Michiel Adriaanszoon de Ruyter: De reis van 1664-1665

De kloeke mannen van De Ruyter

Michiel Adriaanszoon de Ruyter: De reis van 1664-1665
Ingeleid en bezorgd door P. Verhoog en L. Koelmans
Walburg Pers, 371 blz., e 39,95

Michiel Adriaanszoon de Ruyter (1607-1676) was de Vlissingse touwmakersknecht die zich opvocht tot grootste nationale zeeheld. Op elfjarige leeftijd werd hij bootmansjongen en binnen tien jaar was hij gezagvoerder van een koop- en kaapvaarder waarmee hij ongeveer alle zeeën van het westelijk halfrond bezeilde. Later trad hij in dienst van de marine. In 1654, 47 jaar oud, schreef hij dat hij erover dacht om kalm aan land te gaan wonen. Zijn loopbaan vol hoogtepunten had toen nog 22 jaar voor de boeg. Tot tijdens het zoveelste zeegevecht een deel van zijn rechtervoet door een kanonskogel werd verbrijzeld en hij vier dagen later de geest gaf.
Met Johan de Witt had hij de marine van de Verenigde Nederlanden gemoderniseerd. Hij zorgde voor betere maaltijden voor de bemanningen en verbeterde de discipline en het «seinwezen» teneinde tot een hechter gezamenlijk optreden te kunnen komen. Zeeslagen met Engelsen en Zweden, gevechten met Duinkerkse kapers, strafexpedities naar de moslims in Noord-Afrika: heldendaden verrichtte hij bij de vleet. Busken Huet schreef: «Wat verteld wordt over het bloedige karakter van de zeven grote zeeslagen die De Ruyter leidde, dwingt ons aan te nemen dat in totaal vast niet minder dan veertig- of vijftigduizend vijanden van de Nederlandse staat door De Ruyters bevelen de dood hebben gevonden.»
Vanaf zijn eigen tijd tot heden zijn aan de wereldvermaarde zeetacticus, die altijd sober en vroom leefde, stapels geschriften gewijd. Bovendien bleef zijn omvangrijke archief bewaard. Van niet minder dan 37 reizen bestaan nog zijn zelfgeschreven dagboeken. Een van deze journaals werd in 1961 uitgegeven door P. Verhoog en L. Koelmans in de onvolprezen reeks reisverslagen van de Van Linschoten-Vereeniging. De Ruyters woorden staan in zijn eigen spelling afgedrukt, met een uitvoerige inleiding, woordverklaringen en toelichtingen. Dit moeilijk te vinden boek uit 1961 is nu herdrukt. Opnieuw is een omvangrijke uitvouwbare kaart van het Atlantische gebied met de route van de vloot bijgevoegd.
In de zestiende eeuw vochten Engeland en de Nederlanden vaak samen tegen Spanje en Portugal, in de zeventiende vochten ze vaak onderling. Alle Nederlands-Engelse zee-oorlogen gingen om de rijkdommen van de wereld. Maar misschien nergens zo concreet als in het oorlogje in West-Afrika ging het om goud, ivoor, slaven en suiker.
Dit boek documenteert de geweldige inspanningen van de Nederlandse regering en topondernemers om de transatlantische mensenhandel voor ons land te behouden. De West-Indische Compagnie had in 1637 het sterkste Portugese fort in West-Afrika ver overd. Vanuit fort Elmina in het tegenwoordige Ghana verscheepte de Compagnie gevangen Afrikanen naar de suikerplantages in Brazilië. In Afrika deed de WIC vooral zaken met mensen uit Ashanti. Engelse handelaren hadden verderop aan de kust fort Cormantijn gebouwd, en dichtbij Elmina het fortje Cape Coast Castle.
De Europeanen leerden het koloniale bedrijf van elkaar. Prins Rupert von der Palts had in Nederland gestudeerd en gewerkt, en met Nederlandse voorbeelden rekende hij de nieuwe koning van Engeland, Charles II, en zijn broer James voor hoe lucratief de transatlantische handel kon zijn. In 1660 richtten zij een onderneming op die ze de Company of Royal Adventurers noemden. Met hulp van Engelse marineschepen bezetten de koninklijke avonturiers de WIC-fortjes op Goeree en bij Tacorary.
Het nieuws van de Engelse oorlogsdaden in West-Afrika bereikte Nederland in juli 1664. Vice-admiraal Michiel de Ruyter voer op dat moment met een vloot in de Middellandse Zee. Nog altijd verkochten christelijke zeerovers hun gevangen tegenstanders op de slavenmarkten van Cadiz en Sevilla, net zoals de moslims hun buit in Algiers en Oran verkochten. De Ruyter moest de Nederlandse scheepvaart beschermen en tegelijk met geweld of in ruil voor gevangenen of goud Nederlanders uit de slavernij zien te bevrijden. Terwijl De Ruyter probeerde Nederlandse slaven vrij te krijgen, bereikte hem een geheime opdracht van de Staten-Generaal: hij moest de Nederlandse handel in gevangen Afrikanen gaan beschermen.
Minder dan twee maanden na de Engelse overval zeilde de vloot langs Gibraltar naar het zuiden, een formidabele macht van twaalf schepen met 2275 man en 518 kanonnen. De bevolking van Tacorary vocht met de Engelsen tegen de Nederlanders, maar zij werden verslagen. De volgende ochtend (6 januari 1665) kwamen van het nabijgelegen fort Elmina twee- à driehonderd kano’s aanvaren, elk met drie of vier «kloeke» en welbewapende mannen. Hoewel de slag al was gewonnen gingen de hulptroepen onder luid gejuich aan land. Volgens de officiële lezing had De Ruyter aan de directeur-generaal van Elmina gevraagd om wat mensen te sturen «om de rommel op te ruimen». Het liep volkomen uit de hand: in de half verbrande dorpen vingen de mannen van Elmina sommige plaatselijke mensen en «kapten hun de hoofden af». De Ruyter en zijn mannen keken de andere kant op terwijl hun hulptroepen «als gekken dansten met de hoofden». De vice-admiraal schrijft zelf niets over de woeste gebeurtenis, die door anderen een massacre is genoemd. Wel vermeldt hij kort daarna dat bij de aanval op het Engelse fort Cormantijn de moed en roekeloosheid van matrozen en soldaten maximaal was opgejut. Op de dag voor het gevecht noteert hij: «Het is geresolvert het volck in onse gansche vloodt vrye pluynderage te geven.» De Engelse commandant gaf zich begin februari over. «Na het overgaan van het kasteel vielen de overwinnaars aan het plunderen», meldt tijdgenoot Gerard Brandt in zijn Leven van De Ruyter. «De buitzucht was onverzadelijk. Het volk was heet naar sterke drank en buit, en zoop zich vol aan moutbrandewijn. Door al dat drinken raakten velen aan het krakelen.» Bij de ruzies onder De Ruyters mannen vielen vijf doden.
In het fort en in de Engelse schepen lag een verheugend waardevolle buit te wachten, waaronder 150 pond puur goud. Fort Cormantijn werd herdoopt tot Fort Amsterdam. De kapitale buit dekte deels de kosten van de expeditie. De Ruyter kreeg nu uit Den Haag de op dracht ook aan de andere kant van de oceaan Engelse bezittingen te plunderen. In het Caribische gebied had hij op nieuw succes: vijftien maanden nadat de vloot was vertrokken, kwam ze rijk beladen thuis. Nederland jubelde. Zeven weken eerder hadden de Engelsen een ander deel van de vloot in brand geschoten, maar nu was het op de dijk bij Delfzijl wekenlang kermis.
Michiel de Ruyter kreeg een standbeeld in Vlissingen en ontelbare huldeblijken, maar zijn redding van de Nederlandse mensenhandel bleef gewoonlijk onderbelicht. Het journaal van 1664-1665 laat zien dat hij de gang van zaken aan de Goudkust voor de komende anderhalve eeuw heeft bepaald, zodat Nederlandse mensenhandelaren hier wettig hun beroep konden uitoefenen tot in 1813.
Tegelijk met de geschiedenis van de reis vertelt dit boek in de toelichtingen ook verrassend veel over koloniale ge schiedschrijving in het algemeen. Koelmans en Verhoog behandelen de zeventiende-eeuwse gebeurtenissen voortdurend zeer vaderlandslievend. De Engelsen zien zij als perfide figuren: de gentlemen gingen liever op roofvaart uit dan dat ze nijver handel dreven, zoals de Hollanders deden. Michiel de Ruyter werkte volgens hen in de koopvaart, «soms met wat kaperbedrijf daaraan verbonden». Nederlandse handelaren stonden er in het buitenland om be kend, vertellen de historici met branie, dat ze «een ei kunnen scheren». Maar als de Algerijnse moslims handel drijven, wordt er «met Oosterse sluwheid en Oosters geduld onderhandeld en gesjacherd». Alle buitenlanders zijn niet te vertrouwen. Voor echte, eerlijke mensen moet je bij Hollanders en Zeeuwen zijn, vooral bij mannen als De Ruyter (die als hun hulptroepen weerlozen vermoorden dapper de andere kant op kijken). Zo geeft dit belangrijke boek een gedetailleerd beeld van De Ruyters reis in de zeventiende eeuw én van de vaderlandslievende koloniale geschied schrijving minder dan vijftig jaar geleden.