Robert Walser, ca. 1900. Hij schreef De bediende in een zes weken durende roes © Fotograaf onbekend

Het is acht uur ’s ochtends, voor een vrijstaand, ‘ogenschijnlijk fraai’ huis verschijnt een 24-jarige jongeman die heen en weer drentelt, peinst, het naamplaatje met daarop C. Tobler inspecteert, nog langer wacht ‘om over iets vast heel onbelangrijks na te denken’. Dan belt hij aan. Hij mag naar binnen, hij wordt al verwacht. Een smalle trap af, weer wachten, en dan verschijnt die C. Tobler, een ingenieur en uitvinder die ‘de baas’ wordt genoemd. Algauw blijkt dit een foeterende, drinkende en ook af en toe gefrustreerde ondernemer te zijn, iemand die wat hij heeft aan geld in steeds nieuwe en steeds raardere uitvindingen pompt: een zogeheten reclameklok, een schuttersautomaat, een gepatenteerde ziekenstoel. En die 24-jarige jongen tegenover hem, die voor hem gaat werken, luistert naar de naam Joseph Marti. Of nou ja, ‘werken’, hij moet vooral brieven schrijven om schuldeisers te paaien en via nieuwe wegen geld binnen te hengelen. En salaris? Dat ontvangt hij in deze omstandigheden natuurlijk niet.

Een intrigerende dynamiek ontvouwt zich in De bediende. Niet eens zozeer omdat de roman al ruim een eeuw geleden verscheen – de Zwitser Robert Walser (1878-1956) schreef dit kennelijk zeer autobiografische verhaal in een zes weken durende roes anno 1907 – maar vooral omdat de roman gaat over een wereld die zich niet voluit laat kennen. Naar verluidt was Kafka een groot liefhebber van De bediende, en dat valt wel te begrijpen: er zit in de roman iets aangenaam ondoorgrondelijks. Alsof we vooral niet te dicht bij de hoofdpersoon Joseph Marti mogen komen. Dat zit al in zo’n zinnetje aan het begin, dat hij over iets ‘vast heel onbelangrijks’ nadacht. Wát hij dan denkt houdt de alwetende verteller in het midden, net als eigenlijk de hele roman onduidelijk blijft waarom Joseph zo weinig van zich afbijt tegen Tobler. Vertrouwen heeft hij immers niet in diens ondernemingen; hij raakt op den duur vooral gefascineerd door Toblers echtgenote, een dominante en tamelijk rebelse vrouw die op haar beurt ook helemaal niks ziet in het bedrijf van haar man.

'De bediende' is een amodieus boek over een amodieuze jongen. Een heerlijke roman

Joseph blijft echter doen wat hem door Tobler gevraagd wordt. Hij is plichtsgetrouw, verlegen, dromerig, een tikkeltje ouwelijk (over zijn 24-jarige leeftijd denkt hij met kenmerkende ernst: ‘Dat kun je geen jeugd meer noemen. Ik ben achtergebleven in het leven’). En bovenal is hij afstandelijk, terwijl hij zelf juist probeert volop mee te doen, daarom blijft hij ook zo loyaal, hij wil opgaan in dit huishouden.

In veel opzichten is Joseph een klassieke antiheld, maar dan gelukkig wel eentje van het boeiende soort: De bediende is geen verhaal over aanhoudende misère of over mislukking, tenminste, het is direct duidelijk dat Toblers plannen tot mislukken gedoemd zijn en dat zijn gezinsleven ineenstort, maar dat lijkt Joseph niet wezenlijk te raken. Je zou kunnen zeggen dat deze roman vooral draait om de vraag hoe onderdanigheid werkt; de machtsrelatie tussen deze knecht en zijn meester raakt meer en meer verstoord. Waarom schikt Joseph zich daar zo makkelijk in? Bijna driehonderd pagina’s lang blijft hij stoïcijns zijn onbetaalde taakjes uitvoeren, en intussen mijmert hij erop los, over Toblers vrouw, over zijn gebrek aan daadkracht. Zijn gedachtekronkels zijn uitgebreid en worden steeds nadrukkelijk ingeleid, met voortdurend ‘dacht hij’ of tussenzinnen als ‘hier onderbrak de werknemer zijn gedachten’. Een ambitieuze, hedendaagse redacteur zou zeggen: goh, dit kan allemaal wel iets losser op papier terechtkomen, en als je toch gaat herschrijven, misschien wat extra witregels invoegen? En kan Joseph niet iets meer meedoen en zich mengen in zijn omgeving, waar is de buitenwereld eigenlijk, los van dat huis?

Ik werd juist meegenomen door de kale plot, door het bedeesde verteltempo met soms vreemde tijdsprongen midden in een scène, door Walsers serieuze, nog altijd opvallend toegankelijke stijl – ook een verdienste van vertaler Machteld Bokhove – en de onderkoelde humor die in de hele roman opduikt. Daarbij: de zakelijke, afstandelijke toon past bij Josephs voortdurende reflecties, die uiteindelijk vooral om hemzelf draaien. Want hij is zich ervan bewust dat zijn karakter niet wezenlijk zal veranderen. Dit is Josephs ware tragiek, die door het hele boek voelbaar is maar nergens wordt uitgesponnen of tot larmoyante scènes leidt: hoe graag hij ook wil, hoe geduldig hij ook blijft tegenover al die rare strapatsen van de huisbaas, Joseph voelt zelf al dat hij er nooit voluit bij zal horen. Vanaf het moment dat hij de villa instapt weet hij dat dit geen moment echt zijn wereld zal worden.

Als een oude roman zoals deze wordt afgestoft, is de onvermijdelijke vraag: waarom nu? De afgelopen jaren verschenen al Walsers romans De Tanners en De rover, past dit oeuvre bij het huidige tijdsgewricht? Zegt het op enige manier iets over hedendaagse problemen, ontwikkelingen? Ik zou niet weten wat. De bediende is een amodieus boek over een amodieuze jongen. En wat is het prijzenswaardig dat uitgeverij Koppernik, wars van commerciële potentie of toegankelijke ‘mediahaakjes’, het werk van Walser opnieuw uitgeeft. Een heerlijke roman, dit. Ik weet nu al dat ik dat gepieker van Joseph en die eindeloze ondernemingsdrift van Tobler nog lang zal onthouden.