De koffers van krabbe

Voor het eerst regisseerde hij een film, voor het eerst ook speelde hij zelf een jood in een film. Het resultaat, ‘Left Luggage’, won meteen vier prijzen op het Filmfestival van Berlijn. Een gesprek met Jeroen KrabbÇ over zijn verhouding tot zijn joodse wortels, over ‘lernen’ en over de koffers die hij zelf meesleept. ..LE JEROEN KRABBE lijkt er enigszins verlegen mee, maar hij is er ook duidelijk trots op. Nog v¢¢r Left Luggage in Nederland is uitgebracht, heeft de film hem hier ‘op de kaart gebracht als jood’, zoals hij het zelf uitdrukt. Hij wordt gevraagd voor discussies in de Liberaal Joodse Gemeente, hij wordt geãnterviewd in wat er aan joodse pers in Nederland is, en hij heeft laatst zelfs een choppe, een joodse bruiloft, bijgewoond. ‘Ik heb het gevoel dat ik ineens door joods Nederland word geannexeerd. Maar religieus kan ik niet worden, dat zit niet in mijn genen.’

Jeroen KrabbÇ joods? Ja en nee. Zoals bijna alles in z'n leven dubbel is. Hij is in 1944 geboren, als kind van een joodse moeder en een niet-joodse vader. Zijn moeder, en dus ook de kleine Jeroen, hebben hun leven te danken aan de geboorte van zijn oudere broer Tim. Daardoor hoefde zij niet op transport en overleefde ze de oorlog, zo ongeveer als enige van haar familie.
Jeroen KrabbÇ is dus joods volgens de joodse wetten, maar daar was in zijn carriŠre aanvankelijk weinig van te merken. Hij was lang een typische jeune premier. Na de Toneelschool speelde hij even bij het politieke Theater Terzijde van Annemarie Prins in een Vietnam-programma. Toen kwam hij bij het gevestigde gezelschap Globe terecht, en daarna koos hij niet, zoals veel leeftijdgenoten, voor een alternatieve groep als het Werkteater of Baal, maar ging hij in vrije producties spelen, bijvoorbeeld in het blijspel Twee op de wip met Willeke Alberti.
MAAR IN 1984 regisserde hij Het dagboek van Anne Frank - ook als vrije productie, maar verassend ingetogen en zelfs revolutionair, want Anne was er een opstandig meisje in en niet een heilige-in-de-dop.
En dan is daar nu de door hem geregisseerde film Left Luggage. Het is een prachtige film: goed in elkaar gezet (script: Edwin de Vries), mooi gefilmd (camera: Walther Vanden Ende) en uitzonderlijk goed gespeeld door een internationale cast met Isabella Rossellini, Maximilian Schell en Jeroen KrabbÇ zelf als een chassidische huistiran. Een debutante, de Schotse Laura Fraser, speelt het meisje Chaja, dat in het begin van de jaren zeventig als kindermeisje in een chassidisch-joods gezin in Antwerpen terecht komt. Zij wordt daar min of meer verliefd op de stille, vierjarige Simcha, een liefde die natuurlijk dramatisch moet aflopen. Dat brengt haar in de film wel nader tot haar eigen ouders, ook joods maar niet godsdienstig, en vooral tot haar vader (Maximilian Schell), die zich in zijn hoofd heeft gezet dat hij ergens in Antwerpen twee koffers vol herinneringen moet terugvinden die hij tijdens zijn onderduik in de oorlog heeft begraven.
Jeroen KrabbÇ kan over elk detail in de film verhalen vertellen. ‘Elke beweging, elk shot, elke handeling, elke kleur in het decor heeft betekenis. Er is niets aan het toeval overgelaten, daar ben ik te detaillistisch voor. Elke opname heb ik vooraf uitgetekend, bij elkaar 1300 tekeningen. Je ziet bijvoorbeeld Chaja’s moeder in de planten prikken. Dat heb ik uit een Israelische documentaire. Het is een vorm van body language die zegt dat die vrouw ook bezig is iets onder de aarde te stoppen, dat zij ook bezig is iets te verbergen.
Vaak staan de personages op het meest dramatische moment met de rug naar de camera toe. Een rug zegt soms meer dan een gezicht. Als de moeder van Chaja tegen Chaja zegt dat haar vader aan het graven is, staat ze bijvoorbeeld met de rug naar Chaja toe cake te snijden. Aan de andere kant staat Chaja bloemetjes te schikken. Want zij kan ook niet naar haar moeder kijken. Tot zij zich omkeert en ziet dat haar moeder in gedachten de cake staat te verkrummelen. Dan is er ineens contact, omdat zij ziet dat haar moeder het ook allemaal niet begrijpt.
We hebben de acteurs veel informatie over hun personages gegeven. Ik heb daar veel in gestopt van mensen die ik heb gekend en die gewond uit de oorlog zijn gekomen. Vooral in de moeder van Chaja, daarin zitten wel drie vrouwen die ik heb gekend en die direct met de concentratiekampen te maken hebben gehad. Zij bedekken op allerlei manieren de doodsnood. De moeder van Chaja doet dat met weven, praten over een nieuw kapsel, veel cake en soep opdringen. Het is aangrijpend als dat allemaal niet meer blijkt te werken.
De kracht van het boek van Carl Friedman zit in het filosofische, al die gedachten die erin rondvliegen en die bijna allemaal met religie te maken hebben. Het is een mooie zeepbel, maar als je die gaat visualiseren heb je met de portrettering van de karakters te maken.
Edwin de Vries heeft de basis voor het script geschreven en daarna zijn wij samen, Edwin en ik, dialogen gaan improviseren. Dan merk je ook hoe die mensen zich bewegen, hoe ze eruitzien, hoe ze op elkaar reageren, en dan ben je al een aantal stappen verder dan het boek kan gaan.’
'IK WILDE al heel lang een film regisseren, maar ik ben daar niet speciaal iets voor gaan ondernemen. Ik was er relaxed over: het komt op m'n pad of niet. Toen gaf Hedy d'Ancona me dit boek van Carl Friedman cadeau. Haar eerste boek, Tralievader, vond ik ook heel mooi, maar dat leek mij volstrekt onverfilmbaar. Toen ik Twee koffers vol uit had, dacht ik: dit is de film die ik wil maken. Zoiets denk je zomaar, zonder dat je weet of het ooit zal gebeuren. Ik vond het heel mooi geschreven, en het milieu is interessant, haar beschrijving van de joodse wijk in Antwerpen deed mij denken aan de schilderijen van Chagall met herinneringen aan het dorp waar hij is grootgebracht, met al die rare chassidische mannetjes. En dan is er die dramatische valbijl, de dood van het jongetje Simcha. Toen ik dat las kon ik een kreet van ontzetting niet onderdrukken, de tranen rolden uit m'n ogen.
Ik dacht ook meteen dat Isabella Rossellini, met wie ik een paar keer had gewerkt, de chassidische mevrouw Kalman - de moeder van Simcha - moest spelen. Dat wilde zij wel, want zij vond het verhaal prachtig. Maar hoe dichter we bij de opnamen kwamen hoe angstiger ze werd. Uiteindelijk zei ze zelfs dat zij het niet zou doen: “I can’t do it. I am too roman catholic, I am Italian, I am brought up in Roma.” Toen heb ik het vliegtuig naar New York genomen om haar te overtuigen. Ik zei dat ik haar nodig had om haar kwaliteiten als moeder. Zij is zo'n moederdier, en ze heeft een onderdrukte passie. De rest is uiterlijk. Je zet haar een pruik op, ze leert wat Jiddisch en ze is een orthodox joodse mevrouw. Ik heb Pearl Abraham, die een boek heeft geschreven over haar chassidische jeugd, gevraagd Isabella mee te nemen naar de chassidische joden van New York.
Zelf was ik inmiddels ook gaan lernen, want ik ben dan wel joods van geboorte, ik had nog nooit een synagoge van binnen gezien. Gelukkig heb ik Alex de Jong gevonden. Die heeft met Manja Ressler een heel leuk boek geschreven, een kritische handleiding tot joods leven. Maar u ziet er helemaal niet joods uit heet het. Alex heeft me twee jaar lang les gegeven, we zijn een aantal malen naar de joodse buurt van Antwerpen geweest, en ik heb stapels boeken gelezen. Ik kon Isabella uiteindelijk geruststellen door te zeggen dat het allemaal maar uiterlijkheden zijn, die je als acteur bij wijze van spreken z¢ leert.’
'OOK VOOR MIJ blijft die joodse orthodoxie een vreemd milieu. Ik begrijp fundamentalisten Åberhaupt niet, daar heb ik geen geestelijke toegang toe. Ze beroepen zich op geschriften van vijfduizend jaar terug en daarmee is het gesprek afgelopen. Als ze daar ook nog politiek mee gaan bedrijven, zoals in Israel, wordt het helemaal een gevaarlijke zaak.
Pas later heb ik begrepen dat de zoektocht van Chaja in de film, haar kennismaking met de joodse religie, precies dezelfde tocht is als die ik heb moeten maken bij de voorbereiding van de film.’
KrabbÇ vindt het niet toevallig dat zijn film uitkomt op een moment dat er, door de Liro-affaire, meer discussie dan ooit is over hoe moeilijk het was voor de joodse overlevenden om de gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog te verwerken. De twee begraven koffers uit zijn film lijken symbool te staan voor veel wat is weggestopt en nog nooit boven tafel is gekomen. Emotioneel: 'Maar het moest toch ook weggestopt worden! Hoe kun je ermee leven? Zelfs de mensen die er vanaf het eerste moment mee zijn gaan leven, hebben het niet gered. Primo Levi is daar een goed voorbeeld van.
De enige tante die ik nog over heb heeft na 1945 zo hard gewerkt dat zij vanaf de markt waar zij met stoffen stond een groot iemand is geworden in de couture. Zij had niets anders, haar hele familie is vermoord. Nu is ze 82 en kan ze niet meer slapen zonder het licht aan en de ramen open. Het gaat om de allergrootste misdaad die er gepleegd is sinds er mensen op aarde zijn en we zijn daar pas vijftig jaar van verwijderd. Het is heel normaal dat mensen dat niet kunnen verwerken. Het is niet te verwerken. Het is niet te verwerken!
Zelf ben ik ook grootgebracht in de directe schaduw van wat er is gebeurd. En in het toenmalige zwijgen. In ons gezin werd er niet veel over gepraat. Ik denk niet dat het nodig was het te vertellen, ik wist het wel. Ik heb het met de moedermelk binnengekregen. De portretten die er stonden van mensen die ik nooit had gekend, het had geen zin daarnaar te vragen.
Op een gegeven moment, eind jaren zeventig, heeft het me ingehaald. Toen kwam ineens alles wat ik al die jaren had weggestopt naar boven. Ik kon niet meer functioneren, ik wilde niet meer spelen, ik kreeg zelfs straatangst. Toen werd het me te dol en heb ik zeker een jaar, anderhalf jaar lang met iemand gepraat. Dat was heel verhelderend. Ik vond het ook prettig dat het serieus werd genomen. Hij vroeg of hij over me mocht schrijven, want hij vond me nogal uniek, omdat ik de eerste was die over de problemen van de tweede generatie praatte. Ik was natuurlijk een heel fantasierijk en gevoelig kind geweest en de dingen die ik had bedacht, waren natuurlijk behoorlijk angstig.
Over al die ervaringen heb ik met Edwin de Vries gesproken voordat hij aan het schrijven van het scenario begon. Edwin wist natuurlijk precies waar ik het over had. Hij is de zoon van Rob de Vries, een verzetsheld Çn een jood wiens hele familie is uitgemoord. Edwin heeft dus ook een koffer vol. Al die ervaringen zitten wel ergens in deze film verwerkt. Het is wat dat betreft een persoonlijk document, zowel van Edwin als van mij.’
KRABBE SPEELT voor het eerst een jood in een film. Hoewel hij indertijd een enthousiast voorstander van Weinreb was, speelde hij in de film In de schaduw van de overwinning niet de chassidische jood maar diens tegenpool Gerrit van der Veen. Hij vindt dat volkomen vanzelfsprekend: 'Ik heb ook moordenaars gespeeld, gekken, krankzinnigen. Het zijn gewoon rollen. In Farinelli speelde ik de componist HÑndel. Ik heb een biografie over hem gelezen en me een week lang opgesloten en naar zijn muziek geluisterd en ik kwam tot een rare conclusie: ik vond het maakwerk. Toen heb ik de regisseur gevraagd of ik HÑndel mocht spelen als een blaaskaak.
Je wordt als acteur voor iets gevraagd en dan stop je daar van alles in. Als het dichtbij komt, stop ik er ook m'n eigen gevoelens in. En meneer Kalman, die ik in deze film speel, die komt wel verd¢mde dichtbij. Geen regisseur ter wereld hoeft mij te vertellen hoe ik naar dat kindje moet kijken als dat een liedje zingt. Ik hoef alleen maar te denken: zulke kinderen werden dus ook vergast.
Eigenlijk ben ik een acteur van de Engelse stempel. Ik doe een jas aan, ik speel een rol, ik hang m'n jas op, ik ga naar huis en het is voorbij. Ik ben niet zo'n Amerikaanse Method-acteur die de rol w¢rdt. Natuurlijk put ik uit m'n eigen ervaringen, alleen vind ik dat niemand daar iets mee te maken heeft. Een acteur kan z'n eigen gevoelens bespelen. Ik heb mezelf als een marionet aan de touwtjes.
Toch is het me een paar keer overkomen dat er iets gebeurde wat ik niet in de hand had. Ook bij het draaien van deze film. Na een botsing tijdens de viering van de seideravond is Kalman naar z'n geheime kamer gegaan en dan dringt Chaja daar binnen en vraagt hem of hij misschien bang is om van zijn zoontje Simcha te houden. En dan wijst hij haar op een foto die daar hangt, een foto van zijn broertje die in de oorlog is vermoord en sprekend op Simcha lijkt. Bij het opnemen van die scŠne gebeurde iets wat ik niet van tevoren had kunnen bedenken. Het is dan net of je de touwtjes loslaat en de pop vanzelf gaat spelen. En het dubbele was dat ik tegelijkertijd bedacht hoe fantastisch het was dat me dat overkwam, maar dat de emotie daarna zo groot was dat ik me even een paar minuten moest afzonderen om weer bij m'n positieven te komen.’
TOCH HEEFT HIJ, met al zijn professionaliteit, drie keer een rol geweigerd omdat hij ervoor naar Auschwitz moest. Op zichzelf had het hem, zegt hij, geen enkele moeite gekost de commandant van Auschwitz te spelen, dat is tenslotte gewoon een rol. 'Die commandant zou ik zo kunnen portretteren. Maar ik heb er moeite mee als filmster naar Auschwitz te gaan, daar in een verwarmde trailer even buiten het kamp te zitten en m'n kopje koffie te hebben. Als ik erheen ga, wil ik als mezelf gaan, daar rondlopen en die confrontatie aangaan.
Ik weet nog goed dat ik die rol weigerde. Het was in Los Angeles. Er zaten zes mensen aan een tafel tegenover me, allemaal jidden, maar ja, Californische jidden, en weten die veel! Ze begrepen er niets van, het was “a perfect career move” voor me, ik kon er veel geld voor krijgen. Ik probeerde het ze nog een keer uit te leggen en toen begon ik te huilen. Dat hadden ze nog nooit meegemaakt. Maar ik kan toch niet als een filmster naar Auschwitz gaan?
Ik ben ook nog nooit naar Israel geweest. Misschien dat we nu met deze film naar het Filmfestival in Jeruzalem gaan. Dat is een goed moment om er eindelijk heen te gaan. Misschien zijn het confrontaties die ik uit de weg ga. Ik weet nog goed dat ik het tijdens het eerste interview dat ik ooit gaf, in 1965, maar beter vond niet te zeggen dat ik jood ben.’
Jeroen KrabbÇ is een meester in dubbele levens: hij is tegelijk schilder en acteur, jood en niet-jood, filmster en gezellige familieman. Zouden zijn verschillende levens te veel op elkaar klappen als hij als filmacteur naar Auschwitz zou gaan?
Er valt een stilte. 'Ik heb er nooit zo over nagedacht. Mijn hele leven loopt op twee banen, dat is absoluut waar.’ Nog een langere stilte. 'Ik weet het niet. Het is wel zo dat ik m'n verschillende levens enorm gescheiden houd. In het atelier waar ik schilder komt absoluut geen filmscript binnen, dat wil ik niet. Maar het fantastische van deze regie was, dat alles ineens samenkwam. Toen ik de hele film ben gaan tekenen, kwamen de schilder en de acteur in mij samen. En ik ben als regisseur tegenover de acteurs en actrices volstrekt eerlijk geweest, ook over mijn eigen angsten. Ik heb nergens gesjoemeld. Ik ben met al m'n koffers vol naar de set gekomen.’