Tuinman in het kamp

De klokkenluider van Auschwitz

Jaap van Duijn was als tuinman nabij de vernietigingskampen van Auschwitz getuige van vele gruwelen. Hij was de eerste die in Nederland joden probeerde te waarschuwen. Vergeefs.

Een lintje heeft de in 1982 overleden Jaap van Duijn nooit gekregen. Integendeel: de vertegenwoordiger in potten en pannen werd na de oorlog eerder als potentieel staatsvijand gezien. Hij was actief lid van de psp, was vaak te vinden op vergaderingen van de pacifisten in Arnhem en schreef aan de lopende band ingezonden brieven over de Vietnamoorlog. Bovendien was hij met zijn voorkeur voor Oost-Europese vakantiebestemmingen sowieso al een verdacht individu. De buren hadden al diverse malen heren van de bvd over de vloer gehad die meer wilden weten over het gedrag van de vreemde buurman. Toch, als iemand een onderscheiding had verdiend, dan was hij het. Van Duijn was namelijk de eerste ooggetuige van de massamoord in Auschwitz die een poging deed in Nederland joden te waarschuwen. Zijn relaas wordt door dr. L. de Jong in Het Koninkrijk der Nederlanden tijdens de Tweede Wereldoorlog in één alinea verteld. In december 1942 kwam de 22-jarige Nederlandse tuinman Jaap van Duijn, werkzaam bij de IG Farben-fabrieken in de omgeving van het Poolse Auschwitz, met verlof naar Nederland. Sinds de zomer van 1940 was hij bij een Duits bedrijf werkzaam dat hem in september 1942 naar Monowitz bij Auschwitz had gestuurd. Daar moest hij bij de kantoren en barakken van IG Farben (een grote fabriek voor kunstrubber) het groen aanplanten. Er werkten nog enkele andere Nederlandse arbeiders. Zij wisten allen wat in Auschwitz 1 en 2 gebeurde. ‘Ze roken de weeë, zoete lucht van de crematoria’, schrijft De Jong. Bovendien stonden ze in contact met Nederlandse gevangenen die bij de bouw van de IG Farben-fabriek waren ingeschakeld. De Jong: 'Die gevangenen zeiden dat de Joodsche Raad gealarmeerd moest worden. Dat leek riskant. Na overleg met een collega besloot Van Duijn dat hij als vrijgezel het waagstuk diende te ondernemen.’ Toen Van Duijn eind 1942 samen met zijn collega J. de Snoo met verlof in Nederland kwam, waarschuwde hij de vier joden die bij zijn ouders in Hengelo ondergedoken zaten. Op hun aanraden reisde hij naar de Joodsche Raad in Amsterdam. Daar kreeg hij een half uur de tijd om te vertellen over de gaskamers en de crematoria. 'Ze schrokken, ze waren ondersteboven’, schrijft De Jong, die Van Duijn in oktober 1970 eenmaal sprak. 'Waren ze overtuigd van de juistheid van hetgeen die22-jarige, hun volstrekt onbekende jongeman uit Hengelo meedeelde? Stellig niet: Van Duijn werd niet naar Asscher of Cohen meegenomen. Aan De Snoo zei Van Duijn trouwens op de terugreis dat hij bij de Joodsche Raad niet erg hartelijk ontvangen was; men had wél naar hem geluisterd maar er was twijfel geweest of hij misschien een provocateur was. Hij was er teleurgesteld door.’ Daar houden de mededelingen van De Jong op. Het verhaal van Van Duijn gaat echter verder. Hij ging namelijk terug naar Auschwitz. Dit op uitdrukkelijk bevel van zijn vader, een man die met harde hand over zijn gezin moet hebben geregeerd. De zoon van Jaap van Duijn, ook Jaap geheten: 'Mijn vader was na het bezoek aan de Joodsche Raad niet te troosten. In die tijd voerden Nederlandse politieagenten in hun straat weer joodse mensen af. Het huis van mijn opa was een soort doorgangshuis voor onderduikers. Soms zaten er wel zes. Mijn oom Frans vertelde: ‘We waren blij met die joden, want dan kregen we niet zo veel slaag van die ouwe.’ Die oom, vier jaar jonger dan mijn vader, werd in 1943 samen met hem naar Auschwitz gestuurd. Zo had mijn opa het besloten. Hij moest mijn vader maar gezelschap houden in die hel. Anders zou er thuis wel eens een huiszoeking kunnen komen, met alle ellende van dien.’ De twee broers uit Hengelo bleven tot aan het eind van de oorlog in Auschwitz, in de directe omgeving van de vernietigingskampen, en waren getuige van vele gruwelen. Van Duijn jr.: 'Bij de fabrieken van IG Farben zagen ze hoe joodse dwangarbeiders met elkaar op de vuist gingen om een schop te bemachtigen om maar te kunnen werken. Ze zagen met eigen ogen hoe de Kapo’s van Auschwitz de schedels van hun gevangenen insloegen. Mijn oom vertelde me hoe de IG Farben-fabriek werd beschermd tegen bombardementen. Voor de luchtaanvallen reden er wat mensen rond op een fiets. Die draaiden kraantjes van vaten open die rondom de fabrieken waren geplaatst. Hierdoor ontstond een chemische reactie en een op wol lijkende witte rook. Daardoor werd de Engelse vliegtuigen het zicht ontnomen.’ Jaap van Duijn sr. bleef tot na de bevrijding van Auschwitz door de Russische troepen op 27 januari 1945 in Polen. Broer Frans was al in het spoor van het vluchtende Duitse leger westwaarts getrokken. Jaap bleef echter om zijn zwangere echtgenote bij te staan. Op 3 april 1945 was hij met een jonge Poolse uit Auschwitz getrouwd. Zijn eerstgeboren kind zou snel na de geboorte overlijden. Eenmaal terug in Nederland, was hem opnieuw niet veel geluk gegeven. Van Duijn jr.: 'Er waren veel spanningen thuis. Dat kwam vooral door de cultuurverschillen. De asbakken vlogen door de kamer. De grootste fout die mijn oma maakte toen haar zoon uit de oorlog uit Polen terugkwam, was hem een nachtzoen geven in de slaapkamer. Dat heeft mijn moeder haar nooit vergeven. Een moeder die een zoon in de nabijheid van zijn vrouw in de slaapkamer komt zoenen, dat bestond in haar Poolse dorp niet.’ Van Duijn herinnert zich zijn vader vooral als een hypochonder, een nerveuze en onzekere man. 'Mijn vader was voor mij een groot kind. Dat al op je achtste van je eigen vader vinden is erg deprimerend. Ik zie hem nog op een afgebladderde houten keukenstoel onder de delftsblauwe handkoffiemolen zitten huilen omdat zijn auto weer niet wilde starten, terwijl hij zijn aardewerken potten nog moest verkopen op de markt. Hij werd dan ook opgenomen. Na een paar maanden, nadat hij ongeveer tien elektrische stroomstoten had ontvangen, ontsnapte hij en vluchtte naar zijn moeder. Eenmaal opgeknapt zette hij weer een commissiehandeltje in potten op en bezocht bijna alle bloemenzaken en kwekerijen in het land. Soms kwam hij me van school halen en dan zei hij dat er iets was in de familie. Dan reed ik de hele dag met hem mee. Tijdens mijn middelbare-schoolperiode groeiden we totaal uit elkaar. Hij werd lid van de psp, stortte zich in de Vietnamoorlog en schreef het ene ingezonden stuk na het andere. Ik ging varen bij de Holland-Amerikalijn en wilde niets weten van het communisme.’ Thuis praatte de gewezen tuinman van IG Farben nooit over zijn ervaringen in de oorlog. Hij had zelfs het boek van dr. L. de Jong niet in bezit, waarin zijn actie van december 1942 beschreven stond. Pas na zijn dood ontdekte Van Duijn jr. wat zijn vader in de oorlog had gedaan. Ook ontdekte hij de dagboeken die zijn vader in Auschwitz had bijgehouden, zijn archief met knipsels over de Duitse vernietigingskampen en zijn brieven aan dr. L. de Jong van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie en aan de redacties van diverse omroepen en kranten met het – telkens vergeefse – verzoek om hem over zijn ervaringen aan het woord te laten. Met De Jong – die hij slechts eenmaal te spreken kreeg – voerde Van Duijn sr. een correspondentie over de vraag waarom de geallieerden toch niet waren overgegaan tot het bombarderen van de vernietigingskampen. 'Die zaak is nog niet opgehelderd’, schreef De Jong hem op 6 oktober 1967. 'Maar het was in elk geval met de toenmalige bombardeertechniek praktisch uitgesloten kleine objecten als de gaskamers van grote hoogte te treffen en de Amerikanen moesten dus aannemen dat bij een zwaar bombardement de meeste bommen in het kamp zouden vallen. Misschien zou dat toch beter zijn geweest.’ Jaap van Duijn stierf aan kanker in een ziekenhuis in Bulgarije, waar hij tijdens een vakantie ziek was geworden. Van Duijn jr.: 'Mijn vader stierf aan de ziekte waarvoor hij altijd panisch was geweest. Hij werd vastgebonden aan zijn bed omdat hij krabde aan zijn operatiewond en bedelde om water dat hij niet mocht drinken. Mijn moeder mocht nog afscheid van hem nemen in een kelder, waar ze hem vond tussen ongeveer 25 andere lijken waarop reeds sectie was verricht. Hij was in vergelijking met de rest nog redelijk intact, maar hij was van hals tot buik opengesneden. Van ongeveer tien meter afstand heeft ze hem als laatste vaarwel gezegd. Pas lang na zijn dood vroeg mijn moeder me tussen neus en lippen door of ik de dagboeken die mijn vader had geschreven wilde hebben, anders gingen ze de kachel in. Door die te lezen, plus wat er bij De Jong over mijn vader geschreven staat, begon ik hem pas echt te begrijpen. Ik las over de verschrikkelijke bombardementen op de omgeving van Auschwitz, waarbij alleen de vernietigingskampen werden gespaard, over het moorden, over het overlijden van zijn eerste kind. Ik vind het nu een jammerlijk gemis dat ik niet bij zijn sterven aanwezig was. Misschien had hij dan zijn geheimen aan mij verteld. Waarom hij dat niet eerder heeft gedaan, is mij een raadsel. Misschien stak ik zelf te veel mijn kop in het zand. Nu, in het jaar 2000, heeft hij mijn ogen geopend en ben ik ontzettend trots op hem. Hij heeft tenminste iets geprobeerd.’