De kleinkindervriend

Laat ik mijn carriere in vogelvlucht beschrijven. Veertig jaar geleden startte ik als manusje van alles. Langzamerhand beklom ik de maatschappelijke ladder en belandde aan de top. Toen ik onmisbaar was, leerde ik delegeren om eindelijk te kunnen doen waar het mij allemaal om te doen is geweest: geld tellen.

Welnu, sinds ik schathemelrijk ben, wil iedereen van mij weten of geld gelukkig maakt. Voordat ik hierop inga, stel ik u graag een wedervraag. Houdt u zelf van geld? Hebt u als kind ook zo'n rozig spaarvarkentje gekoesterd? Hoe vaak pleegt u een dubbeltje om te draaien alvorens het uit te geven? Hebt u de kleine letters op het biljet van honderd wel eens gelezen?
Het zijn van die kleine dingen waaruit blijkt of u weet wat de ware liefde voor geld impliceert. Ook deze liefde moet immers van twee kanten komen. De apologeten van de theorie dat geld niet gelukkig maakt, zijn lieden die niet weten te geven, en slechts wensen te ontvangen. Het gaat hen niet om geld an sich, het gaat ze erom het geld over de balk te gooien. Die patsers kopen er auto’s, jachten en maitresses van, zij maken verre reizen en zij hebben een penthouse in Parijs of op het Leidse Bosje. Zoiets zou ik nooit doen, hooguit op kosten van de zaak.
Ik koester mijn bankbiljetten of het mijn vrouw en kindertjes zijn. Ik hou trouwens ook veel van mijn kleinkinderen en achterkleinkinderen. Kortom, luisteraars, om op uw vraag terug te komen: geld maakt gelukkig op voorwaarde dat je het in je zak houdt.