Essay - Zeventig jaar Indonesische onafhankelijkheid

De knopen van de bevrijding

Wat herdenken we precies als we komende week stilstaan bij zeventig jaar Indonesische onafhankelijkheid? Het einde van de oorlog? Het verlies van een kolonie? En hoe zit het dan met het lot van de Indonesiërs?

Medium hh 46927227

Het is deze week, op 15 augustus, zeventig jaar geleden dat de Japanse bezetter van Indonesië capituleerde. Het is deze week, op 17 augustus, ook zeventig jaar geleden dat Indonesië de onafhankelijkheid uitriep. Een verschil van twee dagen waar een wereld tussen lijkt te liggen: aan de ene kant het einde van de Tweede Wereldoorlog in Azië, dat in Nederland wordt herdacht maar in Indonesië nauwelijks wordt gememoreerd, aan de andere het uitroepen van de onafhankelijkheid dat voor Indonesië de status van oerknal heeft maar in Nederland geen rol van betekenis vervult. Twee dagen die het leven van miljoenen mensen, Indonesiërs en Nederlanders, hebben bepaald maar die mijlenver van elkaar lijken te liggen.

Toch is zelfs 15 augustus nooit goed in de Nederlandse herdenkingscultuur verankerd geraakt. Zeker, de nationale televisie besteedt enige aandacht aan de herdenkingsplechtigheid, maar een nationale gebeurtenis zoals 4 of 5 mei is het niet, en zal het ook niet worden. Dat lijkt misschien logisch – de oorlog in Indië was ver weg, Indië is niet meer, en er waren slechts enkele honderdduizenden Nederlanders bij de oorlog in Azië betrokken. Het koloniale verleden blijft een buitenbeentje in de Nederlandse beleving, zelfs de grote gebeurtenissen van de Japanse bezetting en de revolutie.

Toch waren de drama’s immens. Zo’n 25.000 Nederlandse gevangenen vonden de dood. Maar dat is niet het hele verhaal. Het sterftecijfer van de Nederlanders die buiten de kampen verbleven, is onbekend. En dan hebben we het niet eens over de enkele honderdduizenden Indonesische slachtoffers, Nederlandse onderdanen, die door dwangarbeid of honger tijdens de Japanse bezetting de dood vonden. Of over het feit dat veel nieuwe slachtoffers ná de Japanse capitulatie vielen.

Denkend aan Indië/Indonesië rond de grote herdenkingsdagen van deze week worden we geconfronteerd met twee problemen: in de eerste plaats krijgen de gebeurtenissen uit het koloniale verleden moeilijk voet aan de grond in het Nederlandse historische bewustzijn, en blijven ze omstreden. In de tweede plaats is er een kunstmatige scheiding ontstaan tussen wat en wie we herdenken. Officieel herdenken we op 15 augustus ‘alle slachtoffers van de Japanse onderdrukking’. Maar aan wat en wie denken we dan eigenlijk? De boedelscheiding van de dekolonisatie heeft twee nationale herdenkingsculturen teweeggebracht die de geschiedenis uit elkaar hebben gerukt. Willen we recht doen aan het verleden, dan moeten we wegen zoeken om de Nederlandse en Indonesische geschiedenissen aan elkaar te knopen. Daarover gaat dit stuk.

***

De plaats van het koloniale verleden in de Nederlandse cultuur is problematisch. Het geeft regelmatig aanleiding tot een nogal morele discussie over het goed en fout van het Nederlandse kolonialisme. Sommigen roepen dat het in zijn geheel verketterd moet worden. Anderen roepen het verleden aan ter meerdere glorie van de Nederlandse natie. Voor de meesten is de koloniale geschiedenis vooral een bron van morele verwarring. Ze lijkt een kluwen van goed en fout, van daderschap en slachtofferschap. De Nederlandse koloniale gezaghebbers, die verantwoordelijk waren voor de onderdrukking van het Indonesische nationalisme, werden in de Japanse tijd vervolgd. Waren zij daders? Slachtoffers? Indonesiërs, die zich eerst het Nederlandse gezag en toen dat van de Japanners moesten laten welgevallen, zetten in de revolutie tienduizenden Nederlanders vast en vermoordden er duizenden. Slachtoffers? Daders? Het is onmogelijk om eenduidige morele uitspraken te doen over deze geschiedenis. Duidelijke morele coördinaten ontbreken die de geschiedenis een heldere plek in onze herinnering kunnen geven. Die ambiguïteit en verwarring over het goed en fout zijn intrinsiek aan onze perceptie van het koloniale verleden.

Daar komt bij dat het koloniale verleden een spelletje kiekeboe met ons speelt: soms is het er, vaak ook niet. Het is niet constant aanwezig in onze historische cultuur en zeker niet in de publieke variant ervan. Koloniale kwesties worden met enige regelmaat in de pers opgerakeld, maar meestal is het gewoon afwezig. Hoewel de koloniale geschiedenis overal sporen heeft achtergelaten, is ze nauwelijks in het Nederlandse historische bewustzijn ingedaald.

Het is geen wonder dat die koloniën zo weinig beklijven. Een deel van de verklaring ligt in de aard van de koloniale cultuur in Nederland. Hoewel een relatief groot aantal Nederlanders banden met de kolonie had, bezette Indië een marginale plaats in de politieke cultuur in Nederland. Wat voor de Britten en op een andere manier voor de Fransen een ‘Empire’ was, bleef voor de Nederlanders ‘Indië’: een plaats om geld te maken of een ongelukkige liefde te ontvluchten. Nederland was geen onderdeel van een wereldrijk. Indië was een branche van BV Nederland.

Een nogal utilitaire en in elk geval onceremoniële omgang met de koloniale bezittingen maakte dat ze maar zelden een rol hadden in het ritueel van de natie. De belangrijkste uitzonderingen zijn waarschijnlijk de Atjeh-oorlog en het imperialisme rond 1900 en de dekolonisatieoorlog, toen Indië de geesten van de Nederlanders intensief bezighield. Maar doorgaans bestond de glans van het kolonialisme er vooral in dat er goed geboerd werd en dat Indië ontwikkeld werd. Het kolonialisme was van groot belang voor de Nederlandse economie en samenleving, maar het hield de Nederlandse verbeelding maar spaarzaam bezig. Niet voor niets klaagden repatrianten, voor en na de oorlog, over de totale onverschilligheid en onwetendheid van de Nederlanders jegens en over Indië (om over Suriname en de Antillen maar te zwijgen).

De efemere positie van Indië in het ritueel van de staat verklaart ook waarom we voortdurend kunnen roepen dat de koloniale geschiedenis wordt genegeerd of zelfs in de doofpot gestopt. Dat is strikt genomen natuurlijk niet waar. Er zijn meer boeken over Indië geschreven dan we in een leven kunnen lezen. De werkelijkheid is dat het koloniale verleden maar niet goed wil indalen in het historische repertoire van de Nederlanders. Het is te ver weg, het raakt te weinig aan de actuele dilemma’s, en het morele eindoordeel ligt te gecompliceerd. In zo’n situatie kunnen de episodes uit de koloniale geschiedenis opdoemen en verdwijnen, en kunnen we de feiten voortdurend presenteren als ‘vergeten’ of ‘genegeerd’. Dat zou je ook kunnen zeggen over de razzia van Putten of de Watersnoodramp van 1953, maar toch lijken Nederlanders die dramatische gebeurtenissen een duidelijker plaats in het nationale verhaal te kunnen geven dan bijvoorbeeld slavernij of de dekolonisatie.

Misschien is het postkoloniale dilemma het best te beschouwen als de zuster uit de befaamde novelle van Cola Debrot, Mijn zuster de negerin, die in de Antillen speelt. De koloniale geschiedenis is voor Nederland als het bastaardzusje dat niet bij de blanke familie mocht horen maar toch in het huis aanwezig is: geboren uit de lusten van de dominante blanke, weggestopt, genegeerd, maar toch stilzwijgend aanwezig.

***

Het blijkt buitengewoon moeilijk te zijn om een algemeen gedeelde ervaring uit de koloniale geschiedenis te destilleren die voor nationale consumptie geschikt is. Dat geldt ook voor de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog in Indië. De episode die nog het best aansluit bij de Nederlandse historische kaders is die van de internering van de Nederlanders tijdens de Japanse bezetting. Het verhaal van de krijgsgevangen- en burgerkampen weerspiegelt immers de geschiedenis van opsluiting en deportatie in Europa door de Duitse bezetters.

Maar het verhaal van de kampen geeft ook aan hoe ingewikkeld de herinnering aan de oorlog in Indië ligt. De meeste Nederlanders waren namelijk helemaal niet geïnterneerd. Het waren vaak Indo-Europeanen, die volgens nogal rudimentaire rassenregels van de Japanse autoriteiten buiten de kampen werden gehouden. Wel waren bijna alle mannen opgesloten, omdat ze aan het begin van de oorlog gemobiliseerd waren en de Japanners hen krijgsgevangen hadden gemaakt. Maar veel vrouwen, kinderen en bejaarden, minstens 170.000, bleef het lot van de kampen bespaard. In de laatste 25 jaar hebben deze zogenoemde ‘buitenkampers’ steeds vaker hun stem laten horen. Toch is hun verhaal niet werkelijk doorgedrongen. Hun lotgevallen zijn te verwarrend, te verschillend ook, om een plek te vinden in het publieke relaas van de oorlog.

De dekolonisatie heeft een wig gedreven tussen groepen die deel uitmaakten van één koloniaal verleden

Herinneren is selecteren. Van de Tweede Wereldoorlog in Indië lijkt vooral een ‘blanke’ herinnering te beklijven – die van de interneringskampen. Het is een pregnant voorbeeld van hoe ‘blank’ het nationale beeld van Nederland nog functioneert. In werkelijkheid is het moeilijk een scherp en principieel onderscheid te maken tussen de oorlogservaringen van blanke en bruine Nederlanders in Nederlands-Indië. Sterker nog: zelfs de lotgevallen van grote groepen Indonesiërs en Nederlanders zijn alleen in nauwe samenhang te begrijpen. Een voorbeeld. Zoals algemeen bekend is, werden Nederlandse krijgsgevangenen aan de bouw van vliegvelden en spoorwegen tewerkgesteld. De Birma-Siamspoorweg is daarvan het bekendst. Maar de inzet van Nederlandse gevangenen is eigenlijk slechts begrijpelijk als we het systeem van arbeidsmobilisatie van de Japanners kennen. Voor de oorlogsinspanning probeerden zij eerst lokaal arbeiders te ronselen. Pas als ter plaatse niet voldoende mannen voorhanden waren, werd mankracht uit de wijdere regio gemobiliseerd. Een uiterste maatregel was om dwangarbeiders en krijgsgevangenen, Europeanen én Indonesiërs dus, over grote afstanden aan te voeren en in schaars bevolkte uithoeken van Indië, en daarbuiten, aan de grote defensieprojecten te werk te stellen. Zo zijn er veel meer Javanen naar Birma verscheept dan Nederlandse krijgsgevangenen.

Dit alles is wel bekend. Doch het lijkt niet door te dringen tot de canons van de Nederlandse geschiedenis dat de ervaringen van de Nederlanders en Indonesiërs niet waterdicht te scheiden zijn. Het Japanse beleid van raciale en nationale scheiding was belangrijk, maar internering, dwangarbeid, hongersnood en gedwongen verplaatsing waren niet aan een bepaalde groep voorbehouden. We lijken dat te weinig te beseffen. Sinds jaar en dag zijn de Indonesiërs uit het Nederlandse geschiedbeeld van de oorlog gehouden. Kennelijk is het in het belang van de herdenking om de nationale ervaringen van Indonesiërs en Nederlanders te scheiden.

Medium 030025003208

Ook het relaas van de dekolonisatieoorlog in Indonesië heeft zich op een kunstmatige manier in nationale verhalen gesplitst. De ‘Nederlandse’ troepen maakten zich schuldig aan oorlogsmisdaden, de ‘Nederlanders’ waren slachtoffer in de Bersiap, ‘Indonesiërs’ vochten voor hun nationale vrijheid. Dat zijn vereenvoudigingen, op zich niet onwaar, maar ze verdoezelen enkele essentiële patronen in de revolutieperiode. In de eerste plaats liep de strijd niet strikt langs lijnen van Nederlanders versus Indonesiërs. Een van de mooiste Indonesische romans over de revolutie, Het boek van de wevervogel van Y.B. Mangunwijaya, laat prachtig zien hoezeer de revolutie geen strijd was tussen twee volkeren, maar tussen verschillende ordes of maatschappelijke visies, en dat loyaliteiten door alle bevolkingsgroepen sneden.

***

Een pregnant voorbeeld van de nationale vervalsing van de geschiedenis is de wijze waarop de dekolonisatieoorlog doorgaans wordt gepresenteerd. De aandacht in Nederland gaat bijna alleen uit naar de besluitvorming en het militaire optreden van Nederlandse kant. Dat gebeurde ook toen in 2012 drie onderzoeksinstituten voorstelden om een groot onderzoek te doen naar de Nederlandse gewelddadigheden tijdens de dekolonisatieoorlog in Indonesië. De Nederlandse overheid heeft geweigerd het onderzoek te betalen, ongetwijfeld uit angst om de relaties met Indonesië te belasten en schadeclaims over zich af te roepen. Essentiëler is het feit dat het gevoel van noodzaak en urgentie ontbrak – een goede illustratie van het efemere karakter van het koloniale verleden. Het koloniale verleden is te marginaal, en te betwist, om de overheid op basis van eenduidige ethische argumenten tot actie te dwingen.

Toch is een onderzoek naar het Nederlandse geweld in Indonesië gewenst. Het is nodig om in detail vast te stellen hoe groot het geweld in de oorlog is geweest. Waarom? Omdat het Nederlands grootste oorlog was, om de mythe te doorbreken dat het een zachte oorlog was, en omdat de slachtoffers van die oorlog geen enkele erkenning hebben gekregen. Toch zouden de onderzoekers er verkeerd aan doen om zich alleen op de Nederlandse geweldsdaden te richten. Die zijn namelijk volstrekt onbegrijpelijk zonder de Indonesische dimensies in het verhaal te belichten. Het geweld van Nederlandse troepen – die trouwens voor een deel uit Indonesische militairen bestonden – werd gepleegd in een buitengewoon gewelddadige samenleving. Het conflict tussen Indonesische republikeinse troepen en de Nederlanders was lang niet de enige strijd die werd uitgevochten. Plaatselijk keerden revolutionairen zich tegen de eigen Indonesische elites, werden oude vetes tussen gemeenschappen uitgevochten, of ontstonden republiekjes onder islamitische of communistische vaandels. En dan waren er ook de criminelen en sadisten die gebruik maakten van de wetteloosheid om terreur te verspreiden.

Het geweld van het Nederlandse leger was onderdeel van deze kluwen van bloedvergieten en kan er niet los van gezien worden. In de eerste plaats was het optreden van ‘Nederlandse’ troepen vaak een reactie op lokaal geweld, en vice versa. Bovendien bediende de Nederlandse counterinsurgency zich van methodes die veel leken op die van revolutionaire troepen: gewelddadige patrouillering, deportatie, het in brand steken van huizen en dorpen, marteling en standrechtelijke executie. De uitgestrektheid van het gebied en het gebrek aan mankracht maakten bovendien dat controlemechanismen aan beide kanten zwak waren. Eenheden stonden los van hun sociale omgeving, waardoor gevoelens van extreme onzekerheid overheersten en overlevingsreflexen en sadisme meer ruimte kregen. Dit droeg bij aan de geweldspiraal.

Door de connecties te zoeken tussen de Indonesische vormen van geweld en het Nederlandse optreden kan een veel beter begrip ontstaan over de oorzaken van het geweld. Net als in het geval van de Japanse bezetting is het dus noodzakelijk om het kunstmatige isolement van de nationale ervaring te doorbreken.

Een juist begrip van het kolonialisme, de Japanse bezetting en dekolonisatie vergt een veelomvattender en gecompliceerder perspectief dan het wij-Nederlanders en zij-Indonesiërs dat overheerst. Zo blijft het kolonialisme in Nederland toch vooral een zaak van de Nederlanders overzee, is de internering de meest ‘Nederlandse’ van de bezettingstijd, en herdenken we vooral ‘onze’ jongens die in de sawa’s vochten. Er is nauwelijks aandacht voor de Indonesische ingrediënten van deze geschiedenis.

Het probleem is natuurlijk wel dat in Indonesië de herinnering aan de Japanse bezetting en de revolutie minstens zo problematisch is als in Nederland. Boven de Indonesische geschiedenis van de Japanse tijd hangt bijvoorbeeld het levensgrote dilemma van de Indonesische dwangarbeid, die door volksleiders als Soekarno werd gelegitimeerd en zelfs gestimuleerd. Ook de Japanse wortels van de Indonesische staat worden liever ontkend.

Over het einde van de Japanse bezetting maken pers en overheden in Indonesië dan ook weinig ophef. De Amerikaanse historicus William Frederick heeft dat wel eens ‘het verblindende licht’ van de revolutie genoemd. In de officiële versie van deze episode zijn de proclamatie van de onafhankelijkheid en de daaropvolgende strijd tegen de Nederlanders het archimedische punt in de Indonesische geschiedcultuur geworden. Het betreft een officiële interpretatie, die onder jarenlange overheidsregie uitgekristalliseerd is. Wie onder de oppervlakte graaft, vindt echter een zeer levendige en vaak gruwelijke herinnering aan de gebeurtenissen tijdens de Japanse bezettingsjaren. Het is geheel in de schaduw komen te staan van het licht van de revolutie.

De Indonesische geschiedcultuur is bijna uitsluitend gericht op de eigen heldendaden in de strijd om de onafhankelijkheid. Dat beeld is zo sterk dat er in de geschiedverhalen over de revolutie nauwelijks ruimte is voor de Nederlanders. De Indonesiërs vechten er vooral voor zichzelf. Dus ook voor de Indonesiërs geldt dat er iets kostbaars verloren is gegaan: de erkenning van de Nederlandse of tenminste Indische wortels van het moderne Indonesië.

Jonge Indonesiërs dossen zich op vrije dagen graag uit in quasi-koloniale klederdracht en fotograferen elkaar op Fongers-fietsen

Interessant in dit verband is overigens het vrij recente fenomeen dat jonge Indonesiërs zich op vrije dagen graag uitdossen in quasi-koloniale klederdracht en elkaar het liefst op Fongers-fietsen fotograferen. Tempo doeloe is, of was tot voor kort, een trend. Dit tijdverdrijf, dat soms heel ambitieuze vormen aanneemt, laat zien dat sommige Indonesiërs de koloniale cultuur omarmen als een onderdeel van de eigen geschiedenis en een ingrediënt van de eigen moderne Indonesische cultuur. Hoe diep dit besef gaat, is de vraag, maar we zien hier ten minste de mogelijkheid opdoemen van de erkenning dat de koloniale staat voor een belangrijk deel gerund werd door Indonesiërs, dat deze staat een belangrijke leerschool is geweest en een aantrekkelijke bron van inkomsten, status en een moderne levensstijl, en dat het koloniale verleden niet alleen in de genen van de Indonesische bevolking zit, maar ook op allerlei andere manieren vormend is geweest.

***

Voor Nederland ligt het besef van een gedeeld verleden veel ingewikkelder dan voor Indonesië. In Nederland is het gemakkelijker om de koloniale ervaring te negeren of te ontkennen. We hebben in de afgelopen zeventig jaar iets afgeleerd dat een essentieel onderdeel was van het kolonialisme: de vervlechting van de ‘Nederlandse’ en ‘Indonesische’ bestanddelen van Indië.

Het idee van een vervlechting lijkt paradoxaal: het koloniale bestuur bediende zich immers zelf ook al van scherpe etnische en juridische scheidslijnen tussen ‘Europeanen’ en ‘inlanders’. De koloniale samenleving bestond bij de gratie van ongelijkheid tussen de buitenlandse overheersers en de inheemse bevolking. De Indiase politiek wetenschapper Partha Chartterjee heeft dat ‘the rule of colonial difference’ genoemd. De boedelscheiding van de dekolonisatie heeft het idee alleen maar versterkt dat er twee gescheiden ervaringen waren. Los van elkaar hebben Nederland en Indonesië een herinnerings- en herdenkingscultuur ontwikkeld waarin voor de ander alleen plaats is als buitenstaander.

Maar ondanks het wezenlijke onderscheid tussen overheersers en overheersten waren de verschillende milieus verbonden door de ervaring deel uit te maken van de Indische samenleving. Dat leidde aan het einde van de koloniale tijd al tot het besef dat de oude raciale scheidslijnen niet meer voldeden. Er was een Indische cultuur ontstaan waar diverse groepen op heel verschillende manieren aan deelnamen. De laatkoloniale wereld was in veel opzichten zeer hybride en kosmopolitisch. We vergeten dat, omdat de dominante beelden altijd afkomstig zijn van de relatief dunne blanke bovenlaag van koloniale bestuurders en ondernemers. Die gevarieerde, hybride cultuur en samenleving zijn in de vertaling naar de postkoloniale natiestaat verloren gegaan. Er is geen ruimte meer voor, niet in Nederland en niet in Indonesië.

Een letterlijke belichaming van dat verlies-door-vertaling zijn natuurlijk de Indische Nederlanders. Hun ervaringen hebben nooit een passende plaats gekregen in de Nederlandse geschiedenis. Zij zijn buitenbeentjes gebleven: velen van hen zaten immers niet in een Japans interneringskamp, ze wilden niet allemaal van harte naar Nederland komen, en ze bleven daar relatieve buitenstaanders. Je zou kunnen zeggen: ze worden als minder ‘echt’ Nederlands beschouwd omdat hun ervaringen niet in het Nederlandse nationale refrein passen.

Wat voor Indische Nederlanders geldt, gaat op voor veel anderen. Er zijn talloze voorbeelden te geven van groepen, families, individuen die niet eenvoudig in een nationaal-ethisch raamwerk te vatten zijn. Denk maar aan al die Indonesiërs die intensief samenwerkten in het koloniale bestuur of die in het koloniale leger vochten, of de Nederlanders die Indië als moederland zijn gaan zien; denk ook aan minderheidsgroepen als de Chinezen, Molukkers, of aan deserteurs en collaborateurs. Hun houding en lotgevallen zijn te verklaren vanuit de eigenaardigheden van de koloniale samenleving, maar ze vinden geen plek in de canon van de herdenking, omdat die op het idee van de natie stoelt en niet op die van de koloniale gemeenschap.

***

Herdenken is categoriseren. Door te herdenken brengen we scheidslijnen aan. Dat is misschien onvermijdelijk, maar we doen er de geschiedenis onrecht mee. De herdenkingsdagen van 15 en 17 augustus zijn gescheiden door de kloof van de dekolonisatie, die een wig heeft gedreven tussen groepen die in al hun verscheidenheid en onderlinge tegenstellingen deel uitmaakten van één koloniaal verleden.

Wie of wat er in de komende dagen in Nederland en Indonesië ook wordt herdacht, het is essentieel om te denken aan de gemeenschappelijke geschiedenis die Indonesië en Nederland bindt. De waarheid is dat het vaak moeilijk is een zinvolle scheiding aan te brengen is tussen wat Nederlandse en Indonesische geschiedenis is. Die scheiding vindt plaats op basis van anachronistische en misplaatste nationale claims, die zelfs een raciale ondertoon hebben: wit is Nederlands, bruin Indonesisch.

Het koloniale verleden biedt een bijzondere kans om een geschiedenis te schrijven die meer is dan een nationale geschiedenis. Ze dwingt ons om voorbij de geijkte en versimpelende categorieën van natie en ras te kijken die onze geschiedbeelden, en ik vrees onze cultuur, nog te veel beheersen. Op een paradoxale manier biedt het koloniale verleden aldus de kans om op een moderne, postkoloniale manier naar geschiedenis te kijken: als een verhaal waarin de nationale kaders niet allesbepalend zijn, maar er ruimte blijft voor diversiteit, tegenstrijdigheid en zelfs antagonisme.

De vraag is of we daar rijp voor zijn. Ik vrees van niet. De zwaartekrachtwerking van de nationale zingeving is sterk. Toch is het goed om na te denken over hoe het anders kan en waarom het anders moet. Het herstelt het idee dat Nederlanders en Indonesiërs gedurende een relatief kort tijd iets heel belangrijks deelden: de wording van een moderne Indische en Indonesische samenleving. Die gedeelde dynamiek strekte zich ook uit over de jaren van de Japanse bezetting en de revolutie. Zoals het lot van de Nederlandse krijgsgevangenen en Indonesische dwangarbeiders pas in onderlinge samenhang te begrijpen is, is het bloedvergieten van de revolutie alleen verklaarbaar uit de gedeelde context van geweld en tegengeweld.

Let wel: dit is geen anachronistisch pleidooi voor verzoening; evenmin een betoog dat ieders ervaringen in Indië/Indonesië gelijk waren. Integendeel zelfs. Maar zonder besef van die verstrekkende verwevenheid van de Nederlandse en Indonesische ervaringen blijft de geschiedenis van Indië en Indonesië onbegrijpelijk.


Remco Raben is bijzonder hoogleraar koloniale en postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam (UvA)


Beeld: (1) Cas Oorthuys. Europeanen en Indonesiërs op een feestje in Indonesië, 1947 (Nederlands Fotomuseum / HH); (2) Sem Presser. Militairen aan boord van de SS Volendam onderweg naar Nederlands-Indië, 1948 (MAI)