De koe is kitsch geworden

Marieke Lucas Rijneveld manipuleert de lezer in Mijn lieve gunsteling met haar stijl en vertelstrategie. Meer nog dan in haar debuut. Maar is het daardoor beter?

Het is een beproefde literaire techniek: doorrazen zonder adempauze, dat wil zeggen zonder punten of alinea’s, alsof de verteller op hol geslagen is. Dat blijkt de verteller in Mijn lieve gunsteling ook, op hol geslagen, hij heeft iets op te biechten, en dat biechten gaat gelijk op met het opnieuw afdalen in zijn grootste droom tevens nachtmerrie: dat hij, de 49-jarige veearts, getrouwd, vader van twee zonen, verliefd is geworden op een 14-jarig jongensachtig boerenmeisje. Door zijn obsessieve blik krijgen we een schitterend licht op dit wezentje, op haar kleine tongetje dat af en toe naar buiten komt en zelfs het topje van haar neus kan raken, op haar smalle lichaam met de opvallend brede schouders waarvan ze zelf denkt dat er vleugels groeien, op haar springerige stappen in de kaplaarzen, haar kristallen stemmetje dat overal bovenuit tinkelt of juist er angstwekkend het zwijgen toe doet, het strikje op haar onschuldige onderbroekje dan wel het boven de broekband uitkieken van de veel te opzichtige string (door hem aan haar gegeven), het uitblijven van haar borsten, haar verlangen naar een ‘jongensgewei’, haar oor voor popliedjes, haar voorkeur voor groene gummibeertjes en salmiakpoeder, en vooral haar niet-aflatend levendige en fantasievolle geest die alles om haar heen van een nieuwe betekenis voorziet en die zichzelf eerder in een ridder, een vogel of een kikker dan in een prinses ziet veranderen.

Via zijn litanie, die van het monster in zijn binnenste dat hij toelaat en bevecht tegelijkertijd, krijgen we ook háár litanie te horen, haar dromen en angsten, haar vlieg- en vluchtfantasieën, hoe ze zich een buitenstaander voelt in haar schoolklas, voortdurend in gesprek is met Hitler en Freud, in koningin Beatrix een plaatsvervangende moeder ziet, in de rouw is om het verongelukte broertje, ‘de verlorene’, de weggelopen moeder, ‘de verlatene’. In haar absolute opvattingen over liefde en eenzaamheid, contact en verlatenheid, en tegelijkertijd daarin het toelaten van dagelijksheid en naïviteit, las ik de echo van de stem van Connie Palmen zoals die zich manifesteert in haar liefdesromans De vriendschap en I.M., even wijs als tomeloos: ‘Ik houd ook niet van mezelf, maar daarom des te meer van een ander. Ik heb zoveel liefde en tegelijk zoveel haat dat het over de randen van mijn lichaam groeit.’ Alles en iedereen waarvan afscheid genomen moet worden doet evenveel pijn, ook als het gaat om een buitenboordbeugel en de bijbehorende bezoekjes aan de orthodontist, ‘ook al was hij hardhandig en niet eens zo aardig, verlies bleef verlies’.

Het is een tweestemmige draaikolk van opwinding en bezwering waar je als lezer op z’n best in mee gaat en op z’n slechtst op de rem staat om je af te vragen wat het met de tekst zou doen als er een keer een punt gezet zou worden, een alinea ingelast. Doorrazen zonder adempauze is behalve een techniek ook een truc, niet voor niets vaak van stal gehaald als er zaken voor het voetlicht worden gebracht waarvan gesuggereerd moet worden dat ze dat licht niet kunnen verdragen, die eigenlijk te erg zouden zijn voor woorden en dus moeten die woorden zich zo buitelend en hamerend en wild opeenvolgen dat ze niet allemaal even goed te volgen zijn, zodat details het zicht ontnemen op de kern en alles straks als in een brij eruit is, als bij een opluchtend potje vomeren.

Nu ik dit zo schrijf voel ik me een negentiende-eeuwse moralist, een criticus die er niet van houdt dat er over erge dingen verhaaltjes worden geschreven met een begin en een eind

Meer nog dan in haar debuut manipuleert Marieke Lucas Rijneveld de lezer met haar stijl en haar vertelstrategie, wat je zou kunnen zien als groei – want wat is een roman anders dan manipulatie van de lezer – maar wat ik geneigd ben te voelen als verlies. Natuurlijk, haar register lijkt eindeloos oprekbaar, haar taal is vindingrijk en vernieuwend, haar zinnen dartelen en springen als veulens die net op eigen benen staan, haar observaties van dieren zijn ontroerend (nooit beseft dat varkens met hun gebrek of juist teveel aan nek niet omhoog kunnen kijken, en dat precies dát ze behalve lief ook zo beklagenswaardig maakt), haar inzet van bijbelfrases in combinatie met al die details van wat er groeit en bloeit rond de boerderij creëren een gedroomde biotoop, en niets van dit alles is ‘normaal’, alles ervan is exceptioneel, ik zie het, ik zie het, ik kan het niet niet zien en misschien is dat het ook wel wat me doet steigeren als een paard dat niet gezadeld wil worden. Sommige boeken schrijven hun eigen recensie en het vergt de nodige weerspannigheid om vervolgens niet in die pas te lopen, niet bedwelmd te raken door dat dit het dan moet zijn, literatuur.

Misschien verbeeld ik het me, maar anders dan in De avond is ongemak sluipt er iets gemaniëreerds in het schrijven van Rijneveld, iets berekenends en bedachts, iets wat te maken heeft met effectbejag, het begint gewoon al met die openingszin die te mooi en te raar is om waar te zijn, ‘Lieve gunsteling, ik zeg het je maar meteen: ik had je in dat steilorige hoogseizoen als een zweer met een hoefmes uit de klauwlederhuid moeten verwijderen’, o ja. De boerderij, de zorg voor de dieren en de gewassen, de emmers, de modder en de inseminaties, ze zijn een decor geworden, een façade, we hebben dubbeldoelkoeien en blaarkoppenkoeien, er zijn slakroppen en preiplanten, er is een graansilo waarvan af gesprongen kan worden, een viaduct waaronder gefoezeld wordt, landelijke duisternis alom, er is mond- en er is klauwzeer. De schrijver besluipt haar lezer als het roofdier zijn prooi, cirkelt om haar heen in steeds nauwere kringen, treft haar voorbereidingen, er wordt de lezer een hoogtepunt in het vooruitzicht gesteld, de dag dat het grote hertengewei onthuld gaat worden, het wordt een smoezelig gedoe om de bladzijden om te slaan, ‘je was mijn landkaart en ik wist precies waar ik heen wilde’, oké, vertel het me dan maar wat je gaat uithalen met je lichtgewicht-kameraadje, je minnegodje, give it to me, met al je mooie woorden en ademloze zinnen, maar vergeef het me dat ik een beetje overvoerd raak, om niet te zeggen misselijk.

Het steekt nauw met romans, en zeker met romans die over seksueel misbruik gaan. De verlustiging ligt op de loer, de sensatie en de geilheid, net als de slachtofferporno, het instant-drama, de heter dan hete soep, de intrinsieke gewichtigheid, het vals spelen, want hé, we hebben het over het onuitsprekelijke, het niet te overtroevene. En nu ik dit zo schrijf voel ik me een negentiende-eeuwse moralist, een criticus die er niet van houdt dat er over erge dingen verhaaltjes worden geschreven met een begin en een eind, die liever het raadsel vergroot of met rust laat, het onbenoembare eert, en dat onbenoembare zou ook zomaar a whisper of normality kunnen zijn. In Vallen is als vliegen van Manon Uphoff maakt de verteller haar lezer deelgenoot van schrijfweerzin en bouwt aan haar verhaal als aan de Sagrada Familia, Ted van Lieshout weeft in Mijn meneer een web van wederzijdse betovering en verlangen, A.M. Homes creëerde in The End of Alice een griezelig meelijwekkend monsterlijk mens, een manipulator eerste klas. Net als Uphoff dat deed met sprookjes en mythes smeedt Rijneveld haar eigen literair universum met Harry Potter, Lars von Trier, Bonny Tyler. En Proust, maar dat is dan weer die 49-jarige veearts, die het klaarspeelt om zich hierop af te trekken. ‘Soms is het de eenvoud van iets dat alles laat kloppen’, ontlokt hij aan haar als hij met haar naar het theater gaat, Endgame van Beckett, en zij pas écht geniet als ze na afloop in een van de andere zalen nog even een poppenkastvoorstelling met Jan Klaassen kan zien. Ze snapt dat Beckett een kapotte wereld laat zien, ja ze heeft begrepen dat het stuk over de dwaasheid, de onredelijkheid en ook de zinloosheid van het bestaan ging, maar de eenvoud blijft altijd de eenvoud, ‘je glunderde van trots terwijl je je lippen aan het glas cola zette’.

Wie wil dit creatuur, dat liefde wil maar ook wil spelen, dat bij niemand hoort maar alles lijkt te weten, dat kan schrijven en fantaseren als geen ander, níet vasthouden, koesteren en tegelijkertijd laten fladderen? Dat is ook nog iets: Rijneveld lijkt zelf een beetje verliefd geworden op haar eigen mythologie, in ieder geval op het nimfijntje dat ze heeft gecreëerd, het jongensmeisje dat ook steeds meer haar eigen schrijverspersona is geworden, gevuld met liefheid maar ook ‘zo hol als een worstenbroodje van de Hema waar de worst al uit was gesnoept’. Het lijfje, het stemmetje, het tongetje, ze drukken zich tegen de lezer aan, ze doen de pagina’s onontkoombaar aaneen plakken.