Televisie

De komiek en de respons

Televisie: Johnny Kraaykamp junior

5 mei 1955. Op het Amsterdamse Woestduinplein buurtfeest vanwege tien jaar bevrijding. Conferencier, orkestje. Weinig volk vergeleken bij de massa’s van ’45 – maar toen werden er nog «moffenhoeren» kaalgeschoren. Bij het bal is het een matte boel en het wordt nog erger als een man gaat springen en schreeuwen: «We zijn weer vrij!» Gênant vertoon van geforceerde blijdschap. Geen re actie. Hij moet zich voelen als kort daarvoor de komiek, wiens grappen als stenen in het water vielen zonder een rimpel te veroorzaken. Graag had ik beweerd dat ik, scholier, als enige door die ongein heen het genie van de nog onbekende Johnny Kraaykamp (want die was het) zag. Maar helaas. Het was gewoon niks.

Elke komiek lijdt onder gebrek aan respons, maar door Martine Bijl begrijp ik dat zoiets voor «Kraay» onverdraaglijk was en is. Bij opnamen van Het zonnetje in huis zat een studiopubliekje voor de niet-ingeblikte lach. Reageerde dat lauw, dan ging het onderste uit de kast, script of niet, om de zaak op te juinen. Wat de kwaliteit niet altijd ten goede kwam, zei ze fijntjes (waarin ze trouwens mees ter is). Het was niet het enige negatieve woord over de tachtigjarige in KRO’s Profiel, al werd zijn genialiteit door niemand betwist en was er naast kritiek ook de weerloze vertedering die hij, net als de lach, sinds zijn jeugd aan zijn kont heeft hangen, waarvan hij zich volledig bewust is en waarop hij rijkelijk speculeert.

Uiteindelijk een mooi portret, maar dat einde had ik bijna niet gehaald vanwege de poeha waarop de KRO in veel van haar programma’s (Netwerk) het patent heeft. Profiel begint met Philip Freriks, informeel zittend op een om gekeerde stoel naast tafeltje met lamp. Hij zet zijn spreekstalmeesterstem op voor een inleiding, terwijl het beeld verbreedt en een schildersezel (!) zichtbaar wordt met daarop een fotoportret van de hoofdpersoon. Hij heeft het over «een typisch Neder landse pu bliekslieveling, een kleine pech vogel van wie je onwillekeurig gaat houden», die ook «markante shakespeariaanse rollen» is gaan spelen (bombastische ma nier om te zeggen dat hij Lear speelde, want zijn andere serieuze werk heeft weinig met de Zwaan van Avon van doen). Maar waarom zit Freriks daar eigenlijk? Spreekt de documentaire niet voor zich? Moet hij als Hitchcock die detectivefilms aankondigde voor grotere omzet zorgen? Dan eindigt hij met paukenslag: «Maar zoals dat vaak voor komieken geldt, achter de lach heerst de leegte…»

Pas dan mogen we gaan kijken naar «het portret van een aan beden volksheld». Waarin off-screen de stem van maker Fons de Poel meteen benadrukt waar het ei genlijk allemaal om draait: «Gek op aandacht maar amper in staat het gewone leven in banen te leiden.» Veel goede documentaires bevatten een geheim dat geleidelijk voelbaar wordt, of dat juist als verrassing de kijker dwingt te heroverwegen wat hij zag en dacht. Hoe dan ook: elke goede documentaire ontvouwt zich. Profiel daarentegen laat niets te ontdekken of raden over en het was vooral te danken aan Bijl, Pierre Bokma en bovenal Johnny Kraaykamp junior (een van zijn mooiste op tredens) dat we ondanks het op geblazen geweld verfijning en ontroering ervoeren.