H.W. von der Dunk

De kleurrijke stof van de historie

Met zijn grote afscheidsstudie over de Europese cultuurgeschiedenis van de twintigste eeuw schaart professor Von der Dunk zich in de rij cultuurpessimisten. En zijn fameuze slordigheid is hij nog niet verloren.

H.W. von der Dunk, De verdwijnende hemel: Over de cultuur van Europa in de twintigste eeuw.

Twee delen. Uitg. Meulenhoff, 496 en 576 blz, ƒ125,- (paperback) of ƒ175,- (geb.).

Tien jaar geleden nam H.W. von der Dunk afscheid als hoogleraar cultuurgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit van Utrecht. Dat hij drie jaar voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd wegging, had te maken met grote onvrede en verbittering. Na de democratiseringsbeweging van de jaren zestig en zeventig en de bezuinigingsgolf van de jaren tachtig waren het de wurgende bureaucratisering en het marktdenken die de deur dicht deden. Von der Dunk, die op negenjarige leeftijd met zijn ouders vanuit nazi-Duitsland naar Nederland kwam, is een typische representant van wat onze oosterburen met een onvertaalbaar woord aanduiden als Bildungsbürgertum. Een grote eruditie, brede culturele belangstelling, intellectuele nieuwsgierigheid en een welhaast lijfelijke weerzin tegen vergaderen maakten Von der Dunk in toenemende mate tot een vreemde eend in de academische bijt, waar het werven van fondsen stilaan belangrijker leek te worden dan het verrichten van wetenschappelijk onderzoek.

Nu was Von der Dunk te midden van de Nederlandse historici altijd al een buitenbeentje geweest. Een veelgehoorde klacht, die uitgroeide tot cliché, was dat na de dood van Huizinga, Geyl en Romein de Nederlandse historici waren verworden tot publiciteitsschuwe archiefratten en kamergeleerden, die hoogst specialistische verhandelingen schreven over futiele details, en dat in een jargon dat alleen door vakgenoten begrepen kon worden. Was dit beeld al enigszins overtrokken, op Von der Dunk was het in elk geval absoluut niet van toepassing. Hij deed regelmatig wél zijn mond open over actuele zaken, voelde zich nooit te goed om in kranten of tijdschriften te schrijven en maakte door middel van vele recensies historische vakliteratuur toegankelijk voor een breder publiek. Gezegend met een enorme feitenkennis was hij niet bang voor het brede gebaar. Von der Dunk was altijd al een historicus met zwier, die als enthousiasmerend verteller zeer geliefd was bij zijn studenten.

Vakgenoten waren soms wat minder positief in hun oordeel. Zo noemde zijn Amsterdamse collega Hans Blom hem ooit «de Theo Koomen van de Nederlandse geschiedenis». Deze legendarische sportverslaggever wist van saaie gebeurtenissen als de tien kilometer schaatsen of een doorsnee wieleretappe een zinderend evenement te maken. Waar de realiteit hem te weinig te bieden had, was hij niet te beroerd zijn rijke fantasie aan te boren. Zo bevond hij zich tijdens de Tour de France eens in het peloton, toen hij vernam dat er in de kopgroep gedemarreerd werd. Hij hoorde twee namen en verzon, op kilometers afstand, een bloedstollend duel tussen de twee wielerhelden. Helaas had de uitgebroken Franse wielrenner een dubbele naam, en reed hij eenzaam op kop. Blom zal Von der Dunk misschien niet voor fantast hebben willen uitmaken, maar de kritiek op diens slordigheid en soms erg losse omgang met de feiten werd door vakbroeders regelmatig herhaald.

Omgekeerd had Von der Dunk van veel collegae ook geen hoge pet op. In 1982 gooide hij de knuppel in het hoenderhok, met een artikel in de Volkskrant dat als titel had: De verteller mag weer uit de zandbak. Hierin keerde hij zich tegen de «neopositivisten», die van geschiedenis een «echte» wetenschap wilden maken. Waar het niet mogelijk bleek de modellen van de natuurwetenschappen te gebruiken, leenden deze historici het instrumentarium van de economen, sociologen of antropologen. Het leverde volgens Von der Dunk meestal bloedeloze, gortdroge en niet zelden irrelevante, maar altijd onleesbare studies op. Volgens hem werd het eindelijk weer tijd dat de historicus een verhaal ging vertellen.

De theorie van de geschiedenis was op dat moment een vrijwel zelfstandige discipline geworden, en de historici die zich hierin gespecialiseerd hadden, lieten dan ook niets heel van Von der Dunks in dezelfde tijd gepubliceerde boek De organisatie van het verleden. Het was voor hen niet moeilijk om handenvol fouten aan te wijzen in Von der Dunks excursie op «hun» gebied. Acht jaar later, bij Von der Dunks afscheid, was er het een en ander veranderd. De «neopositivisten» hadden veel terrein moeten prijsgeven aan historici die weer een verhaal wilden vertellen. Dit was zelfs doorgeschoten, en het zogenaamde narrativisme was verworden tot een nietszeggende variant van het postmodernisme. Dit ging Von der Dunk veel te ver, maar in zijn afscheidscollege legde hij nog eens de nadruk op het belang van de literaire vorm: «De zeggingskracht van een historische beschrijving blijft afhankelijk van de literaire middelen en er bestaat een geheime wisselwerking tussen deze middelen en de intensiteit waarmee de historicus zijn stof met de eigen denk- en belevingswereld doordringt. Die stof moet als het ware door zijn wezen zijn gehaald zoals een lap door een pot met verf. Uit een kleurloos wezen zal ook een kleurloos stuk stof te voorschijn komen. Wat de grote historici-vertellers maakt tot wat ze zijn, is dan ook juist niet het puur ambachtelijke, al is dat uiteraard onmisbaar. Het is de ruimte, die zij weten te scheppen rondom het directe feitelijke onderwerp.»

Bij zijn afscheid kondigde Von der Dunk aan een boek te zullen schrijven over de Europese cultuur in de twintigste eeuw. Tien jaar later is dat boek er. Met De verdwijnende hemel biedt Von der Dunk in ruim duizend bladzijden een terugblik op de voorbije eeuw. Het beeld dat hij ons schetst is, hoe kan het anders, allesbehalve zonnig. Terwijl in Europa de welvaart enorm is toegenomen, een indrukwekkend stelsel van sociale zekerheid is ontstaan, en in de wetenschappen enorme vooruitgang is geboekt, wordt tegelijkertijd de cultuur gekenmerkt door des oriëntatie en onzekerheid. Literatuur en beeldende kunst getuigen hiervan. De hoop op een gouden toekomst, hier of in de hemel, is volledig verdwenen. Voor Von der Dunk is dit een van de rode draden in de geschiedenis van de twintigste eeuw. Een andere is de onstuitbare emancipatie van groepen die rond 1900 in het verdomhoekje zaten. Dit ging gepaard met de afbraak van oude hiërar chieën, zowel in sociale verhoudingen als in de cultuur. Met onverholen weerzin schrijft Von der Dunk: «Die universele opwaartse beweging van de onderste lagen leidde vanzelf tot een neerwaartse beweging van de elites en de bovenlagen, die tot uiting kwam in de reductie van schaamtegrenzen en een algemene vrijheid en vulgarisering van taal en omgangsvormen.» Hieraan gepaard gaat een wild om zich heen grijpend infantilisme, zoals blijkt uit de populariteit van Disney films en knuffeldieren. De verdwijnende hemel, waaraan het boek zijn titel dankt, is heel duidelijk de cultuur van het Bildungs bürgertum. Hoewel hij op het eind een enkele slag om de arm houdt, is ook Von der Dunks toekomstvisie allesbehalve rooskleurig.

De opzet van dit boek is zeer ambitieus en Von der Dunk heeft erg veel overhoop gehaald. Dat alleen al is zeer lovenswaardig. Wie wil beoordelen hoe hij het er nu eigenlijk van af heeft gebracht, zal onvermijdelijk worden bevangen door een zekere schroom: kritiek impliceert al snel dat de criticus denkt dat hij het beter kan. Maar het is in elk geval mogelijk dit boek te beoordelen aan de hand van Von der Dunks eigen criteria — hoe zit het met de literaire vorm, en hoe kleurrijk is de lap historische stof die te voorschijn is gekomen uit Von der Dunks denk- en belevingswereld?

De openingszin is in dit verband even slikken: «Er zijn vele geschiedenissen van de Europese cultuur in de twintigste eeuw mogelijk en elke opzet blijft uiteraard een poging om naar het monoperspectivische verhaal te transponeren wat zich in oneindig veel verschillende perspectieven manifesteert.» Echt uitnodigend kun je dat niet noemen, en helaas staan er veel van dergelijke zinnen in dit boek. Af en toe vinden we een mooi beeld, een treffende metafoor, maar niet zelden krommen zich de tenen. Von der Dunk heeft afgezien van elke vorm van «dramatisering», hij plaatst figuren niet in een decor en gebruikt ze niet om het verhaal aan op te hangen. De vele, vele namen blijven wat ze zijn: namen. De literaire vorm, volgens Von der Dunk zo belangrijk, lijkt zich vooral te uiten in het overvloedig gebruik van dure woorden, zoals «paroxisme», «myriaden», «chtonisch», «vertebraat», «geapostrofeerd» en «mixtum compositum». Soms noopt zijn hang naar deftigheid hem zelfs tot het uitvinden van eigen woorden, zoals «theoreticaster». De notabelen van een dorp of stadje worden bij Von der Dunk «honorairen» genoemd, terwijl dit zelfs in het Frans niet bestaat en «honorair» in het Nederlands slechts wordt gebruikt als bijvoeglijk naamwoord. Erger nog is dat hij soms woorden verkeerd gebruikt. Zo schrijft hij dat, terwijl tijdens de oorlog frontofficieren vrij jong waren, «de operatieve leiding overal vanzelfsprekend in handen (was) van oudere tot oude heren…» Van Dale leert ons echter dat «operatief» ten onrechte wel wordt gebruikt voor «operationeel». Bovendien speelt in managementtheorieën operationeel leidinggeven zich af op het laagste niveau, en houden die oudere officieren zich dus bezig met de tactische of zelfs strategische leiding.

Dat Von der Dunk niet van de straat is, weet iedereen die wel eens een stukje van hem heeft gelezen of die hem op tv heeft gezien; dat hoeft hij er niet zo dik bovenop te leggen. Het lijkt nu of hij bang is geweest dat zonder dure woorden dit boek beschouwd zou worden als een testimonium paupertatis. En dat is natuurlijk flauwekul.

Von der Dunk stond reeds bekend als een enigszins slordig historicus. Willem Otter speer heeft dit ooit treffend beschreven: «Het grote gebaar heeft zich als een stormwind in de stijl van Von der Dunk gevestigd, er worden wel eens wat veel lettertjes op een hoop geblazen of helemaal van de pagina af.» Vaak betreffen die foutjes kleinigheden, zoals jaartallen die er net even naast zitten. Dat hij de grote muiterijen in het Franse leger laat plaatsvinden in 1916, in plaats van een jaar later, dat is geen ramp. Storender is het als hij, in een overzicht van de literatuur van na de Tweede Wereldoorlog, iets schrijft over de in 1955 verschenen roman van Ignazio Silone, Brood en wijn, waarvan De Arbeiderspers al in 1937 een Nederlandse vertaling heeft gebracht.

Slordig is ook dat Von der Dunk de Franse frontsoldaat aanduidt als «poulu», terwijl het «poilu» moet zijn, of dat hij Isherwood, Auden en Spender laat meevechten in de Spaanse burgeroorlog, wat ze in tegenstelling tot Orwell niet hebben gedaan. Gek is ook dat hij het boek van Walter Flex, Der Wanderer zwischen beiden Welten, aanduidt als een oorlogsroman, met als held de blijkbaar fictieve, en dus ook niet in het register opgenomen figuur van Ernst Wurche. In Robert Wohls, ook door Von der Dunk gebruikte boek The Generation of 1914 staan echter foto’s van zowel Wurche als Flex — terwijl er over het algemeen van roman figuren weinig foto’s bestaan. Het boek van Flex was dan ook een geromantiseerde biografie van een gesneuvelde vriend.

Is dit nu allemaal muggenzifterij? Ja, dat is het. Maar deze, vrij willekeurig gekozen slordigheden gaan op den duur behoorlijk irriteren, vooral omdat soms door de auteur een volkomen verkeerde voorstelling van zaken wordt gegeven. Als Von der Dunk de ontwikkelingen in de theologie na de Eerste Wereldoorlog behandelt, geeft hij een redelijk adequate samenvatting van de ideeën van Karl Barth. Maar hij voegt daaraan toe dat Barths theologie in Nederland door de gereformeerde kerk werd verwelkomd als «de verlossende stem waarnaar men lang had uitgekeken». Als de gereformeerden in het Interbellum, de fameuze dogmaticus Klaas Schilder voorop, nu ergens tegen waren, dan was het wel de theologie van Karl Barth. Hier komt Theo Koomen echt even om de hoek kijken.

Nog bonter maakt Von der Dunk het in zijn uiteenzetting over de communistische ideologie, waarbij hij Lenins kritiek op het positivisme aanduidt als «zijn befaamde empiriocriticisme». Nu heeft Lenin in 1909 een boek gepubliceerd getiteld Materialisme en empiriocriticisme, maar wie de ondertitel leest voelt meteen nattigheid: «Kritische opmerkingen over een reactionaire filosofie». Lenin valt in dit boek partijgenoten als Bogdanov, Bazarov en Loenatsjarski aan, die het empiriocriticisme van Mach en Avenarius trachtten te verzoenen met het marxisme. Hoewel Von der Dunk de Poolse filosoof Leszek Kolakowski in zijn boek noemt, heeft hij diens magistrale, driedelige Geschiedenis van het marxisme niet gelezen. Kennis van het socialisme is überhaupt Von der Dunks sterkste kant niet, zoals blijkt uit talloze slordigheden, omissies en fouten bij de behandeling van dit onderwerp.

Von der Dunk biedt ons een breed panorama op het Europa van de vorige eeuw, en zijn visie is misschien niet overdreven origineel maar toch interessant. Hij attendeert de lezer regelmatig op zaken die slechts weinigen weten, en zijn eruditie is enorm. Wie deze twee delen gelezen heeft weet in elk geval heel wat meer dan voor hij eraan begon. Als naslagwerk is Von der Dunks boek minder geschikt. Daarvoor staan er te veel slordigheden in, is het op veel terreinen incompleet, en zijn de keuzes te vaak aanvechtbaar. De hierboven genoemde lijst met slordigheden is verre van uitputtend. Boven dien zijn ze ontdekt op voor deze lezer bekend terrein, maar hoe betrouwbaar is Von der Dunk op de andere terreinen?