Antisemitisme in Nederland

De koffer staat niet klaar

Nederlandse joden herkennen het beeld van een guur anti-joods klimaat niet. Maar er is ook niet niets aan de hand. In drie artikelen wordt het antisemitisme in Europa nader onder de loep genomen.

ZO DRUK ALS het is aan de voorzijde van het Anne Frank Huis met rijen toeristen, zo stil is het in de voor publiek ontoegankelijke binnentuin achter het Achterhuis. Een lege plek in de grond toont waar de kastanjeboom stond die verrot en oud op 23 augustus om 13.30 uur door windstoten geveld werd - wereldnieuws. Er werden stekjes verspreid tot ver buiten Europa.
Pijnlijk genoeg haalde het land van Anne Frank een paar maanden later uitgebreid de buitenlandse pers vanwege de wake up call van Frits Bolkestein dat bewuste joden hier geen veilige toekomst meer hebben. De Italiaanse krant Il Foglio Quotidiano kopte op 29 december: ‘2011, vlucht uit Amsterdam’, en noemde in een paginagroot artikel Bolkestein een 'profeet uit het land van Spinoza’. Nederland polariseerde er intussen weer flink op los. Of Bolkestein 'kierewiet’ was geworden, twitterde Femke Halsema. Maar het werd ook serieus opgepakt. Op 15 december vond op initiatief van ChristenUnie-partijleider André Rouvoet een besloten rondetafelgesprek plaats in de Tweede Kamer over 'het antisemitisme en de veiligheid van joodse landgenoten’, ter voorbereiding van een breed Kamerdebat dat is gepland op 2 februari.
De bron van alle reuring is het boek Het verval: Joden in een stuurloos Nederland, een serie interviews met politici en opinieleiders, samengesteld en ingeleid door Manfred Gerstenfeld. De gepromoveerde Nederlandse Israëliër, die chemie, economie, milieukunde en judaïca studeerde, zet de joodse kwestie op scherp. Volgens zijn analyse is het antisemitisme in de laatste tien jaar sterk toegenomen, maar elke uiting van jodenhaat - uitschelden in de tram, keppeltjes van het hoofd slaan, bij demonstraties 'Hamas, Hamas, joden aan het gas’ scanderen, verstoorde holocaustlessen op scholen met veel islamitische leerlingen - wordt door de overheid en de media gebagatelliseerd of afgedaan als kwajongensstreek. Gerstenfeld concludeert dat antisemitisme en de onverschilligheid erover beide deel uitmaken van een algemener proces van normvervaging in de maatschappij. Het is, net als een breder accepteren van racisme, óók jegens moslims, een exponent van decadentie, moreel verval in 'een stuurloos en verward land’.
Centraal staat de stelling dat de positie van joden gedurende de geschiedenis een indicator is voor het karakter van een maatschappij. Daarnaast hebben joden volgens Gerstenfeld sinds de Tweede Wereldoorlog in Nederland een aantal symbolische rollen, waaronder, de belangrijkste, die van het ultieme slachtoffer. Dit beeld zit diep in het collectieve bewustzijn, met als icoon Anne Frank, maar begint te slijten, en leidt tot holocaustvermoeidheid en zelfs jodenirritatie. Dat heeft niet alleen met het verglijden van de tijd te maken, maar ook met het antizionisme vanwege de Palestijnse kwestie en de zichtbare aanwezigheid van een grote moslimgemeenschap die de politieke agenda domineert. Zijn sombere conclusie is dat er een 'afroming’ van joden in Nederland plaatsvindt. Bewuste joden emigreren geleidelijk en de achterblijvers kunnen alleen beveiligd functioneren. En hierin past het gewraakte citaat van Frits Bolkestein, dat door publicatie in De Pers onder de volle aandacht kwam.

DIT 'GROOTALARM’ is binnen de joodse gemeenschap met gemengde gevoelens ontvangen. In het Nieuw Israelietisch Weekblad wordt er al weken over gediscussieerd. Is het een wijs advies of is het een gotspe? Vechten of vluchten? Woede is er vooral over Bolkesteins 'oplossing’ dat de joden beter kunnen vertrekken, terwijl veel families hier al vierhonderd jaar wonen. Het citaat bleek een recept voor ruzie en sommigen spreken zelfs over een schisma binnen de grotendeels ongeorganiseerde joodse gemeenschap, naar schatting 52.000 mensen, die net zo divers is aan religie, politieke kleur en standpunten als de Nederlandse samenleving als geheel. Ongeveer drie procent is orthodox.
Heeft Gerstenfeld gelijk, maar is zijn boodschap te pijnlijk om onder ogen te zien? Cijfers (kader) tonen dat antisemitisme inderdaad toeneemt, maar niet angstaanjagend rap. Tegelijk zeggen cijfers niet alles, wegens terughoudendheid om aangifte te doen. En ook kunnen geweldsincidenten (ook verbaal, met name via internet) een topje zijn van de ijsberg van niet-geuite antisemitische gevoelens en denkbeelden.
Uit gesprekken met Nederlandse joden van diverse signatuur komt een tamelijk eenduidig geluid naar boven: niemand herkent zich in het beeld van een guur anti-joods klimaat. Maar ook: het effect is wél dat het probleem hiermee wordt aangekaart, want er is ook niet niets aan de hand. Orthodoxe joden hebben last op straat en alle joodse instellingen moeten beveiligd worden, in tegenstelling tot kerken en moskeeën. Tegelijk is het leven hier voor joden gelukkig en vrij en zijn geassimileerden volledig onderdeel van de culturele en politieke elite. Hoewel geen van de gesproken mensen het boek van Gerstenfeld had gelezen - want er zijn grote twijfels aan diens ideologische intentie - deelt iedereen op een eigen manier zijn diagnose: het antisemitisme illustreert de verharding in Nederland en de toenemende intolerantie jegens 'vreemden’ in de samenleving. Niemand wil specifiek wijzen naar moslims, hoewel Marokkaanse jongeren wel steeds terugkeren in de gesprekken. Bovenal - en dat stelt Gerstenfeld ook duidelijk - leeft antisemitisme nog altijd onder autochtonen.
Vlak na de Tweede Wereldoorlog was het antisemitisme groot door het na-ebben van de nazipropaganda, bureaucratisch gedoe over spullen van teruggekeerde joden en de - tot op heden - voortslepende restitutiekwestie. Er was bovendien aanvankelijk een groot gebrek aan kennis over de holocaust. De mentaliteit in de periode na de oorlog was dat iedereen had geleden en het hele Nederlandse volk hard moest werken aan de wederopbouw zonder terug te kijken. Dat veranderde begin jaren zestig onder meer door het Eichmann-proces, de boeken van Loe de Jong, de tv-serie De bezetting en het boek De ondergang van Jacques Presser. Onder het motto 'dit nooit meer’ werd de shoa hét morele ijkpunt van goed en kwaad.
Die naoorlogse geschiedenis over een opkrabbelende joodse gemeenschap is te zien in de tentoonstelling Wie niet weg is, is gezien: Joods Nederland na 1945 in het Joods Historisch Museum in Amsterdam. De zaal toont een vitale gemeenschap vol diversiteit met slechts op de achtergrond het trauma van de oorlog. Indrukwekkend zijn de filmbeelden van PVDA-voorman Joop den Uyl die op een pro-Israël- manifestatie tijdens de Zesdaagse Oorlog emotioneel roept: 'Wij staan achter Israël, Amsterdam staat achter Jeruzalem.’ Ook dat laat zien dat er veel is veranderd.
Van achter zijn thee en gemberbolussen vertelt Bart Wallet, gespecialiseerd in de joodse geschiedenis en een van de makers van de tentoonstelling, dat de Bolkestein-kwestie slechts een rimpeling is, zoals meer affaires in de naoorlogse geschiedenis. 'De vraag: is er een toekomst voor joden in Nederland? heeft na de oorlog permanent gespeeld. De vraag was ook of joden wilden leven in een schuldige samenleving, waar 75 procent van de 140.000 joden tijdens de bezetting was afgevoerd. Migratie heeft sinds 1945 altijd een rol gespeeld, vanuit verschillende motieven: economisch, zionistisch, angst voor de Russen. En nu dus weer. Tegelijk is de positie van joden door de komst van moslimmigranten veranderd. Voor de oorlog waren de joden de minderheid in een christelijke samenleving. Nu worden zij ingesloten in een joods-christelijke meerderheid, met als doel andere groepen uit te sluiten.’
De gedaante van het antisemitisme is nu anders, zegt Wallet: een merkwaardige mix van anarchistische linkse ideologen, extreem islamitische groepen die deels samenwerken, en nog altijd rechts-radicalen. 'Traditioneel werd er altijd naar rechts gekeken - en die groep is decennialang enorm gemonitord. Door de Palestijnse kwestie lopen het antizionisme en antisemitisme in elkaar over. Het is helder dat kritiek op Israël regelmatig antisemitisch is.’
In zijn werkkamer boven in het prachtige gerestaureerde zeventiende-eeuwse synagogencomplex vertelt museumdirecteur Joël Cahen dat hij naar aanleiding van Bolkesteins oproep helemaal van de kook was. Hij was zó boos dat het zó werd gezegd: 'Het is gedeeltelijk het oude verhaal: er is antisemitisme in Europa, het is wegwezen geblazen. En Israël is de veilige haven. Ik heb er jaren gewoond, het was er fijn maar het is niet per se de oplossing. Natuurlijk, antisemitisme bestaat. Je hoeft maar één keer een foute opmerking te horen en je weet wat het is. Ik ben ermee opgegroeid en wij zeiden dan: “Hij heeft last van risjes”, door zijn daden probeert hij anti-joodse gevoelens te prikkelen. Het komt van het hebreeuwse rishut, dat slecht betekent. Maar het respect is nog altijd groter dan het antisemitisme. Mijn koffer staat helemaal niet klaar. Wat er wél aan de hand is: de remmen op het onfatsoen zijn los. Nederland is de kluts kwijt en er is een groep bij gekomen met een duidelijk geloof. We zitten midden in een botsing met een miljoen moslims en tegelijk ontbreekt er een duidelijke samenbindende identiteit. Gerstenfeld signaleert dit, het gaat over ons joden, ook in het besef dat het morgen over een andere groep gaat die collectief de schuld krijgt. Kennis is belangrijk, net als contact. Laatst hadden we hier vijf imams en een aantal islamitische leraressen op bezoek. Het werd een levendig gesprek waarbij we constateerden dat we veel met elkaar gemeen hebben.’

MAURICE SWIRC schetst in zijn boek Altijd mazzel (2010) het dagelijks leven van joodse gemeenschappen overal ter wereld. 'Wat ik heb geleerd van al mijn reizen is dat haat tegen één groep nooit beperkt blijft tot die ene groep. Er zit op z'n minst een nare bijsmaak aan het pro-joodse standpunt van de PVV. Ook kan ik weinig met de wijze waarop Bolkestein opkomt voor orthodoxe joden. Beiden nemen het niet op voor linkse joden, die passen niet in hun straatje. Ik heb het idee dat er vooral bij de PVV onder het selectieve pro-joodse standpunt een anti-islam-agenda zit. Wilders en Bolkestein beroepen zich op een historie die er niet is, de christelijk-joodse wortels. Historisch gezien hebben joden niet veel te winnen bij een nationalistische beweging. Wat ik ook zie, is dat extreme groepen zich “kosjer” verklaren: de PVV door zich sterk solidair met Israël te tonen; de beweging Stop de Bezetting van onder anderen Gretta Duisenberg door Een Ander Joods Geluid bij hun activiteiten te betrekken om te tonen dat ze zogenaamd niet antisemitisch zijn. Zo worden joden gebruikt voor andere agenda’s. Ik zou het fijn vinden als meer gematigde standpunten de toon bepalen in de discussie over Israël en over de verhouding tussen joden en moslims.’
'Een dialoog is nu vaak krampachtig’, zegt Ronnie Naftaniel, directeur van het Centrum Informatie en Documentatie Israël (Cidi). 'Als we met Kamerleden willen praten over onze bezorgdheid wordt altijd weer gezegd dat bij zo'n gesprek ook Marokkanen uitgenodigd moeten worden. Wij wijzen er dan op dat het een specifiek probleem is. Wat die jongens in Amsterdam-West doen zie ik niet als hét probleem. Het gedrag onderscheidt zich niet van andere overlast. Dat moet je met een lik-op-stuk-beleid aanpakken, samen met de ouders. Hetzelfde met wat in stadions wordt geroepen. Je moet de norm zetten. Het echte probleem zit veel dieper. Bepaalde sentimenten, het niet accepteren van vreemde elementen, zijn niet uit te roeien. De christelijke cultuur is doorspekt met het antisemitische karakter van “de slechte jood”. De grootste rem hierop was de Tweede Wereldoorlog, maar het taboe erop wordt langzamerhand aangetast door het debat over Israël. Kijk eens wat joden nu zelf doen! Vanuit de Arabische wereld keert het bloedsprookje terug, worden joden beschuldigd van 9/11 tot de crisis in de bankwereld. En vergeet de rechts-radicale hoek niet. De joden als zondebok. Moslims hebben nu diezelfde zondebokfunctie, zoals in de film Fitna waarin zij worden neergezet als terroristen. Daar ben ik bezorgd over. Maar ik ken tegelijk geen joden die zich schuldig maken aan moslimhaat. Wij lopen maar heel weinig te zondebokken, juist omdat we het zelf kennen.’
Het Cidi krijgt wekelijks hate mails. Naftaniel: 'Ik denk dat de overheid het systematisch onderschat. De cijfers schieten in zoverre te kort dat het “maar” om zo'n tweehonderd gemelde incidenten per jaar gaat op vijftigduizend mensen. Maar de overheid heeft wel de plicht om mensen te beschermen tegen dit soort uitingen.’
Vanuit Amerika kreeg hij veel telefoontjes naar aanleiding van krantenartikelen over Bolkestein. Konden joden niet meer wonen in Nederland? 'Het is niet zorgeloos, maar ook niet pikzwart. Joden leven hier in een behoorlijk land en Israël is altijd de blanco cheque, zoals Abel Herzberg zei. Als orthodoxen zouden vertrekken is dat een verarming, zij maken het geloof zichtbaar - en daarmee ook het probleem van de grenzen van tolerantie. Ik deel Gerstenfelds analyse over het doorgeschoten vrije woord: als je als politici elkaar voor rotte vis uitscheldt, geef je niet het goede voorbeeld. En wij zijn natuurlijk overgevoelig, en dat is weer logisch want joden zijn in de geschiedenis meer dan andere groepen slachtoffer van discriminatie en dús over-alert geworden.’

IN AMSTERDAM-BUITENVELDERT, waar een groot deel van de orthodox-joodse gemeenschap woont, zie je op vrijdag overal 'zichtbare’ joden. Ze zijn druk bezig met de voorbereidingen voor de wekelijkse sabbat. In Davids Corner, tegenover een pruikenwinkel, legt David Bar-on de laatste hand aan de inrichting van zijn kosjere delicatessenzaak. Het is nog wachten op het kosjer-certificaat van het Kasjroet. De winkel zit naast het kosjere restaurant H'Baron, dat wordt gerund door Davids broer Daniel.
David (24) en Daniel (21) zijn van origine Marokkaans. Na de oorlog vertrokken hun Marokkaanse grootouders naar Israël. De broers zijn daar geboren en verhuisden na drie jaar naar Nederland. Ze zijn 'gezond gelovig’ maar niet orthodox. Op de achtergrond bromt hun oom: 'Dat zijn ze wél.’ Ze lachen er hard om.
David: 'Het joods-zijn heeft te maken met waar je mee opgroeit, en dat je je in een bepaalde gemeenschap thuis voelt. Met joden klikt het gewoon. Dezelfde grapjes, het eten. Wij hebben nooit problemen vanwege onze identiteit, eerder vanwege het feit dat we er Marokkaans uitzien. Bij de deur van een disco wordt naar mij wel eens twee keer gekeken. Als er iets tegen joden wordt geroepen, dan is dat denk ik geen haat, het heeft eerder met opvoeding te maken. Mijn beste vriend is streng moslim. Erg handig, want als we uitgaan is hij altijd de bob.’
Daniel: 'In Israël is het een standaardvraag: waar kom je vandaan? Hier ligt dat altijd zo moeilijk. Ik zeg altijd: ik ben joods, of nog liever Israëlisch, want ik heb twee paspoorten.’
De omvang van het probleem blijft lastig te duiden. Om deze reden vatte Lody van de Kamp vorig jaar het plan op om als 'lokjood’ over straat te lopen. Hij is een orthodoxe rabbijn - zonder gemeente - en directeur profane vakken op het Cheider, een streng orthodoxe basis- en middelbare school met 180 leerlingen, gevestigd om de hoek van Davids Corner. Van de Kamp trok zomer vorig jaar 'in uniform’ met twee jongens en een verborgen camera voor een uitzending van de Joodse Omroep naar wijken die bekendstaan als problematisch. 'Inderdaad, in die tien uur wandelen waren er drie incidenten, waaronder een Marokkaanse jongen in Bos en Lommer die de Hitlergroet bracht. In een ander geval zei een jongen “Salem”, waarop ik “Shalom” terugzei en hij al snel riep: “Rotjood.” Maar ik heb ook op het beruchte Mercatorplein een tijdje op een bankje tussen een groepje prototype “stoer” gezeten. Er hing een gezellige sfeer vanwege het WK. Ze waren heel aardig en ik was geneigd het probleem te nuanceren.’
Maar na de uitzending op de Joodse Omroep werd het nieuws, via onder meer Netwerk. Daarna werd het besproken in deelraad West en de gemeenteraad en uiteindelijk werd minister Hirsch Ballin naar de Kamer geroepen. 'Het hele circus ging los. Op een zeker moment werd ik gebeld door de politie, of ik aangifte wilde doen van de gevallen. Dat was in juni. De aangifte verzandde totaal in de strooppot. Het ligt nu bij het parket. Aangifte biedt dus geen soelaas.
Op zich was die aandacht natuurlijk prima. Maar ik kreeg ook veel reacties in de sfeer van dat “die rot-Marokkanen” het land uit moeten. Dat vind ik zorgelijk, het probleem ligt veel breder. De politiek geeft in het taalgebruik het slechte voorbeeld. Grensoverschrijdend gedrag wordt niet aangepakt, en dat heeft weer met koudwatervrees te maken.’
Maar er is ook op een andere manier vrees om eerlijk te zijn, zegt Van de Kamp: 'Ik gaf een gastcollege over het jodendom op de Hogeschool in Amsterdam. Een docent zei dat ik het maar beter niet over Israël moest hebben, want “er zijn veel moslimstudenten”. Maar het college verliep heel losjes, dus sneed ik het thema toch aan. We hebben nog een uur doorgepraat en het gesprek was goed. Een jongen discussieerde zeer fel, maar na afloop gaven we elkaar een hand. Ik ben actief geworden in het Joods-Marokkaans Netwerk Amsterdam. Ik geloof dat we eerder elkaars natuurlijke lotgenoten zijn. Ik help bijvoorbeeld nu een meisje dat is bespuugd en uitgescholden vanwege haar hoofddoek met aangifte doen. Van mij wordt ook wel eens gezegd dat ik zo'n theedrinker ben. Maar de overheid moet wel degelijk hard optreden, en ook mensen die getuigen zijn van een incident. Als kind in Twente schold mijn buurjongetje me uit voor rotjood. Op een gegeven moment gaf zijn vader hem een klap en was het afgelopen.’
NET ZO'N 'CONTACTZOEKER’ is Erwin Brugmans, verpleger in de psychiatrie. Hij stelt zichzelf voor als de zoon van twee joodse ouders, van wie de moeder in het experimentenkamp in Auschwitz zat. 'Maar ze waren gelukkig niet zo beschadigd dat ze niet meer geloofden in het goede in de mens. Daarnaast ben ik een kind van de jaren zestig. Sociale gerechtigheid is de rode draad in mijn leven. De samenleving is sinds Fortuyn sterk veranderd, alles moet maar recht voor z'n raap worden geformuleerd. Ik ben het fundamenteel oneens met Gerstenfeld, en ook deels met Bolkestein. Ik zeg: geef ons joden de ruimte om het tegendeel te bewijzen - dat is samenwerken met de Marokkanen. Sommigen zeggen dat ik een hemelfietser ben, want moslims blijven jodenhaters en ze erkennen de staat Israël niet. Maar dat is angst- en slachtofferdenken. Marokkanen hebben hetzelfde: een slachtofferrol die ze mede projecteren op de positie van de Palestijnen.’
Na 9/11 ging er volgens Brugmans een siddering door de Amsterdamse wijk De Baarsjes: 'Op weg naar Sjoel-West werden we uitgescholden, en toen hebben we besloten het Joods-Marokkaans Netwerk in het leven te roepen. We hadden een keer een discussie over de hoofddoek en de kippa, het keppeltje, en in dat gesprek kwamen beide groepen niet over hun slachtofferrol heen. We organiseerden toen een voetbaltoernooi; de Marokkaanse jongeren wonnen en de joodse opa’s wonnen. Dat toernooi keert jaarlijks terug. Of we maken samen een mozaïek en eten kosjer en halal. We zitten dicht tegen elkaar aan, de koran en de tora hebben veel overeenkomsten. Joden en Marokkanen gaan hier allebei niet weg, dat laten zij niet zeggen door Wilders en wij niet door Bolkestein.’

'WITWASSERS zijn het’, zegt Manfred Gerstenfeld door de telefoon vanuit Israël. 'Het onderliggende probleem wordt ermee ontkend. Ik heb het - voor alle duidelijkheid - nooit over de moslims gehad en zeg zeker niet dat het alleen de allochtonen zijn. Kijk maar eens wat mijn boek losmaakt, er is in twintig landen over geschreven. Het laat namelijk ook zien dat de Nederlandse rechtsstaat niet functioneert. De overheid kan de herkenbare jood niet beschermen, en er wordt vanuit de politiek met onmacht op gereageerd, zowel door links als door de PVV. Een Kamerdebat is geen oplossing. Er zou, net als in Engeland, door een parlementaire commissie onderzoek moeten worden gedaan naar de positie van joden. De kleine joodse gemeenschap moet immers beveiligd worden en daar zijn sinds kort helaas de Kopten bij gekomen. Enkele jaren geleden was ik op een bar mitzwa-feest van de kleinzoon van vrienden. In die vijfhonderd meter wandelen van de synagoge naar het Hilton liepen we onder bewaking. Dat zegt toch niet niks?’


De cijfers
Volgens de meest recente rapportage van de politie werd in 2009 over het algemeen minder melding gemaakt van discriminatie (op allerlei gronden) dan in 2008. Het percentage antisemitische incidenten nam in 2009 echter wel toe: van 17 naar 35. Ook andere metingen van Nederlandse onderzoeksorganisaties (waaronder de Anne Frank Stichting) laten, hoewel de absolute aantallen variëren, een stijging zien van antisemitische incidenten in 2009 ten opzichte van 2008. Het Centrum Informatie en Documentatie Israël (Cidi) registreerde voor 2008 en 2009 respectievelijk 108 en 167 incidenten. Het Meldpunt Discriminatie Internet kreeg 344 meldingen in 2008 en 399 in 2009. Van deze online antisemitische uitingen blijkt het grootste deel van mainstream autochtone Nederlanders afkomstig te zijn en niet langer, zoals een aantal jaren geleden, van extreem-rechts. Het Landelijk Bureau Tegen Discriminatie, Art. 1, ontving 129 klachten over antisemitisme in 2009 tegenover 123 in 2008.
Het Cidi deed onlangs naar aanleiding van het 'reisadvies’ van Bolkestein onderzoek naar het aantal Nederlandse joden dat in het afgelopen decennium naar Israël is geëmigreerd en vergeleek die gegevens met andere Europese joden. In de laatste vijftien jaar vertrokken ongeveer vierhonderd orthodoxe joden uit Nederland naar Israël, circa twintig procent van de totale orthodox-joodse gemeenschap. Het aantal joden dat vertrok was in het tweede deel van het decennium hoger dan in het eerste: van gemiddeld 47 personen per jaar in de periode 2000-2005 tot 61 in de periode 2005-2009. Voor de buurstaten liggen de vertrekcijfers veel hoger. 'Deze statistieken laten zien dat sommige Europese joden dezelfde sombere conclusies trekken als Bolkestein. Maar ze tonen ook aan dat meer dan in andere Europese landen de Nederlandse joden vertrouwen blijven hebben in hun toekomst hier en in het vermogen het antisemitisme de baas te blijven.’
Volgens een onderzoek door het Joods Maatschappelijk Werk, najaar 2010, denkt 87 procent van de joodse gemeenschap dat er in Nederland in meer of mindere mate sprake is van antisemitisme, 48 procent heeft zelf antisemitisme ervaren en 50 procent voelt zich de laatste tijd kwetsbaarder worden.