Het Migrantenmuseum

De koffer

Ik stond te glimmen en te dromen in een winkel in Maastricht. De geur van mijn jonge leer bezorgde me het gevoel dat ik de hele wereld aankon. Arrogant keek ik naar de anderen. Was ik met mijn lichtbruine kleur, mijn dikke huid en de stevige, modieuze riemen om mijn middel niet de beste? U zult het misschien niet geloven als u nu naar me kijkt, maar ik had ook heuse koperen sluitingen. Met de jaren zijn ze eraf gevallen.
Op een dag kwam een man met een snor en een lelijke, groene muts met de winkelier onderhandelen. Ik dacht dat hij een van de lelijkerds naast mij wilde hebben. Wat schrok ik toen hij mijn handvat vastgreep en me meenam naar zijn naar zweetlucht stinkende kamer, waar zijn vijf kamergenoten hem uitlachten omdat hij zoveel guldens had neergeteld voor een koffer. Had ik ogen gehad, dan had ik gehuild van verdriet.
Weldra vulde hij mij met kinderkleding. Elke dag kwamen er een paar sokken, broeken, hemden, truien en jassen bij. Toen ik zo vol was dat hij me bijna niet meer kon sluiten, klapte hij mijn koperen sluitingen dicht en droeg hij me naar het vliegveld. Daarna namen we de bus, daarna een pont, daarna weer een bus en uiteindelijk een busje naar een dorp. Het was midden in de nacht dat we in een huis aankwamen waar de gaten in de muren met modder waren gevuld. En waar ik in de eerste uren van de dag het loeien van koeien en het blèren van schapen hoorde. Toen de dieren naar buiten gingen en het wat rustiger werd, begonnen de kinderen te rennen. Ik heb geteld hoeveel kinderen om de nek van mijn eigenaar sprongen. Eén, twee, drie, vier, vijf.
Deze bende van vijf, grotendeels verantwoordelijk voor mijn huidige, verpauperde toestand, maakte een paar tellen later een cirkel om me heen en begon mijn eigenaar te smeken mijn sluitingen te openen. Zodra het teken kwam veranderden deze twee jongens en drie meisjes in Ottomaanse soldaten die er wél in waren geslaagd Wenen te laten vallen en bezig waren met het plunderen van de stad. Binnen de kortste tijd hadden ze me leeggehaald, pasten het ene kledingstuk na het andere, gilden van blijdschap en keken me geen seconde meer aan.
Elk jaar keerde ik zonder inhoud weer terug naar het land waar ik vandaan kwam, om aan het begin van de zomer weer dezelfde reis te ondernemen. De enige verandering was dat we na een paar jaar de pont niet meer namen. De bus reed over een hangbrug rechtstreeks naar het stadje waar de eerste zonnestralen van het land schenen.
Ik heb niet alleen kleding voor de kinderen vervoerd, sjaals voor oma en opa, blouses voor ooms, theezakken en koffie voor de buren, gereedschap dat gebruikt werd bij de bouw van het nieuwe huis, mondspray voor de imam die een remedie wilde voor zijn stinkende adem – even onder ons: maandverband voor mevrouw –, een fototoestel, een mixer, een stropdas voor de leraar van de kinderen en geloof het of niet een sikkel voor een vriend van mijn eigenaar.
Met de jaren werden de kinderen steeds minder enthousiast over onze komst. Dat waren de jaren dat ik begreep dat er een verandering op komst was. In een van die jaren vertrokken we met z’n allen naar het land waar ik vandaan kom. De oma en opa hebben we huilend achtergelaten. Eenmaal in het nieuwe huis in Maastricht hebben ze me op een kast gelegd en me bijna nooit meer een blik waardig gekeurd.
Jaren later begreep ik waarom. Ik was niet meer de beste van mijn soort. De nieuwe generatie had wieltjes aan de onderkant.
Ik moet wel zeggen dat ik ontroerd was toen de ouwe mij een keertje wilde gebruiken bij een nieuwe reis die ze met z’n allen naar een kustplaats in hun moederland maakten. Hij was gehecht aan me, zo begreep ik, toen hij me beschermde tegen het hoongelach van de kinderen. Hij noemde me een prima koffer die zo lang trouw dienst had gedaan.
Nu sta ik in het Migrantenmuseum. Als ik een mond had gehad, had ik jullie gezegd dat ik er vroeger veel mooier uitzag.