Essay: wie de huidige jeugd afkeurt, wijst de samenleving af

De knip & plak-generatie

Zijn jongeren oppervlakkig, gemakzuchtig en materialistisch geworden? Ze zuipen, maken schulden, halen met hulp van Google hun eindexamen en misdragen zich in de openbare ruimte. Maar wie deze jeugd afkeurt, wijst de samenleving af.

Deze week keren duizenden Nederlandse scholieren terug van een vakantie aan de Spaanse kust. Sinds een aantal jaren is het een trend om in afwachting van de eindexamenuitslag een lowbudgetreis te boeken naar Salou of Lloret de Mar. Net als in de film Costa! komt deze trip neer op zuipen, dansen, neuken, kotsen en braden. Wie denkt dat het vmbo’ers zijn, heeft het mis. Het zijn vooral keurige kinderen van vermaarde categorale gymnasia en lycea, zoals het Amsterdame Barlaeus, het Haagse Haganum of het Willem de Zwijger College in Bussum, die onder de Spaanse zon losgaan. Ze misdragen zich zodanig – geluidsoverlast, vechtpartijen, drankmisbruik en vernielde appartementen – dat enkele jaren geleden de Spaanse lokale overheden en horeca alarm sloegen. Het plan om Nederlandse scholieren met een goedkope package deal te weigeren, sneuvelde echter bij het vooruitzicht van gederfde inkomsten.

Als dit gedrag illustratief is voor de intelligentsia in wording, is er dan reden om bezorgd te zijn over de geestelijke gesteldheid en de levensstijl van de huidige generatie jongeren?

Het ene na het onderzoek toont «onrustbarende» uitslagen. Begin deze maand bleek uit het onderzoek Alcohol in Europa van het Trimbos-instituut dat de Nederlandse jongeren de grootste drinkers zijn van Europa. Van de jongens onder de achttien jaar drinkt bijna 35 procent te veel en van de meisjes zeventien procent. Artsen melden al langer dat pubers die zich een half delirium hebben gedronken aan breezers in toenemende mate tijdens de nachtdienst worden binnengebracht.

Uit recente cijfers van de Kredietbank in Utrecht komt naar voren dat steeds meer jongeren met ernstige financiële problemen kampen. Rond de tien procent die aanklopt bij de afdeling schuldhulpverlening is tussen de achttien en 25 jaar en heeft een gemiddelde schuld van negenduizend euro. De Utrechtse probleemgroep is exemplarisch voor het spendeergedrag onder jongeren. Scholieren verwaarlozen hun huiswerk omdat ze gemiddeld tien uur per week bijklussen, maar de verdiensten zijn vaak niet genoeg om uit te gaan en kleren te kopen (volgens het Nibud wordt daaraan het meeste geld besteed), zodat ze gemakkelijk leningen (soms via hun ouders) aangaan. Shoppen is hun hobby; voor vrijwilligerswerk zijn jongeren nauwelijks te porren, omdat dat «saai is en geen geld oplevert».

In het buitenland staat de Nederlandse jeugd zelfs bekend als liederlijk en onbeschoft. In een Europees onderzoek voor de toeristenbranche wordt weinig flatteus gesteld dat «Nederlandse jongeren uit duizenden te herkennen zijn: ze zijn blond, te dik, smijten met geld, misdragen zich in het uitgaansleven en kunnen niet omgaan met autoriteiten, want dan geven ze je een grote mond».

Het cbs meldde in 2004 al dat één op de negen jongeren veel te dik is. Overgewicht onder jonge mensen neemt dusdanige vormen aan dat de overheid maatregelen neemt tegen onder meer de snackcultuur op scholen. Het onderzoek naar seksualiteit en internet in de leeftijdscategorie van twaalf tot achttien jaar, vorige week gepresenteerd door de Rutgers Nisso Groep, toont aan dat internettende jongeren al heel jong (rond hun twaalfde) in aanraking komen met porno en massaal experimenteren met seksualiteit, en dat een deel van hen seksuele handelingen voor een webcam verricht. Behalve voor allerlei games wordt internet vooral gebruikt voor seksuele spelletjes.

Bij deze studies blijft het niet. Vorige week publiceerde een Utrechtse kinderarts een onderzoek onder pubers naar chronische vermoeidheid. Eén op de vijf meisjes en één op de achttien jongens is moe en lusteloos. Ze hangen na schooltijd met vage klachten als buikpijn en «geen zin in iets» op de bank met een iPod op hun oren en bladeren in een glossy tijdschrift. Het lijkt erop dat de quarterlife crisis – een gevoel van zinloosheid en leegheid over de eigen identiteit – nu al begint onder de twintig jaar.

Informatie daarover halen ze intussen niet meer uit de oude media, want zij lezen nog maar gemiddeld een minuut per dag een krant. Ook het NOS-Journaal wordt massaal de rug toegekeerd. Hoofdredacteur Hans Laroes zei in april dit jaar tijdens de Blognomics in de rai: «Jongeren hebben niet zo veel meer met het nieuws, zeker niet op zo’n gefixeerd moment. Ze zijn wel geïnteresseerd in veel onderwerpen, maar ze willen actief meedoen, beleven.» Hij vindt dit een alarmerende ontwikkeling.

***

Zet een accolade om al die onderzoeken en er ontstaat een beeld van een slappe, molzuchtige, egoïstische, consumptieve, bestiale, oppervlakkige generatie. Ze worden ook wel de fun- en knip & plak-generatie genoemd. Of game-boys en -girls. Kortom: decadent.

Onrustbarend? Bezorgdheid alom, ook aan het Binnenhof in Den Haag. Premier Balkenende lanceerde het normen-en-waardendebat vooral om de jeugd moreel te (her)ijken. Staatssecretaris Mark Rutte van Onderwijs pleitte er in februari dit jaar voor om in een volgend kabinet een minister voor Jeugdbeleid te benoemen om «te regelen dat jongeren die in de problemen dreigen te komen snel en efficiënt geholpen worden». Ook klinkt geregeld de roep om sociale dienstplicht.

Zeker zorgelijk is tevens dat westerse jongeren, als toekomstige dragers van de economie, steeds meer moeten gaan concurreren met keihard werkende en ambitieuze leeftijdsgenoten uit andere delen van de wereld. Die komen uit samenlevingen – in Azië en Oost-Europa – waar nog wordt geleerd om af te zien. Zij zijn minstens zo vaardig met het internet, maar hebben minder mogelijkheden om zich te verpozen in de vermaakcultuur.

Toch is het onjuist het gedrag van jongeren alleen maar af te wijzen. Het is van alle tijden dat de ene generatie hoofdschuddend constateert dat de volgende generatie er maar een potje van maakt of wordt vervuild door nieuwe invloeden. Het «vroeger was alles beter»-gevoel is een natuurlijke reactie op veranderingen, maar daarmee nog geen juist oordeel. Socrates werd in de vijfde eeuw voor Christus vanwege zijn vragende onderwijsmethode en vermeende goddeloosheid ervan beschuldigd «de geest van de aristocratische jeugd te bederven» en diende de gifbeker te drinken. Wim Sonneveld zong in 1969 met Het dorp, geschreven door de onlangs overleden Friso Wiegersma, over de dorpsjeugd die, in minirok en met beatlehaar, bij elkaar klit en meejoelt met beatmuziek. Maar ook relativerend: «Ik weet het wel het is hun goeie recht, de nieuwe tijd, net wat u zegt, maar het maakt me wat melancholiek.» Het boerendorp is een metafoor voor het perspectief van waaruit voortschrijdende ontwikkelingen worden beleefd: met nostalgie over wat verloren gaat en met enig onbegrip voor de nieuwe, aanstormende generatie.

Je kunt jongeren niet verwijten dat ze zich gedragen zoals uit al die onderzoeken blijkt. Los van het feit dat cijfers relatief zijn, is het onmogelijk te spreken over «de jeugd van tegenwoordig». Het is een amorfe groep. De reclamewereld maakt een onderscheid in minstens zes typen, waarvan de grootse groep nog altijd wordt geprofileerd als «eigenzinnige idealisten».

***

Maar de postindustriële, postmoderne samenleving stelt andere eisen aan jongeren. Het is een eclectische generatie die voortdurend uit een grote grabbelton van informatie moet kiezen. De maatschappelijke positie staat niet langer tot aan het pensioen vast. Zekerheden worden niet meer vanzelfsprekend ontleend aan het gezin, een kerkgemeenschap of een sociaal afgebakend kader. Het veroveren van een eigen identiteit vindt plaats in grote vrijheid. Het informatietijdperk vergt bovendien andere vaardigheden. Om uit het enorme aanbod aan informatie en materiële en immateriële mogelijkheden te kunnen kiezen, moet je rap kunnen schiften en selecteren.

Hetzelfde wordt van jongeren gevraagd in het onderwijs. Met de invoering van het Studiehuis worden ze gedwongen zelf de inhoud van hun pakketten te bepalen. Het idee, bedacht en ingevoerd door hun idealistische ouders, is dat leerlingen beter weten wat ze moeten leren dan docenten. Traditionele vakken, «stampen» en het lezen van lange boekenlijsten werden als saai beschouwd. Scholieren zouden al googlend, knippend en plakkend handiger de weg weten te vinden naar snelle kennis voor hun huiswerk en werkstukken. Dat de kwaliteit van dit onderwijs nu ter discussie staat omdat het kinderen passief en dom zou maken, kunnen de slachtoffers van het goed bedoelde maar deels ongelukkig uitgepakte en kennisverschralende systeem niet helpen.

Net zo goed kunnen jongeren het niet helpen dat zij de eerste generatie in de geschiedenis zijn waarvan een groot deel (ruim eenderde) is opgegroeid in een gebroken gezin. Hun kindertijd is niet altijd even evenwichtig geweest. Duidelijkheid en grenzen trekken was niet per se het grootste pedagogisch goed van hun ouders. Die waren zichzelf vaak aan het losmaken van de oude kaders van hun opvoeding en wilden het voor hun kinderen anders doen: zonder het harnas van gezag. Kinderen van gescheiden ouders hebben geleerd om soepel te switchen tussen verschillende gezinsconstructies en te integreren in het tweede nestje van (meestal) hun vaders.

Dat jongeren de spiegel zijn van hun ouders blijkt uit een vorig jaar gepresenteerde studie van het opinieonderzoeksbureau Motivaction. Het bureau concludeert dat kinderen vaak in het verlengde van hun ouders kiezen. De groep «materialistische extraverte statuszoekers» reflecteert volgens de onderzoekers de veranderde levensvisie van hun ouders, die hun traditionele bindingen hebben opgegeven voor seculier hedonisme. Christien Brinkgreve heeft het in haar in 2005 verschenen boek Vroeg mondig, laat volwassen over de poreuze grenzen tussen «volwassen kinderen en kinderlijke volwassenen». Ze beschrijft daarin hoe grenzeloos overleggen en mateloos onderhandelen soms leiden tot monsterachtige kinderen en onmachtige ouders. Kinderen zijn vroeg mondig, mogen over alles een mening hebben, maar stellen volwassen taken en verantwoordelijkheden lang uit. Ze worden lang gepamperd, maar ook vroeg belast met de zorg van hun gescheiden ouders. Ze willen zelf de koers bepalen van hun bestaan, maar de angst om er niet bij te horen is groter dan ooit.

En dan krijgen ze ook nog cultuurpessimistische kritiek over zich heen gestort. Maar deze generatie is eerder een slimme schakelgeneratie. Binnen de overvloed aan prikkels, informatie en mogelijkheden moeten ze continu schakelen. Dat stelt hoge eisen aan zelfbeheersing en zelfsturing. Socrates’ gedachtegoed zou hen daarin kunnen helpen. Hij stelde «weten» gelijk aan «deugd». Als een leerling inziet wat de ware deugd is, kan gehandeld worden op basis van algemeen geldende principes en niet op grond van eigenbelang alléén.

Met een bezoek aan Salou is dan helemaal niks mis. Wie deze jeugd veroordeelt, snijdt in het eigen vlees van de hele samenleving. l