de wereld doordrong. Zijn deze boeken blanco te lezen, onbelast door alle interpretaties en kennis achteraf?

Het zevende kruis van Anna Seghers gaat net als Hans Fallada’s Alleen in Berlijn over gewone mensen, met hun brave inborst en hun feilen, die tóch tot een daad van verzet in staat blijken te zijn. De roman geeft een beeld van het Duitsland van de jaren dertig dat overspoeld wordt door nazi’s, uniformen en onderdrukking, terwijl intussen het gewone leven doorgaat.

Uit Westhofen, een concentratiekamp van de nazi’s waarin vanaf halverwege de jaren dertig de politieke gevangenen werden vastgezet, ontsnappen zeven gedetineerden. Het is een vreemde doorsnee van de Duitse bevolking. Zo zijn daar de boer en burgervader Aldinger, die vastzit omdat hij is aangegeven door een nazi-tegenkandidaat voor het burgemeesterschap, de politiek standvastige Wallau, die de genius ­achter het ontsnappingsplan is, en de Italiaanse trapezewerker en circusfiguur Belloni. En er is de man van twaalf-ambachten-dertien-­ongelukken Georg Heisler, de hoofdpersoon en held van Het zevende kruis. De kampcommandant laat zeven bomen op manshoogte kappen, om zeven kruisen te vormen waaraan de ontsnapten te kijk kunnen hangen. Het kruis voor Heisler blijft zó lang leeg dat de commandant zijn carrière aan de wilgen moet hangen. De lezer volgt Georg in zijn pogingen zijn achtervolgers voor te blijven. Bij wie moet hij schuilen, aan wie kan hij hulp vragen, wie brengt hij in gevaar door zijn vlucht?

Anna Seghers staat in Het zevende kruis aan de kant van de communisten. Dát blijken in dit boek de mensen met de beste ideeën over ­menselijkheid en toekomst, maar ook de ­mensen die de moraal hoog houden en het meest ­standvastig blijken te zijn. Als je vlucht uit ­Westhofen kun je dus maar beter meteen je heil zoeken bij een communist: die zal je helpen.

Seghers trad in 1928 zelf toe tot de ­Communistische Partij. Haar boeken werden verbrand in het Derde Rijk; zij was toen al gevlucht naar Parijs, om in 1941 met haar man en kinderen naar Mexico te ontsnappen. Haar joodse afkomst maakte haar vlucht onontkoombaar.

Waar deze uitgave niet over rept, is dat ­Seghers er in 1950 voor koos om in Oost-­Duitsland te gaan wonen en het vervolgens tot partijbons schopte. Het zevende kruis werd ­verplichte literatuur op alle middelbare scholen en gold als voorbeeld van het sociaal-realisme in de kunst. Van 1952 tot 1978 was Seghers voorzitter van de Duitse Schrijversbond. Bepaald geen critica van het regime, dus. Het werk dat zij schreef in die jaren druipt van de partijtrouw en ­schematisch-idealistische opvattingen.

Die kennis van het Nachleben van de schrijfster na de oorlog schept bepaalde verwachtingen. Maar dan blijkt Het zevende kruis een boek dat niet alleen ongelooflijk goed en beeldend en meeslepend geschreven is, maar dat ook scherpzinnig en vol mededogen de kleinheid van de nazi’s laat zien. Dat laat zien dat kampcommandant Fahrenberg, hoe wreed hij ook is, tegelijk ook ‘gewoon’ de zoon van de loodgieter op het marktplein is.

Seghers toont naast de kleinburgerlijke ­verdorvenheid van de nazi’s de standvastige goedheid van andere Duitsers. Het mooist doet ze dat door het dorpsleven te beschrijven in het gehucht waar de familie Marnet woont. Franz Marnet en de herder Ernst, die een oogje heeft op Sophie, ‘een stevig, bijna dik maar niet log meisje met heel fijne enkels en polsen’, zijn bijfiguren die je niet meer vergeet. Als de hele familie appels plukt, om die later in de stad te verkopen, proef je de idylle van het platteland.

Georg denkt als hij net het kamp uit is ‘dat op elk gezicht, op elke straatsteen de schande te lezen zou zijn, dat droefheid de voetstappen en stemmen en zelfs de spelletjes van de kinderen zou dempen’. Maar niets daarvan: ‘Deze straat hier was heel rustig, de mensen zagen er opgewekt uit. “Hannes! Friedrich!”’ En daar stommelen de jongens in uniform naar boven om koffie te drinken bij de oude vrouw boven de wasserij.

De ‘kleine Helwig’ wordt verliefd, koopt een mooi jasje om zijn lief te imponeren, laat dat jasje stelen (door een van de gevangenen op de vlucht) en ziet zijn toekomst op die manier veranderen, doordat hij zich bewust wordt van wat er om hem heen gebeurt. Een voorbeeld van de innerlijke groei naar het communisme: van Hitlerjugend naar klassebewustzijn.

Seghers laat zien dat mensen in extreme omstandigheden kunnen uitstijgen boven zichzelf, boven hun particuliere voor- of afkeuren. Franz Marnet bijvoorbeeld. Hij is een oude vriend van Georg maar heeft reden genoeg om hem te haten: Georg pikte hem zijn grote liefde af en liet haar daarna in de steek. Toch probeert Franz om Georg op te sporen zodat hij hem kan helpen. ‘Wat moeten er intussen vreselijke dingen gebeurd zijn, dat alles nu geen pijn meer doet’, denkt Franz over zijn eigen weggesmolten haatgevoelens.

Het zevende kruis gaat over de mogelijkheid te ontsnappen uit de fascistische sfeer, en over het Nachleben als het nazisme is uitgewoed. Dat die dag komt, daar is Seghers in 1938 al van overtuigd. Er is letterlijke ontsnapping mogelijk, zoals de zeven gevangenen laten zien. En er is geestelijke ontsnapping mogelijk. Hoe dan ook: een ontsnapping ‘brengt altijd beroering teweeg. Dat betekent altijd twijfel aan hun almacht. Een bres.’ Het zevende kruis is een literaire feelgoodmovie van grote klasse.

Dat er na de oorlog ook een heel ander Nachleben kan volgen, blijkt uit de geschiedenis van de Pool Jan Karski. In tegenstelling tot Seghers was hij wars van het communisme: hij geloofde juist in de krachten van het vrije Westen en de kapitalistische democratie. En hij was overtuigd katholiek en patriot. De verdwaalde communisten die voorkomen in zijn boek Mijn bericht aan de wereld zijn dolers die wat hem betreft weinig woorden waard zijn. Karski’s helden waren de Engelsen en Amerikanen. En ook in tegenstelling tot Seghers, die na de oorlog een verwezenlijking van haar droom zag, al zouden we nu zeggen dat ze scheel keek, is Karski juist hevig en bitter teleurgesteld geraakt. Zijn heldendaden – want een held was hij zonder meer – leidden pas in de jaren tachtig tot erkenning, toen hij als oude man in Claude Lanzmanns film over de holocaust Shoah zijn verhaal nogmaals mocht vertellen.

Karski is geen schrijver pur sang. Na de publicatie van Mijn bericht aan de wereld trok hij zich terug als politicoloog aan de Georgetown University in Washington en schreef geen fictie meer. Het boek heeft weliswaar de vorm van een roman, maar dat is duidelijk een doelbewuste keuze geweest om een zo groot mogelijk lezerspubliek voor zijn boodschap te krijgen. En dat is ook gelukt, want de eerste oplage was vierhonderdduizend exemplaren. Maar in wezen is Mijn bericht aan de wereld adembenemende en meeslepende, autobiografische non-fictie. Karski beschrijft hoe hij direct na de bezetting in 1939 en voordat hij de wapens tegen de Duitsers gebruiken kan, gevangen genomen wordt door het Rode Leger. Hoe hij ontkomt door zich voor te doen als Duitser in een gevangenenruil. Hoe hij belandt in het doorgangskamp Radom. Ontsnappingen, gevangenissen, voettochten door Europa: Mijn bericht aan de wereld leest aanvankelijk als een spannend jongensboek. Karski wordt gerekruteerd door het verzet. Daar heerst een ijzeren discipline. Het functioneerde als een clandestiene overheid: de ‘Ondergrondse Staat’ met een eigen ‘Thuisleger’. Papieren worden perfect nagemaakt, verbindingslijnen gecontroleerd. En als Karski op een van zijn missies als koerier wordt opgepakt en gevangen gezet, overweegt het verzet hem uit voorzorg te executeren. Met een cyanidecapsule kan hij zichzelf en zijn medestanders beschermen. Hij draagt hem op zijn lijf zoals hij eind 1942 een gewijde hostie in een devotiemedaillon bij zich draagt, als hij definitief uit Polen vertrekt om de regering in ballingschap en de westerse leiders te informeren over wat er in Polen met de joden gebeurt.

Ronduit schokkend in Mijn bericht aan de wereld zijn twee hoofdstukken die samen het verhaal vormen dat Karski in het Westen steeds weer vertelde, tussen 1942 en 1945. Het eerste gaat over het getto van Warschau. Hij wordt binnengesmokkeld door de joodse ondergrondse en ziet de honger, de dood, de willekeur waarmee uitgelaten jongens van de Hitlerjugend een voorbijganger doodschieten. De joodse leiders smeken Karski om aan de westerse leiders te vragen Duitse steden te bombarderen en via het uitstrooien van pamfletten de Duitse bevolking te informeren over het lot van de joodse Polen. Ze roepen de westerse joodse leiders op een hongerstaking te beginnen. In het hoofdstuk daarna wordt Karski zelfs een vernietigingskamp binnengesmokkeld: Bełzec. Hij wordt geconfronteerd met Oekraïense kampbewakers die voor geld af en toe iemand ‘redden’, maar verder meedogenloos uitvoeren wat de Duitsers ze opdragen. Het is complete chaos in het kamp. De mensen worden vermoord in treinwagons die met een laag ongebluste kalk zijn bekleed. Na twee tot vier dagen is iedereen gestikt. Dan worden de wagons uitgeladen, schoongemaakt en opnieuw gevuld. ‘Ik kan geen bewijzen, geen foto’s overleggen. Ik kan alleen de waarheid vertellen zoals ik die met eigen ogen gezien heb.’

In Shoah hoor je Karski met gedreven en verdrietige stem zijn verhaal vertellen en om gerechtigheid vragen. Hoewel hij dan al decennia in Amerika woont heeft hij een duidelijk accent. Als hij met overslaande stem vraagt: ‘Perhaps it will shake the conscience of the world’, dan voel je zijn wanhoop.

In zijn boek probeert hij juist kalm, journalistiek te werk te gaan. Hij heeft de hiërarchie van het verzet geaccepteerd; hij is gehoorzaam aan de regering in ballingschap. Ongetwijfeld heeft hij gedacht op die wijze het verst te komen en het meest te bewerkstelligen. En als hij die positie niet had ingenomen was hij ook nooit binnengelaten bij de Amerikaanse president Roosevelt en de minister van Buitenlandse Zaken onder Churchill, Eden. Karski was opgeleid als jurist en diplomaat, en ambieerde al vanaf zijn jeugd een baan als ambassadeur. De tragiek is duidelijk. Zonder zijn diplomatieke gaven, zijn geloof in de westerse kapitalistische democratie en de acceptatie van de welomschreven rol in het ‘officiële’ Poolse verzet zou hij nooit gehoord zijn. Tegelijk had hij te accepteren dat de mensen die boven hem gesteld waren beslissingen namen die misschien wel verkeerd waren. De beslissing om Auschwitz niet te bombarderen, bijvoorbeeld. Hij geloofde in de redelijkheid, de diplomatie. Story of a Secret State, de titel van het boek in de Verenigde Staten, heeft tot Karski’s verdriet de joden niet geholpen. Wel heeft het ongetwijfeld een beslissende invloed gehad op de wijze waarop Amerika – nog steeds – met de holocaust omgaat.

Juist Karski’s trouw aan Polen heeft hem na de oorlog de das omgedaan. De euforie van de geallieerden over de samenwerking met Rusland paste niet bij Karski’s nationalisme. Het boek werd niet herdrukt, Karski werd nergens meer uitgenodigd. De westerse leiders die wel hadden geluisterd maar niet hadden gehandeld, hadden geen baat bij een anticommunist die voortkwam uit de gelederen van de Poolse regering in ballingschap, een groepering waarmee al snel niet meer onderhandeld werd. Maar zonder twijfel was het doodzwijgen van Karski’s verhaal ook een goede manier om het morele blazoen achteraf schoon te vegen.

Als je deze boeken blanco probeert te lezen, word je beloond met twee meeslepende romans die met recht klassiekers zijn geworden. In beide boeken wordt uitgekeken naar de toekomst, na de oorlog; in beide boeken is er geloof in herstel, in menselijkheid, in rechtvaardigheid. Hoe tegengesteld in politieke opvatting ook, Karski en Seghers schreven in oorlogstijd met de blik op wat er daarná komen zou. Hun eigen Nach­leben maakt het nog interessanter om te lezen hoe ze zich tijdens de oorlog de toekomst verbeeldden.