Essay: Waarheid in Zuid-Afrika

De kleur van je hart

De Waarheidscommissie heeft in Zuid-Afrika opzettelijk het begrip ras overstegen. Daarmee heeft ze de weg geopend naar een cultuur van mensenrechten.

Weinigen van ons herinneren zich precies wat er gebeurde op de dag dat aartsbisschop Desmond Tutu de vijf dikke delen van het eindrapport van de Waarheids- en Verzoeningscommissie (WVC) overhandigde aan een bars kijkende president Nelson Mandela. Het was een kwetsbaar moment. Maar wat de hachelijkheid eens te meer duidelijk maakte, waren de twee toespraken. Onze president en zijn profeet staan erom bekend dat ze nogal eens van het papier willen afwijken, maar die dag lazen beiden zin voor zin, punt voor punt. Alsof beiden wisten dat de gevoelens zo gespannen waren dat, als ze de onzichtbare streep zouden overschrijden, de zaak zou ontploffen.

Pas toen ze na de formaliteiten met zijn tweeën stonden te dansen (Mandela in bokshouding, rechtop, stompend op de vrolijke geluiden van het koor, Tutu als een kwajongen, met gebogen hoofd, armen zwaaiend ter hoogte van zijn knieën) konden we vrijer ademen; niet omdat het proces voorbij was, niet omdat het even dramatisch was geëindigd als het was begonnen, maar wegens de opmerkelijke consistentie van de WVC. Als een enorme hooivork deed ze haar werk en steeds werd er opnieuw geschud — en zonder mankeren vielen steeds weer dezelfde mensen neer als koren en werden dezelfde mensen weggeblazen als kaf in de wind. Na drie jaar zou je denken dat het kaf mogelijk koren was geworden. Maar nee, ondanks de pogingen van het ANC en F.W. de Klerk om op het laatste ogenblik de publicatie van het rapport te beïnvloeden, waren tot onze opluchting de twee morele giganten van ons land, ondanks immense druk, nog steeds onmiskenbaar, onbezoedeld koren.

De aanloop naar de overhandiging van het eindrapport was beladen met spanningen. Het eindrapport zou op 29 oktober 1998 aan president Nelson Mandela worden overhandigd. De Commissie had het meeste werk eind juni 1998 klaar; alleen het amnestiecomité zat in een juridische val en ploeterde voort met ettelijke honderden gevallen die nog gehoord moesten worden. En het ANC deed verwoede pogingen een stokje voor de publicatie van het rapport te steken, een actie waarin Mandela niet werd gekend.

Het is een prachtige lenteochtend in Pretoria, de paarse bloesems van de jacarandabomen hangen boven de straten. De rechtbank vergadert om zeven uur ’s ochtends, vervolgens horen we dat dat acht uur wordt. Tutu, Yasmin Sooka en Dumisa Ntsebeza arriveren na een hele nacht vergaderen met juristen. We zullen de strijd met ze aanbinden, zeggen ze. Als de onderdrukten onderdrukkers zijn geworden, zal ik ze bestrijden, zegt Tutu. Woorden die men hem nooit zal vergeven. Maar ze maken een futloze, vermoeide indruk, afgepeigerd door het politieke steekspel binnen en buiten de Commissie.

Als we naar de zaal gaan waar de eigenlijke presentatie plaatsvindt, zitten de Commissieleden als opgejaagd in een hoekje. Duidelijk verdeeld, ongemakkelijk. Besloten werd de kwestie rond het ANC in stemming te brengen. Er waren vijftien Commissieleden. De uitkomst was zeven voor en zeven tegen een gesprek met het ANC, waardoor Tutu gedwongen werd de beslissende stem uit te brengen. Het moet een moeilijke bijeenkomst zijn geweest. Sommige Commissieleden hadden het ANC hun hele leven gesteund en stemden nu tegen de mensen met wie ze samen hadden gevochten. We hoorden dat Tutu in een totale depressie verkeerde en met Mandela wilde spreken. «Toen hij daar naar binnen ging, leek hij klein en maakte hij een matte, sombere indruk. Toen hij naar buiten kwam was hij een ander mens, hij lachte en liep weer rechtop», zei iemand. Wat zich daar precies heeft afgespeeld, weten we niet. Maar je kon heel sterk voelen dat er verdeeldheid was en dat de Commissie aan gezag had ingeboet. Tutu zei: «Velen zullen ontdaan zijn door dit rapport. Sommigen hebben geprobeerd het bij voorbaat in diskrediet te brengen. Zelfs al waren ze daarin geslaagd, wat doet het ertoe? Het verandert niets aan het feit dat ze Stanza Bopape hebben vermoord, of dat ze mensen met halsbandmoorden om het leven hebben gebracht — dat is wat de daders ons hebben verteld — het zijn geen verzinsels van de Commissie.»

Mandela: «Ik maak van deze gelegenheid gebruik om te zeggen dat ik het rapport aanvaard zoals het is, met al zijn onvolkomenheden, als hulpmiddel dat de WVC ons geeft bij onze pogingen ons met elkaar te verzoenen en ons land op te bouwen.» Mandela is een solidaire partijman, het moet voor hem heel moeilijk zijn geweest om af te wijken van de partijlijn. Het is een beladen moment: de politicus en zijn profeet omhelzen elkaar, terwijl de wolken van politieke wrok over de gang van zaken rond de Waarheids commissie zich boven hen samenpakken.

Enkele maanden voordat het eindrapport uitkwam, had het eerste parlementaire debat over verzoening plaatsgevonden. Thabo Mbeki hield hier zijn beroemde toespraak over «twee naties». Zuid-Afrika is een land dat uit twee naties bestaat: een rijke blanke natie en een arme zwarte natie. Hij vindt dat verzoening niet zozeer moet plaatsvinden tussen daders (van welke kleur ook) en slachtoffers (van welke kleur ook) als wel tussen degenen die voordeel hebben getrokken (de blanken) en de uitgebuitenen (de zwarten). Hoe moet je, vroeg hij zich af, deze twee naties die in Zuid-Afrika naast elkaar leven, samensmelten tot een? «Een eerste vereiste daarvoor is dat we moeten aanvaarden dat het tijd kost om de materiële basis te leggen voor opbouw van de natie en verzoening.»

Mbeki stelde vervolgens de vraag of verzoening prioriteit genoot bij de mensen in het land. «Mijn antwoord op die vraag», zei hij, «is negatief.» Hij onderbouwde deze conclusie met de volgende feiten: veel bedrijven in blanke handen hebben zich nog niet bij de belastingdienst aangemeld, blanken klagen in het algemeen over positieve discriminatie, hebben niet om amnestie verzocht en verzetten zich tegen de transformatie van onze samenleving. Dit alles «verhindert ons dit doel [van nationale eenheid en ver zoening] te bereiken en maakt miljoenen mensen woedend».

Ogenschijnlijk is dit juist. Er is sprake van algemene woede onder zwarten (volgens Mbeki) en blanken (volgens Constand Viljoen), en het begint er echt op te lijken dat mensen elkaar het liefst naar de keel vliegen. Maar om een of andere reden zijn het niet zwart en blank die elkaar naar het leven staan, maar zijn het de Zoeloes die elkaar afmaken in KwaZulu-Natal, evenals «kleurlingen» in de Kaap provincie, en zijn het misdadigers van welke kleur dan ook die onschuldige burgers ongeacht hun kleur vermoorden.

Een tweede belangrijk parlementair debat had plaats na de publicatie van het eindrapport; het was gepland aan het einde van de zittingsperiode van het eerste democratisch gekozen parlement. De publieke tribune zat volgepakt met studenten, slachtoffers, academici en vertegenwoordigers van NGO’s. In de presidentiële loge herkende ik een klein gezelschap: twee leden van de Waarheidscommissie en een paar leden uit de staf. De spraakmakende figuren waren verdwenen. De achtergeblevenen zaten er ongemakkelijk bij, ontdaan van hun macht en roem. Ergens op de publieke tribune ontwaarde je nog een paar gezichten van de Waarheidscommissie. In de wandelgangen van de macht viel de enige stem die de politieke macht de afgelopen twee jaar had getart, niet langer op. De WVC, ooit iets om over op te scheppen of om over naar de rechter te stappen, was niet langer onmisbaar.

Thabo Mbeki, president in spe, sprak als eerste. Hij verwees naar de driehonderdveertig jaar oude haag van amandelen en doornstruiken die de Nederlandse kolonist Jan van Riebeeck had geplant «om de veiligheid van de blanke Europese kolonisten te waarborgen en de dreigende zwarte Afrikaanse horden van primitieve heidenen op een afstand te houden».

Het was doodstil in het parlement toen Mbeki met deze opmerkingen zijn toespraak begon. De laatste keer dat Mbeki over de WVC had gesproken, was in oktober 1998, toen het ANC aankondigde dat het de Commissie voor de rechter daagde om te voorkomen dat het rapport openbaar zou worden gemaakt

Mbeki’s openingsrede plaatste de WVC onomwonden binnen de raciale context. «De bepalende parameter in onze voortdurende strijd voor nationale eenheid en verzoening is de raciale kwestie… Deze werkelijkheid van een op veroveringsmacht gegrondveste staat, die op dezelfde wijze werd gehandhaafd als waarop hij was veroverd, leidde onvermijdelijk tot de grove schendingen van de mensenrechten die de kern uitmaken van het werk van de Waarheids- en Verzoeningscommissie.»

Aangemoedigd door uitingen van verbijstering en afschuw van de kant van ANC-parlementariërs, zette Mbeki zijn opmerkingen kracht bij met citaten. Hij haalde aan wat de eerste Europese Afrika-reizigers over zwarten hadden gezegd. «In een woord, een beestachtig volk», volgens de Hollander Cornelius van Purmerend in 1609. «Ze eten… als honden… ze leven… als beesten», noteerde de Fransman Pyrard de Laval in 1610. «Het is te betreuren dat zulke schepsels als zij, er zo'n lieflijk land op mogen nahouden», vond de Brit Ralph Standish in 1612. Mbeki schetste deze raciale context om uit te leggen waarom de bevrijdingsstrijd een rechtvaardige oorlog was geweest en waarom het dientengevolge schandelijk was het ANC te beschuldigen van ernstige schendingen van de mensenrechten.

Het debat duurde zeven uur, tot diep in de nacht. Een van de laatste sprekers was NP'er Jacko Maree. Hij maakte deel uit van de vaste parlementaire commissie voor Justitie die de wetgeving voor de WVC had opgesteld, maar hij had de WVC consequent beschuldigd van vooringenomenheid. Zijn betoogtrant was zo bekend dat er nauwelijks naar hem werd geluisterd toen hij na een late avondpauze begon te spreken. Maar het was een andere Maree die op het spreekgestoelte stond. Zich tot Mbeki wendend zei hij: «Ik heb een toespraak voorbereid, mijnheer de vice-president, maar ik wil uitspreken wat in mijn hart is.» Alle formaliteiten waar hij gewoonlijk zo dol op is — «punt van orde», «mevrouw de voorzitter», «de geachte afgevaardigde» — liet Maree varen. «Eerst wil ik even zeggen dat ik niet over de juiste geloofsbrieven beschik — ik ben van middelbare leeftijd, blank, Afrikaner en man… uw toespraak heeft mij geschokt… de rillingen liepen me langs de rug… en ik dacht… op een verschrikkelijk moment zag ik in deze kamer de geest van Mugabe…»

Minister van Financiën Trevor Manuel: «Is de geachte afgevaardigde bereid een blaastest te doen?»

Maree: «Wat mij stoort en wat ik niet kan begrijpen, is waarom de vice-president citeert wat Jan van Riebeeck zei over de Khoi en wat blanken driehonderd jaar geleden over zwarten hebben gezegd — [het] is van geen enkel belang voor het heden, behalve dat het spanning teweegbrengt… waarom zet u blank af tegen zwart, terwijl we spreken over verzoening? Ik denk aan mijn toekomst… Ik denk aan de toekomst van mijn kinderen en ik twijfel aan hun toekomst als de volgende president van dit land dit soort opmerkingen maakt die ik niet begrijp.»

Het rumoer in de zaal werd oorverdovend. Maree zwaaide op zijn benen. Minister van Welzijn Geraldine Moleketi stond op om de voorzitter te vragen hem het woord te ontnemen. Hij had een toespraak, zei ze, maar hij zag dubbel en kon hem daarom niet voorlezen. «Dit is geen grapje, mevrouw de voorzitter, u moet deze man helpen!»

Of Maree aangeschoten was, doet er niet toe. Het feit dat Mbeki de WVC binnen de raciale kwestie had geplaatst, wekte kennelijk een gevoel van hulpeloosheid in hem op. Voor Maree werd Mbeki een Mugabe, voor blanke Zuid-Afrikanen de belichaming van zwarte haat jegens blanken, de man die de blanken verantwoordelijk houdt voor wat er verkeerd is gegaan, terwijl hij zelf tegenover niemand verantwoording hoeft af te leggen.

Welk woord, welke omhelzing zal ons Afrikaners bevrijden van de last uit het verleden? Kort voor het eindrapport uitkwam, interviewde ik iemand van de Duitse regering over schadevergoedingen aan slachtoffers. Aan joden buiten Duitsland werd meer dan honderd miljard dollar uitgekeerd, waardoor Duitsland in belangrijke mate meewerkte aan de herverdeling van welvaart. Duits geld maakte van Israel een geïndustrialiseerd land. We kennen de knieval van Willy Brandt. Als je dat vergelijkt met ons weinig indrukwekkende beleid, dan neem ik mijn petje af. Ik interviewde de leider van de joodse gemeenschap in Berlijn. «Hoe kunt u ook maar suggereren dat dit genoeg is, in het licht van wat zij hebben gedaan?» Mijn armen voelen loodzwaar. Tja, hij had gelijk. En dan: waarom wil ik zo graag dat het zou kunnen?

In een artikel in een Engelstalige krant vraagt een zwarte academicus: «We hebben Mandela die om verzoening smeekt, we hebben Tutu die om verzoening smeekt — waar o waar blijft de Afrikaner leider die ons verzoening brengt?» Inderdaad: waar is hij? Natuurlijk een «hij», dat kan niet anders.

Maar naarmate de maanden na de publicatie van het eindrapport verstrijken, begin ik langzaam iets anders te beseffen. Het onvermogen van de Afrikaner leiders toe te geven dat er iets verkeerd is gegaan en dat ze daarom iets verschuldigd zijn, heeft de Afrikaner niet alleen in een moeilijk parket gebracht, maar — wat handig uitkomt — tevens de onderdrukten de mogelijkheid ontnomen om in concreto te bepalen: dit zijn jullie ons verschuldigd.

Wij blanken — leden van het rijke blanke volksdeel, volgens de classificatie van Mbeki — proberen achter de voorwaarden te komen waarop we mogen blijven. We willen hier graag blijven wonen en hebben geaccepteerd dat we dat niet langer op onze voorwaarden kunnen. Daarom spitsen we onze oren om te horen wat de voorwaarden zijn.

Belastingen. Mbeki heeft het al genoemd: de overdracht van middelen. Is dat alles? Zegt hij: jullie geld in de vorm van belastingen is genoeg, maar bespaar ons in godsnaam jullie blanke zieltjes.We krijgen te horen wie wij zijn, wat we verkeerd hebben gedaan, maar niet wat we schuldig zijn. Waarom die vaagheid?

«Ik kan mijn oren niet geloven als ik hoor dat blanken nog steeds verteld moet worden wat ze moeten doen», zegt klinisch psychologe Nomfundo Walaza in een vraaggesprek, vlak voor het debat over de Waarheidscommissie in het parlement. «Ik weet het echt niet», zeg ik haar. «De strijd heeft mij geleerd te luisteren. In de jaren tachtig dacht ik dat ik met mijn pen, mijn toegang tot de macht en de media, een bijdrage kon leveren, maar ik had al snel door dat van mij iets heel anders werd verlangd. Wat de strijd wilde in die fase, waren mijn minibus en mijn faxapparaat. In die val wil ik geen tweede keer terechtkomen — ervan uitgaande dat ik weet wat zwarten van mij willen. Willen jullie wel dat wij om vergeving vragen? Willen de mensen niet liever wat Mbeki de ‹overdracht van middelen› noemt? En hoe moet die dan plaatsvinden? Willen jullie grond terug? Wat willen de mensen nou eigenlijk?»

We kunnen geen kant op. Zonder gemeenschappelijk platform waar namens de mensen gezegd kan worden wat ze willen, en de anderen met suggesties kunnen komen over hoe ze hen zouden kunnen tegemoetkomen, blijven beide partijen met respectievelijk woede en schuld zitten. Door niet precies vast te stellen wat er nodig is, blijven de blanken voortdurend blootgesteld aan verwijten. Als je nauwkeurig bepaalt hoeveel aan wie, dan kan dat worden aanvaard of afgewezen, maar er wordt tenminste gepraat tussen hen die de apartheid hebben overleefd en degenen die ervan hebben geprofiteerd. Soms bekruipt me het nare gevoel dat van de blanken alleen nog maar wordt verwacht dat ze als boksbal dienen. De schuld op zich nemen. Beledigingen incasseren. Rustig de bezette boerderijen verlaten. En waarom maken we dat geen onderdeel van de transactie? Hou je kop als we jullie beschuldigen, dat is verdomme het enige wat we van jullie vragen als we bezig zijn met onze wederopbouw, waar jullie part noch deel aan hebben. Ik zou er misschien geen bezwaar tegen hebben, maar ik wil het graag wel even horen.

Hoe succesvol was de WVC nu eigenlijk? Dat is de vraag die het meest wordt gesteld. Het antwoord is zowel eenvoudig als complex. Succesvol vergeleken met wat? Neurenberg? Chili? De rest van Zuidelijk Afrika? Uit gaande van de wetgeving voor de Commissie? Of van de verwachtingen van de Zuid-Afrikanen? Of van de internationale verwachtingen?

In Zimbabwe, Namibië, Mozambique, Chili en andere landen in Latijns-Amerika, kortom de meeste landen die in de afgelopen jaren de overgang naar democratie doormaakten, kregen de politici en generaals amnestie of ze verleenden het zichzelf. De Waarheids commissie deed iets nieuws: niet alleen moesten de schuldigen in het openbaar getuigen, maar ook de leiders van de politieke partijen verschenen voor de Commissie om verantwoording af te leggen voor hun beleid.

Toch is kritiek op de gang van zaken rond de WVC in Zuid-Afrika zo ongeveer de norm geworden. In kringen van zulke commissies in andere landen, de NGO ’s en de wetenschap wordt veel op de WVC aangemerkt, vanwege haar bevindingen of omdat te weinig recht zou zijn gedaan aan de slachtoffers. Op één na hebben alle politieke partijen de bevindingen afgekeurd. Gewone Zuid-Afrika nen zijn geneigd de WVC af te wijzen omdat zij — of het nu gaat om spijtbetuigingen, vergeving, rechtvaardigheid, schadevergoedingen of verzoening — onvoldoende heeft kunnen voldoen aan de wensen van de bevolking.

De eerste belangrijke les die getrokken moet worden uit het werk van de WVC is misschien wel dat een land heel duidelijk moet weten wat het van een waarheidscommissie wil. Wil het morele aansprakelijkheid? Of wil het af van een hoeveelheid onaangename juridische of politieke ballast uit het verleden? Wil het dat zo'n commissie de mensen die baat hebben gehad van het ondemocratische verleden, ertoe brengt te gaan betalen? Wil het vooral de onomstotelijke feiten en de namen van de schuldigen? Vrede tussen voormalige vijanden? Moet er een politiek doel worden nagestreefd? Een waarheidscommissie kan niet alle gebieden bestrijken zonder sommige dingen uit het oog te verliezen.

Een andere vraag is of het WVC-proces tot verzoening heeft geleid. Er zijn maar weinig mensen die dat geloven. Uit onderzoeken blijkt dat er onder de bevolking meer verwijdering bestaat dan vroeger. Uit literatuur over verzoening komt echter ook naar voren dat het «zich afwenden van elkaar» een belangrijke fase is op weg naar verzoening, want in een geschil is identiteit altijd het eerste slachtoffer, en het opnieuw bepalen van een identiteit is een fundamentele stap op weg naar verzoening. Volgens deze redenering behoort de verwijdering bij het herdefiniëren van de identiteit. Zwarten bepalen hun nieuwe identiteit aan de hand van Mbeki’s Afrikaanse wedergeboorte, Afri kaners doen het aan de hand van de Boerenoorlog. Het zich afwenden is een heel normale en essentiële fase op weg naar een nieuwe identiteit. Als die wordt veronachtzaamd, kan verstarring optreden en kunnen een of meer groepen terechtkomen in een permanente zoektocht naar identiteit, die zich vaak uit in agressieve vormen van etniciteit of nationalisme.

Verzoening als een mysterieus joods-christelijk proces is in Zuid-Afrika hoegenaamd onzichtbaar. Verzoening in Zuid-Afrika heeft meer iets weg van conciliant gedrag dat wetenschappers bij mensapen en mensen hebben waargenomen, een soort verzoening die niet is gebaseerd op ideologie of religie. De essentie van de Zuid-Afrikaanse verzoening is een instinctieve overlevingsdrang. De sleutel hiervoor ligt in onderhandelingen. Overlevingsdrang maakt deel uit van onze genetische bagage en het vermogen om via onderhandelingen te verzoenen is precies de reden dat bepaalde groepen er nog steeds zijn.

Door de jaren heen zijn de Zuid-Afrikanen meesters geworden in het onderhandelen, met alle overlevingsstrategieën van dien: het maken van keuzen, vluchtgedrag, rituelen, clementie, discussie, stuurmanschap en nationale consensus. Het doel moet niet zijn om pijnlijke onderwerpen te vermijden of uit de werkelijkheid te vluchten, maar we moeten de zoektocht naar de eigen identiteit blijven afleggen, een proces dat nooit ophoudt, en verschillen tussen de groepen door onderhandelingen in pluspunten omsmeden.

Nog een les: verzoening is geen lineair proces, maar een cyclus die vele malen wordt herhaald, omdat verzoening als manier om met een conflict in het reine te komen een van de basisgereedschappen voor overleven is. In deze cyclus heeft de WVC een rol van onschatbare waarde gespeeld.

Het proces loopt ten einde, maar het is daarmee geenszins voorbij. Enerzijds moet er een afsluitend gebaar komen. Anderzijds moest het maar voorbij zijn. Waarmee maar gezegd wil zijn dat de Zuid-Afrikanen, terwijl ze voor anderen lessen formuleerden, een van de belangrijkste lessen over het hoofd hebben gezien die ze van de Chileense Waarheidscommissie hadden kunnen leren, namelijk dat het proces binnen afzienbare tijd moest zijn geklaard.

De WVC heeft de weg geopend naar een cultuur van mensenrechten door opzettelijk — en soms tegen een hoge prijs — het begrip «ras» te overstijgen. Wat het meest telt, is de kleur van je hart. Voor de machthebbers is het nu zaak om die weg op een intelligente manier verder te banen, voor ieders welzijn. Maar de Zuid-Afrikaanse regering moet spitsroeden lopen. Ze moet zowel nationale trots vestigen, als vertrouwen en verantwoordelijkheid bijbrengen. Ze wil als zwarte regering op het Afrikaanse continent slagen; daarom moet ze zich wel bezighouden met «ras», om zwarte trots, zwart zelfvertrouwen te herwinnen. Tegelijkertijd moet ze de blanken omvormen tot loyale, nuttige burgers. Maar wil Zuid-Afrika in Afrika en in de wereld slagen, dan moeten we bovenal de vlam van menselijkheid brandend houden, die werd aangestoken door de verkiezingen van 1994, de grondwet en de duizenden overlevenden die voor de WVC hebben getuigd.

Antjie Krog (Kroonstad, 1952) is dichteres. Voor de Zuid-Afrikaanse nationale radiozender safm volgde zij de verhoren van de Waarheids- en Verzoeningscommissie. In zeer persoonlijk getinte reportages deed zij dagelijks verslag. Over haar ervaringen schreef ze het boek Country of My Skull (1998), dat dezer dagen als De kleur van je hart verschijnt bij uitgeverij Mets & Schilt. Dit artikel is een verkorte en bewerkte versie van het speciaal voor de Nederlandse editie geschreven nawoord van het boek.

Vertaling: Robert Dorsman en Ed van Eeden