De klopboorjaren

In de jaren zeventig raasde een leger van doe-het-zelvers door Nederland. Want hoe graag men ook naar de slaapsteden uitweek, de rijtjeswoning moest wel van individualiteit getuigen. De jaren tachtig maakten helaas korte metten met deze ‘eigenzinnige woonbeleving’. Waar blijven de eerste museale stijlkamers?
BEGIN 1993 BEREIKTEN de boezemvrienden Erik N. en Marck B. de leeftijd van zoveel-en-twintig. Hun partijtje vond plaats bij Erik thuis. Binnenkort zou de woningbouwvereniging zijn etage in Amsterdam-West ingrijpend renoveren. Daar de huisbaas bij deze gelegenheid alle in de loop der jaren door huurders aangebrachte verbeteringen ongedaan ging maken, mochten de genodigden van Erik en Marck het interieur strippen tot op het casco.

Toen Erik destijds de ruime driekamerwoning betrok, was met name de living een stijlvaste toonkamer die het ideale woonklimaat van de jaren zeventig belichaamde. In 1972 hadden de vorige bewoners radicaal gebroken met de traditionele indeling van een vooroorlogse etagewoning. Tussenmuren verdwenen en het plafond werd fors verlaagd. Op de vloer kwamen twintig centimeter hoge, blankhouten vlonders, zodat het trendy echtpaar ook op deze bovenwoning de ultieme woondroom van destijds kon realiseren: de zit- of leefkuil. Bij Hubo - een concern dat in de jaren zeventig recordomzetten kon noteren - kochten zij twee gros baksteenstrips, die de vele plantenbakken en andere loze obstakels dat authentiek landelijke aanzien verschaften. Het verse hout absorbeerde liters beits en tientallen blikken bruine, paarse en oranje hoogglanslak. Na vele weekends ijverig klussen mocht het resultaat er zijn. Bijna twintig jaar woonde het echtpaar naar volle tevredenheid temidden van kilo’s kurk en corduroy.
Een melige veiling van overtollige huisraad bracht het feest van Erik en Marck op gang. Toen het tegen tweeen liep en de Grolsch opraakte, gaven de gastheren het startsein voor de slooppartij. Frank ‘Omnipotens’ van der V., een van Amsterdams meest begenadigde computer-hackers en tevens principieel snelheidsovertreder op de motorfiets, deed enkele stappen terug. Hij stormde op een niet-dragend tussenmuurtje af en maakte een karatesprong. Tientallen decoratieve baksteenstrips verpulverden onder zijn staalgeneusde werkmansschoenen. Een andere robuuste kerel ging met zijn volle gewicht aan een schrootje van het verlaagde pergolaplafond hangen. Gekreun van vurehout en direct daarop een felle, droge tik. Binnen vijf minuten restte er niets meer van de eens zo bijdetijdse zoldering. Plafondlatten fungeerden als hefboom om de zitkuilvlonders te ontzetten. De aanwezige meisjes bekeken het demontagegeweld aanvankelijk met reserves. Weldra waren ook de keurigste jongedames bezig met het intrappen van saloondeurtjes. Op de achtergrond speelde een CD van Guns 'n’ Roses: Appetite for Destruction. Onbezonnen reageerden de studenten hun agressie af op de solide, destijds van zoveel goede smaak getuigende inrichting.
VANWAAR DIE uitbarsting van opgekropte haat jegens zitkuil en binnentuin, ikonen van de woonstijl tegen de achtergrond waarvan vele twintigers zo vlekkeloos opgroeiden? Zondagssociologen en bijvoegselfilosofen zien in het slooppartijtje van Erik en Marck wellicht het zoveelste bewijs van het bestaan van een Generatie Nix, die zich afzet tegen de idealen van mei '68, welke in dit geval tot uiting komen in de manier waarop de babyboomers hun woningen verfraaiden.
Het is heel verleidelijk om zulke weekbladtheorietjes aan te hangen, maar ze behoeven soms enige nuancering. Laten we het erop houden dat de slopers in kwestie zich gedurende hun nog niet eens zo heel lange zelfstandige wooncarriere vreselijk veel moeite hebben moeten getroosten om de rudimenten van de jaren zeventig te elimineren. Elke nieuw betrokken woning droeg nauwelijks uitwisbare seventies-sporen. Alvorens je als eerstejaars in de tweede helft van de jaren tachtig je spulletjes kon overhevelen van de ouderlijke woning naar je eerste eigen adres, was je dagenlang in de weer met het overschilderen van chocoladebruin gesauste wanden. Pas de derde laag dekte afdoende. Je moest een afstoomapparaat huren om korte metten te maken met fotobehang op cinemascope-formaat, voorstellende een Scandinavisch steppelandschap bij zonsondergang. Stucwerk met rotsrelief echter laat zich niet zo een-twee- drie verwijderen en er zijn grenzen aan het bedrag dat je als stufi-client kunt besteden aan het opknappen van een huurwoning. Dus bedekte je de Heugategels met een karpetje van oma.
In je eerste geheel zelfstandige woonruimte begon het gedonder van voren af aan. Ook hier kurkbehang in het halletje, paars sanitair in de natte cel. Opnieuw voerde je een upgrading door waar dat haalbaar was. Sombere keukenkastjes kregen een mintgroene tint; het formica aanrechtblad behield om hygienische redenen zijn oorspronkelijke kleur. Op de eerste kille herfstdag bladderde de zogenaamd hittebestendige radiatorlak af, waarmee je de oranje gashaard had behandeld.
De alomtegenwoordigheid van de jaren-zeventigstijl in het meer gedateerde gedeelte van het Nederlandse woningbestand laat zich eenvoudig verklaren. In geen ander tijdsgewricht investeerde de Nederlander zoveel geld en moeite in de verfraaiing van zijn huis. Nooit eerder hadden zulke grote groepen landgenoten zo'n hoog welvaartspeil gekend. De periode dat jonggehuwden hun wittebroodsjaren doorbrachten bij pa en moe op zolder behoorde tot het verleden. Om de overvolle binnensteden te ontlasten, verrezen er in de periferie groeikernen, slaapsteden. Uniformiteit kenmerkte de nieuwbouw in deze overloopgemeenten. Paradoxaal genoeg raakte de burger tegelijkertijd in de ban van de individualisering. Flat- en doorzonbewoners wilden dat hun onderkomen hun 'persoonlijke woonwensen’ weerspiegelde. Andragogisch jargon, opgedaan tijdens sensitivity- training en relatietherapieen, sijpelde door naar de bouwsector. De 'leefomgeving van vandaag’ moest zowel 'relaxed’ als 'heerlijk intiem’ overkomen, opdat je er vooral 'lekker jezelf kon zijn’ en desnoods 'een stuk ontspanning vond’.
NATUURLIJK LIET de zelfbewust geworden zeventiger de aanpassing van zijn home niet over aan mensen die daarvoor doorgeleerd hadden. Een beetje kritische woonconsument Deed Het Zelf. Op vaderdag stond de elektrische klopboormachine bovenaan het verlanglijstje - moeder trok pas tegen het eind van het decennium de overall aan - en wie de pech had geen professioneel autogeen lasapparaat te bezitten, deed er toch goed aan een soudogaz soldeerpistool aan te schaffen. Zelfs de licht motorisch gestoorde commercieel medewerker buitendienst kwam er niet onderuit.
Doe-het-zelf was meer dan een hobby. Het was een overtuiging. Al kon je voor het bedrag dat met de aanschaf van professioneel gereedschap was gemoeid wekenlang een hecht team van goedgeschoolde arbeiders inhuren, alle loonexplosies ten spijt.
Wilde het karwei niet vlotten, of had je geen idee hoe je zo'n zitkuil nou precies inbouwde, dan nam je een abonnement op een woontijdschrift. Elke maand weer kwamen VT Wonen en Eigen Huis met tientallen pagina’s 'eigenzinnige woonbeleving’ en decoratietips. Lezers konden wegzwijmelen bij de droominterieurs van hippe types uit de reclamewereld, die veelal een gerestaureerd boerderijtje bewoonden. Niet voor iedereen weggelegd natuurlijk. Geen probleem: als je je eigen parketvloer legde, een open haard metselde en op strategische plaatsen een trits oranje spotjes ophing, viel ook van een onopvallende drive in-woning best nog iets aparts te maken.
Wat betreft de aard van de te kiezen materialen vertoonden de woonbladen af en toe enige inconsistentie. Waar het ene verhaal de bouwamateurs aanspoorde om uitsluitend blank hout, jute en kurk toe te passen, stak de auteur van een artikel verderop in het blad de loftrompet over synthetische produkten, niet zelden op hun deugdelijkheid getest door de Nasa. Boeiende discussies moet dat hebben opgeleverd op redactievergaderingen. 'Ach man, schei toch uit met je schrootjes. Plexiglas gaat het helemaal maken.’
Over een ding waren alle contribuanten het evenwel roerend eens, te weten het belang van een efficiente indeling. Want waar konden de lezers al die massieve hammondorgels kwijt? Naast de huisbar dan maar? Waar moesten zij hun solarium onderbrengen? In de sauna? Of liever in een afzonderlijk vertrek? Multifunctionele ruimten waren veruit favoriet, getuige het succes van de open keuken en de open slaapkamer, waar het open huwelijk werd geconsumeerd.
Het geslaagde jaren-zeventiginterieur stond of viel met de juiste aankleding en accessoires. Met imitatiebont tegen de wanden, rolgordijnen voor de ramen en wat kussens op de grond kon je weliswaar 'behaaglijk wegkruipen’, maar voor een 'fijne sfeer’ had je toch nog wat aanvullende curiosa nodig. Daarvoor kon je terecht bij de vele boetiekjes die in 'oude en gekke dingen’ deden. Voor niet al te veel geld kocht je er letterbakken, emaille groente-emmers en petroleumstellen (Original Haller). Naarmate deze voorwerpen uit 'grootmoeders tijd’ meer in zwang raakten, kwamen er replica’s van op de markt.
Ging je voorkeur uit naar modern vormgegeven prullaria en vond je het zonde om het voorwiel van je nieuwe racefiets met pitriet te bespannen, dan bood een zaak als Blokker een royale keuze aan bolvormige pindastellen, stapelbare chipsbakjes en voorraadblikken met psychedelische dessins. Alle archetypische seventies-spulletjes kortom die tegenwoordig massaal op de vuilnisbelt belanden. Voor een kwartje kun je ze nog kopen bij het Leger des Heils en op de jaarlijkse vrijmarkt.
VOOR ZOLANG dat nog duurt. Want het gezicht van de jaren zeventig is hard bezig aan een comeback. Ik geef toe dat het moeilijk voor te stellen is, maar eens zullen plastic voorwerpen uit dat krankzinnige decennium bij antiekwinkels voor grote bedragen van de hand gaan. Eerder gebeurde dat al met gebruiksvoorwerpen uit 'grootmoeders tijd’, de jaren vijftig en de jaren zestig. Op het moment dat iets banaals aan het verdwijnen is, neemt de waardering ervoor toe. Door de rigoureuze verbouwingsdrift die velen de afgelopen jaren aan de dag legden, zijn stijlzuivere jaren-zeventiginterieurs langzamerhand zeldzaam geworden en dus toe aan hernieuwde belangstelling.
Vorig jaar ging Rik Zaal voor de Amsterdamse televisiezender AT5 op bezoek bij journalist Jip Golsteijn. In de ruim twintig jaar dat de poprecensent van De Telegraaf zijn flat in Noord bewoont, heeft hij nauwelijks iets aan de inrichting veranderd. Gretig zoomde de camera van Frans Bromet in op elk ridicuul detail. De grachtengordel gniffelde. Die Jip! Maar in het niet eens zo ondenkbare geval dat Aad Nuis de flat van Golsteijn uitroept tot Beschermd Erfgoed, zal verder lachen hun vergaan. En de brute slopers op het verjaardagsfeest van Erik en Marck gaan zich in een hoekje zitten schamen.