Essay Een geschiedenis van de publieke opinie

De klomp die nooit breekt

Door internet kan iedereen op gelijkwaardige wijze meedoen aan het publieke debat, zodat vanzelf ‘de publieke opinie’ of zelfs ‘de volkswil’ zal komen bovenborrelen. De droom van Rousseau. Geruststellend is het niet.

Medium 11 11 05 groene 3

‘DE MASSA IS DE HEERSERES VAN HET HEDEN.’ Dat schreef Gustave le Bon in 1895 in zijn boek dat aan de wieg stond van de klassieke massapsychologie, La psychologie de la foule. 'Op het ogenblik, dat zij tot een massa behoren, zijn ontwikkelden en geleerden in gelijke mate tot waarnemen onbekwaam.’ Sterker, de mens verliest dan zijn individualiteit en wordt door instincten gedreven, zoals het dier.
Voor Le Bon heette de pers, door de opkomst van de massakranten, 'de koningin der aarde’. Nu, meer dan een eeuw later, noemen velen de publieke opinie 'de heerseres van de politiek’, politici zelf niet in de laatste plaats. Daarmee is 'het volk’ niet alleen in tijden van onvrede en opstand maar elke dag in ieders hoofd. Wat vindt het volk vandaag? De thermometer wordt er voortdurend in gestoken om de meningen te peilen.
Zo breken velen zich het hoofd over vragen als de gewenste invloed van het volk, de waarde van 'de publieke opinie’, en (weer) over de vraag hoe de soms destructieve werking van de massa te voorkomen is. Voor de angst dat het uit de bocht gaat vliegen zijn diverse oorzaken aan te wijzen. De onzekerheid van de elites - altijd nodig om een harde kern ontevredenen tot een massa-in-beweging te laten aangroeien - is er een. De financiële crisis is hier mede debet aan. De groeiende zichtbaarheid van de massa op straat is een andere.
Wat het meeste opvalt in de afgelopen tien jaar is de atavistische terugkeer naar opvattingen over 'de massa’, oftewel de telkens oplaaiende link tussen massa en foute leider, de klonen van Hitler. Dat was met Fortuyn zo, dat was met Wilders zo, en dat lot overkomt nu Angela Merkel die in Griekenland op posters in een SS-uniform wordt afgebeeld. De massa, de fascistische Führer en de meest vernietigende oorlog ooit, het is weer een ijzeren combinatie geworden, hét ijkpunt voor veel mensen die angst hebben voor het heden.
Wie dieper wil nadenken over begrippen als volk, massa en publieke opinie wordt in eerste instantie overvallen door hulpeloosheid. Waarom? De eerste verklaring is de simpelste: we gebruiken geen woordenboeken meer om op te zoeken wat de woorden eigenlijk betekenen. De tweede verklaring is de teloorgang van de massapsychologie en de geesteswetenschappen in het algemeen ten gunste van sociale psychologie, communicatiewetenschappen en mediastudies.
Wie, zoals ik, begin jaren zeventig geschiedenis ging studeren kwam in een wereld terecht waarin de boeken van de zachtmoedige 'freudomarxist’ Erich Fromm, zoals Angst voor de vrijheid (1941), werden gelezen en bediscussieerd. Fromm droeg een waaier van disciplines in zich. Of het poëtisch-mythische magnum opus van Elias Canetti, Massa en macht (1960), dat zó veel disciplines herbergde dat er geen enkel stempel op te drukken viel. In 1982 kreeg hij dan ook de Nobelprijs voor de literatuur.
En er was Jürgen Habermas met zijn Strukturwandel der Öffentlichkeit (1962), over het ontstaan van de 'publieke sfeer’ in de achttiende eeuw. Habermas was op zoek naar het antwoord op de vraag in welke tijd en in welk land het - in tegenstelling tot zijn eigen Duitsland - wél tot een gezond en rationeel debat was gekomen, als tegenwicht tegen de absolutistische macht. Hij en zijn voorgangers van de Frankfurter Schule, de émigrés Theodor Adorno en Max Horkheimer, hadden in deze naoorlogse tijd de aandacht verlegd van de massapsychologie naar abstractere dwangsystemen, zoals het kapitalisme. Dat oefende, zo ontdekten Adorno en Horkheimer in Amerika, misschien wel net zo'n verderfelijke invloed uit op het volk als het nazisme, namelijk in de gedaante van 'de cultuurindustrie’. Die uiterlijk zo weldadige industrie bracht de mensen niet en masse in beweging, maar maakte hen juist tot bankzittende passieve zombies.
De massapsychologie bestond na 1970 in feite niet meer. Al kon je bij boekhandel Van Gennep aan het Amsterdamse Spui nog wel eens gestencilde brochures kopen van freudianen als Wilhelm Reich, zoals Fascisme en massapsychologie. In 1934 had Reich de oorzaak van de zege van Hitler al gevonden in 'de seksueel gefrustreerde kleinburger’ die wegens zijn frustratie was verleid en bevredigd door de 'erotisch-aantrekkelijke uiterlijke vormen van het nationaal-socialisme’. Een conclusie die sommige naoorlogse cultuurhistorici overigens ook zouden trekken.
Maar de wetenschappelijke discipline van de massapsychologie, ondergebracht in het Baschwitz Instituut, was na het overlijden van de gelijknamige stichter ervan, Kurt Baschwitz, in 1968 opgegeven. Baschwitz, van oorsprong een Duitse journalist, werd in Nederland vooral bekend om zijn boek Denkend mens en menigte, dat in 1940 verscheen en voor het laatst herdrukt werd in 1973. Ook hij had al een genuanceerdere opvatting dan Le Bon, getuige alleen al de ondertitel: 'De massapsychologie en het gedrag van de massa: de lijdzame meerderheid en de gewelddadige minderheid’. Niet alleen was de massa ook tot grootse dingen in staat, als het verkeerd ging lag dat vooral aan de omstandigheden en de leiders. Napoleon was zijn voorbeeld in deze.

DE ONZEKERHEID IN HET HEDEN OVER 'DE MASSA’ zou wel eens te maken kunnen hebben met het feit dat niemand die oude klassiekers meer leest. Socioloog Abram de Swaan, die in een interview in 2004 dit feit terecht betreurde, wist wel waarom dit was. Hij formuleerde het zo: 'Net zoals mensen die leven in een gekoloniseerde samenleving denken we dat onze baas alles veel beter weet. En onze baas, dat zal ik bij deze gelegenheid eens verklappen, is Amerika.’
Dit betekende dat massapsychologie onderdeel werd van de sociale psychologie, de dominante stroming in het veel pragmatischer Amerika. In het algemeen heersten daar het sociologische relativisme en het behaviorisme. Men geloofde dat de mens bijna onbegrensd maakbaar was. Als de basis van een maatschappij redelijk was georganiseerd, dan was die maatschappij gezond. Voor psychische stoornissen waren dus fouten in het individu verantwoordelijk. De 'gestoorden’ waren simpelweg niet in staat zich voldoende aan te passen. Het behaviorisme hield ook de overtuiging in dat wetenschap alleen dat was wat je aan het uiterlijke gedrag kunt zien, en dus kunt meten. Voor mensen die de godsdienst, de antropologie of de historische context, inclusief de mythen in het hoofd, erbij haalden om de gezondheid van mens en samenleving te beschrijven en analyseren was geen plaats meer. Niet dat de Amerikanen niet waren geïnteresseerd in de zaken waar Freud en Fromm zich voor interesseerden, zoals 'de autoritaire persoonlijkheid’, maar in de nieuwe sociale psychologie werd laboratoriumonderzoek troef.
Dat leidde tot baanbrekende conclusies, zoals de 'cognitieve dissonantie’ van Leon Festinger en de gevoeligheid van de meerderheid der mensen voor autoriteit. Philip G. Zimbardo bewees medio jaren zestig met zijn gevangenisexperimenten hoe hoog de doorsnee mens, als hij zich gelegitimeerd voelt, scoort op de 'F-schaal’, waarbij F staat voor fascisme. Hij schrok hier zo van dat hij zich pas na de excessen in de Abu Ghraib-gevangenis in 2004, vier decennia na zijn experimenten, ertoe kon zetten om zijn bevindingen te publiceren, in Het lucifer effect: Hoe gewone mensen zich laten verleiden tot het kwaad (2007).
Ondanks al deze successen van laboratoriumonderzoek heeft de teloorgang van de massapsychologie ernstige gevolgen gehad, misschien wel juist voor Nederland. Niet omdat al dat statistische meet- en telwerk - zie Diederik Stapel - uit de bocht kan vliegen, maar vooral omdat dit ten koste is gegaan van de oude traditie van de begripsgeschiedenis. De ene na de andere conclusie wordt gepresenteerd, hoe minimaal het onderzoekje ook was, maar het aanbrengen van het grotere verband, de bredere historische context, oftewel de veranderende aard van de maatschappij en de veranderende mentaliteit onder de mensen, dat heeft moeten wijken voor het specialisme.
En een goed begrip van de dingen begint bij een goed begrip van de begrippen zelf. Vervolgens dient te worden bezien in welke tijd en in welke omstandigheden en door wie en waarom deze begrippen werden geformuleerd en gebruikt. Welnu, massa is Latijn en betekent klomp, en is vrouwelijk. Dat laatste is belangrijk, want Hitler meende in navolging van Le Bon dat de massa net als de vrouw gemakkelijk te verleiden is, het liefst ’s avonds als men moe is en dus weinig rationele weerstand meer kan bieden aan de verbale en visuele 'orgastische’ rituelen op het podium.
De waarde van Canetti was onder meer dat hij niet, zoals tegenwoordig, de massa als één vaste klomp met altijd dezelfde eigenschappen zag, maar tal van massa’s onderscheidde: de 'hetzemassa’ die op doden uit is, de 'vluchtmassa’, de 'verbodsmassa’ die in opstand komt tegen regels, de 'omkeringsmassa’ die zich tegen de machthebbers keert en op revolutie uit is, en natuurlijk de 'feestmassa’. In al die massa’s is er wel een 'dragend affect’, en het doel is vaak hetzelfde: de ontremming, de bevrijding uit het maatschappelijke keurslijf, de ontlading. In het ontstaan en de groei van de massa - vaak rond een vaste, weloverwogen groep, het 'massakristal’ - zijn ook gemeenschappelijke kenmerken te onderscheiden. Het belangrijkste is de wil tot groeien, de noodzaak richting en doel te vinden, en een ritme dat de samenhang garandeert. >
Het grote verschil tussen de hedendaagse laboratoriumwetenschappers en de filosofen, psychologen en sociologen van de klassieke massapsychologie is dat de laatsten de massa - vooral de massa in tijden van conflict en oorlog - zelf aan den lijve hadden ondervonden. Nietzsche was in 1870 enige weken hospitaalsoldaat in de Frans-Duitse oorlog. Zijn conclusie was dat Pruisen voor de cultuur een 'uiterst gevaarlijke macht’ was. En over de massa schreef hij: 'Mij lijkt de massa maar om drie redenen een blik waard: als vage kopie van grote mannen, met een versleten plaat op slecht papier gedrukt, vervolgens als verzet tegen die grote mannen en ten slotte als werktuig in de handen van grote mannen. Voor de rest mag ze dansen voor de duvel en de statistiek.’
Gustave le Bon had in 1871 de Parijse Commune meegemaakt, de burgeroorlog tussen Parijs en de rest van Frankrijk. Toen Parijs was onderworpen, duizenden waren gedood en het stadscentrum was vernietigd, waren waarnemers als Le Bon voor het leven getekend. Zij konden alleen het destructieve in de massa zien, terwijl het grote feit van de massamaatschappij van alledag sinds 1870 juist het omgekeerde was. Die zich emanciperende massa liet zich namelijk in hoge mate braaf organiseren, in vakbonden en zuilen bijvoorbeeld. Maar ook Freud, Reich, Fromm en Canetti en na hen de leden van de Frankfurter Schule schreven varianten op 'Het ik en de psychologie van de massa’ onder invloed van de verwoestende Eerste Wereldoorlog, de chaos en demonstraties tijdens de Weimar Republiek of, natuurlijk, de vernietigingsdrift van het nazisme.

DIE KOPPELING TUSSEN MASSA, LEIDER EN OORLOG is ook 65 jaar later de sterkste associatie gebleven. Het is een begrijpelijke maar eenzijdige associatie. De massa was natuurlijk altijd aanwezig in de geschiedenis, denk aan het brood en spelen in het oude Rome, maar is toch vooral een fenomeen van wat 'de moderniteit’ wordt genoemd. En die massa heeft in sociologisch en politiek opzicht in continentaal Europa een veel zichtbaardere en ingrijpender rol gespeeld dan in Engeland en vooral Amerika. Begrip van de woorden is ook hier illustratief. La foule betekent zowel menigte als massa. In het Duits heeft men het meestal over Die Masse. In Amerika, waar de democratie van 'we, the people’ en de grondwettelijke gelijkheid der mensen de basis is van de politieke cultuur, spreekt men nooit over massa, altijd over menigte: The Lonely Crowd (David Riesman, 1950), The Wisdom of Crowds (James Surowiecki, 2004), enzovoort. In Engeland spraken psychologen uit de tijd van Freud, zoals William McDougall, al niet over 'de massa’ maar over 'de groep’ (The Group Mind, 1920) en heeft men het altijd over the public, of the publics. Deze benamingen duiden op grote verschillen in de politiek-culturele opvattingen over de juiste verhoudingen in de democratie.
Misschien komt de huidige verwarring over begrippen als volk, massa, democratie en publieke opinie in Nederland ook wel voort uit het feit dat wij geestelijk nog altijd leven in de wereld van de typisch Franse en Duitse opvattingen over 'de massa’, terwijl we al een halve eeuw meedeinen met de Amerikaanse opvattingen over wat psychologie en communicatie zijn, namelijk 'who says what through which channel with what effect’; we bestuderen vooral wie gisteren wat zei en wie daar weer op reageerde zodat ’s avonds de talkshow weer is gevuld.
Het kan dus zijn dat dit geheugenverlies over de ontwikkelingsgang van de massapsychologie de huidige angst versterkt niet meer te weten hoe de dingen te duiden. En misschien komt er nog wel iets bij, iets waar Canetti en vooral Fromm op hebben gewezen. Volgens Canetti is de mens een asociaal wezen, dat zich alleen veilig en geborgen voelt in de massa. Als die massa uit elkaar valt, ontstaat de paniek, namelijk over het feit dat hij weer alleen staat tegenover de boze en chaotische buitenwereld. Fromm benadrukte juist dat de mens een sociaal wezen is, uit op liefde - met liefde voor God of de leider als second best option. Wat hij in het welvarende Amerika zag was iets anders. De groeiende welvaart had het probleem van het eigen bestaan eigenlijk alleen maar groter gemaakt. Verlies van individualiteit en identiteit leidde tot een extreem conformisme. De mensen 'lopen niet meer het gevaar slaven te worden, maar robotten’. Zo gezien komt de huidige paniek mede voort uit het wegvallen van een dominante levensvisie, van de 'group think’ van de afgelopen decennia over hoe de wereld eruitziet en zou moeten zien.
Want is het niet vreemd dat we nu blijkbaar zijn vergeten dat 'de massa’ nog tot eind jaren zestig werd gezien als de noodzakelijke voorwaarde voor revolutie, al dan niet geleid door een 'avant-garde’ van het type Lenin of Mao? En dat de geschiedenis van de emancipatiebewegingen en de arbeidersbeweging die eind negentiende eeuw zo sterk opkwamen in West-Europa nu onder het tapijt wordt geschoven? Dat is des te opmerkelijker omdat, naast de massaslachtingen van de wereldoorlogen, het sociologische fenomeen van de opkomende massa’s in de grote steden hét blijvende kenmerk is van de 'moderniteit’. De groeiende zichtbaarheid van Jan de Arbeider, of zoals de burgerij toen zei Jan Hagel, op straat heeft bij de burgerij de angst voor de massa bepaald. De drang zich van Jan Hagel te onderscheiden werd kenmerkend voor die tijd. In deze sociologische zin lijkt de huidige tijd erg op de periode rond 1900. Met dit verschil: toen ging de pessimistisch geworden burgerij geaffecteerder praten en meer parfum gebruiken om nieuwe afstand te creëren. Nu kan de burgerij alleen nog laten zien dat ze beter is door niet te roken.

OVER DE BEGRIPPEN 'HET VOLK’, 'de persvrijheid’ en 'de publieke opinie’ lijkt dezelfde onkunde te heersen als over 'de massa’. In 1751 publiceerde de Franse schrijver/filosoof Denis Diderot het eerste deel van de Encyclopédie, wat hem tot een voorman van de Verlichting maakte. Er kwamen vele delen, er werkten nog meer mensen aan mee. Het was de Wikipedia van die tijd. Diderots streven was duidelijk: elk individu toestaan iedere kennisbehoefte over al het bestaande in deze wereld te bevredigen. De Encyclopédie 'zal de kracht geven om de gangbare denkwijzen van mensen te veranderen’. Rond diezelfde tijd introduceerde Rousseau het begrip l'opinion publique. Het werd een omstreden begrip omdat een definitie ervan moeilijk is vast te pinnen. Publiek betekent voor iedereen toegankelijk - is ook afgeleid van populus, volk - maar betekent ook de staatszaken betreffende, de res publica. En wat is een opinie? Volgens Plato is een mening minder dan kennis, maar meer dan onwetendheid.
Habermas heeft uitvoerig betoogd hoe in die achttiende eeuw de opkomende burgerij, in samenhang met kapitalisme en individualisme en het rationele verlichtingsdenken, een 'publieke sfeer’ creëerde, los van kerk en vooral staatsmacht. Die publieke sfeer werd gekenmerkt door de kracht van de uitwisseling van rationele argumenten in koffiehuizen, salons en Tischengesellschaften. De kracht van het argument verving de kracht van de adellijke titel, en zo werd de publieke opinie een wapen in de strijd tegen het absolutisme. Dat het er aan de vooravond van de Franse Revolutie helemaal niet zo rationeel aan toeging, heeft Robert Darnton wel aangetoond. Veel van die politieke literatuur was vooral morele kritiek op de celebrities van die tijd. Hij noemt het 'politicopornografie’, treffend geuit in boek (en film) Les liaisons dangereuses.
De vraag was natuurlijk hoe je die als goddelijk voorgestelde publieke opinie kon destilleren uit al die verschillende individuele meningen. De oplossing: het was niet de opinie van 'de massa’, nee, het was, zoals Vincent Price in Public Opinion (1992) heeft opgemerkt, een 'anoniem en onpersoonlijk tribunaal’. Een nieuw 'gerechtshof’ dat eigenschappen had die de oude absolutistische autoriteit ook hadden gekenmerkt: 'onfeilbaarheid, uiterlijkheid en eenheid’.

IN NEDERLAND VERKONDIGDEN DE PATRIOTTEN eind achttiende eeuw dezelfde zegeningen van totale openheid, met als startpunt het dikke hekelpamflet Aan het volk van Nederland (1781) van Joan Derk van der Capellen tot den Pol. 'Boeken maken geen opstand (…) Men heeft geen recht, om het volk dom en onwetend te houden, onder ’t voorwendsel van opstand en verwarring voor te komen.’
Geloof in de maakbaarheid van mens en maatschappij en in de totale openheid en transparantie in de politiek was ook het uitgangspunt van patriotten als Lambert van Eck. Ook hij schreef een Encyclopédie. Onder het lemma over persvrijheid trok hij dezelfde conclusie als Diderot: 'Drukpers: behoort onbepaald vrij te zijn; zedert deze uitvinding zijn de menschen omtrent hunne belangen verlicht geworden (…) Geschriften over het staatsbestier, indien zij waarheid bevatten, behoren niet verboden te worden, omdat de waarheid te stuiten alle verbetering belet; indien zij leugens behelzen wederleggen zij zichzelven, of vinden ras een voorstander der waarheid, die het publique beter onderricht.’
Van Eck bepaalde, als voorzitter van de Nationale Vergadering, in 1797 dat alle beraadslagingen in de Bataafse Republiek openbaar moesten worden gemaakt en in ruime mate moesten worden verspreid onder de bevolking. Zo kon iedere burger meepraten over ’s lands toekomst. Het gevolg? Over de noodzakelijke nieuwe grondwet brak een ware pamflettenoorlog uit, vol laster en leugens, zodat binnen de kortste keren, in 1798 al, een coup werd gepleegd en de censuur opnieuw werd ingesteld. Lambert van Eck zelf werd al snel van held tot schurk en in de gevangenis gegooid. De burgerij bleef ook na de restauratie in 1814, onder koninklijk gezag weliswaar, aan de macht, maar vond al snel niet meer dat alles moest kunnen worden gezegd en gedaan. Zo moesten eind negentiende eeuw allerlei vrijheden opnieuw worden bevochten, al bleef ook daarna tot ver na de Tweede Wereldoorlog onder de confessionele regeringen de angst voor de massa en te veel vrijheden een dominant gegeven. De zedelijkheidswet (1911), de filmkeuring (1919) en de omroepwet (1930) getuigen ervan.
Maar het begrip publieke opinie ontwikkelde zich na 1800 intussen wel verder. De Britse utilitaristen Jeremy Bentham en John Stuart Mill gaven er - vanuit hun adagium 'het grootste geluk voor het grootste aantal mensen’ - een formele politieke betekenis aan: de optelsom van de individuele meningen van het electoraat. Toen dat electoraat eind negentiende eeuw steeds groter werd, de massa steeds opstandiger en zelfs de revolutie niet ver weg meer leek, ontstond tegenover dat vooruitgangsgeloof een conservatieve, soms racistische stroming die steeds pessimistischer werd over de morele en ook fysieke 'Entartung’ (Max Nordau, 1893) van de massamens. De stroom doemdenkers liep via Oswald Spengler, José Ortega y Gasset door tot 1945. En in Nederland nog langer, want na Johan Huizinga gaven in de jaren vijftig cultuurhistoricus P.J. Bouman en futuroloog Fred L. Polak hun doemvisies ten beste over de vereenzaamde en afgestompte 'massamens’. Overigens rekende Ortega y Gasset (en ook Huizinga na hem) onder die 'massamens’ ook de 'geleerde barbaar’ of 'barbaarse geleerde’, aangezien die wel een specialisme had ontwikkeld maar niet over kennis van de cultuur en de geschiedenis beschikte.
Het waren de Amerikanen die de kring van de publieke opinie uitbreidden van het electoraat tot de hele bevolking. De pionier George Gallup zei in de jaren dertig dat hij al dat opiniepeilen deed uit democratische overwegingen, namelijk als middel zodat 'de stem van het volk duidelijker kan worden gehoord’ door de machthebbers. Toen na 1945 duidelijk werd dat opiniepeilingen zelf een institutionele speler werden in de politiek kwam de kritiek op. C.W. Wright hekelde in 1956 het ontstaan van de power elite. De Amerikaanse maatschappij bestond uit drie verticale lagen. De bovenste was de power elite, de middelste bestond uit een patstelling tussen verschillende politieke krachten en de onderste laag uit een grote en in toenemende mate machteloze massa van burgers. De bevolking was door de massamedia tot een markt van consumenten gemaakt in plaats van tot een publiek dat ideeën en opinies produceert. Aangezien alle communicatie top-down verliep was er meer massa-opinie dan publieke opinie. Het individu kon immers moeilijk terugpraten, laat staan met enig effect. Dit standpunt werd na hem de populaire these van Noam Chomsky in zijn Manufacturing Consent (1988).
Maar die progressieve kritiek op de blijvende dominantie van de machthebbers stamde uit de tijd vóór internet. Internet lanceerde opnieuw de droom van Rousseau dat nu werkelijk iedereen op gelijkwaardige wijze mee kon doen aan het publieke debat, zodat hieruit vanzelf die goddelijke 'publieke opinie’, of zelfs 'de volkswil’ zou komen bovenborrelen. Quod non. De dominante mening, ook onder internetgelovigen als Stephen Coleman en Jay G. Blumler in The Internet and Democratic Citizenship (2009), is in één woord samen te vatten: ontgoocheling. Het lijkt erop dat al die mensen die zich manifesteren via hun blogs en de reactieknop op mediasites en die via Facebook en Twitter tegen elkaar schreeuwen de angst voor de massa - zeker in Nederland - nog sterker hebben gemaakt dan deze sinds 'de opstand der burgers’ in 2002 toch al was geworden.
De conclusie over 'de publieke opinie’ moet het aloude gezegde zijn: Jede Konsequenz führt zum Teufel. Met Julian Assange, die met zijn WikiLeaks de Encyclopédie van deze tijd wilde (laten) schrijven, dreigt het net zo af te lopen als met de patriot Lambert van Eck: ruzie, laster en aanklachten die hem in de Zweedse gevangenis kunnen brengen. Assange’s opvattingen zijn namelijk even vaag en naïef als die van sommige verlichtingsdenkers. In The Unauthorized Autobiography (2011) - die hij met hulp van advocaten heeft willen verbieden - heeft de zelfbenoemde 'vrijheidsstrijder’ het voortdurend over 'macht’ (is slecht) en 'rechtvaardigheid’ (is goed), zonder ook maar één keer uit te leggen wat hij hiermee bedoelt of hoe een samenleving zonder macht eruit zou zien.
De huidige verwarring over zaken als democratie, massa en volk en over vrijheid en publieke opinie zou deels als volgt verklaard kunnen worden: de twee bovengenoemde historische periodes lijken zich nu tegelijkertijd af te spelen. Het naïeve optimisme over nut en mogelijkheid van totale openheid en maakbaarheid van de Verlichting, en het sinds eind negentiende eeuw opkomende pessimisme over de potentieel gewelddadige gevolgen die een ontwortelde massamaatschappij zou kunnen hebben, bestaan nu naast elkaar. Dit past misschien bij de huidige tijd, die al decennialang postmodernistisch wordt genoemd. Maar overzichtelijk en geruststellend is het niet, als het niet ronduit tegenstrijdig is.


Henri Beunders is hoogleraar geschiedenis, media en cultuur aan de faculteit der historische en kunstwetenschappen van de Erasmus Universiteit