Holland Festival: Dudamel is een dirigeerbeest

De komst van ‘Gustavo de Grote’

De komst van ‘Gustavo de Grote’ De jonge Venezolaanse dirigent Gustavo Dudamel wordt wereldwijd overladen met lof. In zijn handen klinkt een symfonie van de Finse Sibelius ineens warmbloedig Latijns-Amerikaans.

Kan er uit Venezuela iets goeds komen? Sommige mensen twijfelden daaraan. Het is zo’n land waar niemand die er is geboren of heeft gewoond ooit naar terug wil. Voor zijn eigen­zinnige en demagogische president Hugo Chávez heeft behalve Fidel Castro ook nooit iemand een goed woord over. En toch: het meest noordelijke land van Zuid-Amerika heeft een fantastisch systeem van 125 jeugdorkesten, een bruisend muziekleven en een geniale, jonge dirigent Gustavo Dudamel die aan het begin staat van een wereldcarrière en nu met zijn Orquesta Sinfónica Simón Bolívar uit Caracas de afsluiting van het Holland Festival tot een bruisend muziekfeest gaat maken.

Een rare bekentenis dan maar. Bij het voorbereiden van dit artikel had ik tranen in mijn ogen boven mijn laptop. Tranen van ontroering, tranen van vreugde. Het begon met iets heel gewoons: een filmpje van het Göteborg Symfonie Orkest, dat een symfonie van Sibelius (1865-1957) speelt. Voor de 138ste keer in hun geschiedenis, wordt erbij gezegd, de eerste drie keer was het onder leiding van Sibelius zelf. Maar nu, het swingt en kolkt en sleept me mee, en ook de in rok geklede orkestleden stralen en lachen als ze spelen en als ze naar elkaar luisteren. Op de bok staat de vrolijke, springerige, hartelijke Gustavo Dudamel, die sinds zes jaar hun chef-dirigent is. Sibelius klinkt zoals hij nog nooit heeft geklonken. Nee, niet zo erg Fins of Zweeds, dat is waar, eerder warmbloedig Latijns-Amerikaans. Sibelius begint werkelijk te swingen.

Een heel ander filmpje over dezelfde Gustavo Dudamel. We zien kleine meisjes uit Caracas met grote violen zitten, ze kijken serieus, luisteren, spelen Strawinsky, een meisje strijkt ernstig met haar strijkstok langs haar neus. We zien een heel gewoon jongetje dat staat te dansen in een stadsbus. Hij vertelt over het moeilijke leven in een barrio, een sloppenwijk. De armoede, de uitzichtloosheid, de angst voor het geweld, het gebrek aan perspectief. De verleiding van criminaliteit en drugs. En die ene mogelijkheid daaraan te ontsnappen: de muziek. Door el systema, de vele jeugdorkesten die sinds 1975 overal in Venezuela zijn gesticht. Een idee van econoom en musicus José Antonio Abreu, nu een stokoude man die bij ieder concert in Caracas door Gustavo Dudamel wordt geëerd. Want ook hijzelf heeft het gevoel dat hij uit el systema is voort­gekomen.

El systema in Venezuela en Gustavo Dudamel, ze horen nog altijd onverbrekelijk bij elkaar. Dudamel bewijst wat een goed stelsel van muzieklessen en jeugdorkesten kan opleveren. Ondanks zijn internationale succes blijft hij leider van het vlaggenschip van el systema: het Simón Bolívar-jeugdorkest, dat sinds kort niet meer een jeugdorkest is maar een volwaardig symfonieorkest. Terecht. Het kan zich intussen meten met de beste orkesten in de wereld. De musici zijn nog altijd heel jong, omstreeks de dertig jaar zo te zien, maar ze spelen uiterst professioneel en ik vind het ontroerend dat ze niet zijn ontslagen toen ze te oud werden voor een jeugdorkest, maar dat het orkest van naam is veranderd en er tegelijk een nieuw jeugdorkest is gesticht: het Teresa Carreño-jeugdorkest, dat ook al internationaal succes heeft.

Toch zou je je kunnen afvragen of Gustavo Dudamel werkelijk uit el systema is voort­gekomen. Hij is in 1981 geboren in Barquisimeto, een redelijk grote stad in het westen van Venezuela. Zijn beide ouders waren musici en misschien was hij ook anders een verdienstelijk violist geworden. Maar zijn kans als dirigent kreeg hij door het systeem van jeugd­orkesten waar hij al op zijn veertiende kon beginnen met dirigeren. Hij had enorm succes met het Simón Bolívar-orkest uit Caracas, maar ook op eigen kracht viel hij op. Met name na het winnen van het dirigentenconcours van de Bamberger Symphoniker in 2004 stonden de orkesten bij hem te dringen voor gastdirecties. Na een invalbeurt in Göteborg in 2005 werd hij daar een jaar later tot chef-dirigent benoemd en drie jaar later, in 2009, werd hij, nog altijd geen dertig jaar, eerste dirigent van de Los Angeles Philarmonic. Hij dirigeert daar in de gigantische Walt ­Disney-muziekhal.

Hij woont nu, met zijn vrouw en jonge kind, in Los Angeles, maar is net zo vaak in Zweden en in Venezuela en zo’n beetje overal. De ­loftuitingen hebben hem gelukkig nog niet klein gekregen of blasé gemaakt. Toch klinken ze soms oorverdovend, zoals die van Jessica Duchen in de Engelse krant The Independent. Volgens haar was de klassieke muziek al jaren aan het kwijnen en was er behoefte aan een superheld, een jong, hip, charismatisch boegbeeld, die een nieuwe generatie kan inspireren om de muziek te omhelzen. En daar komt ‘The Dude’, zoals zij hem noemt, oftewel ‘Gustavo de Grote’.

Wat is er zo geweldig aan Gustavo Dudamel, dat je inderdaad het gevoel hebt dat alles wat hij laat horen nieuw en fris lijkt? Je zou hem misschien zelfs kunnen verwijten dat hij tegenstellingen in de muziek heel sterk aanzet. Het gevolg is echter een zeer aansprekende, beeldende stijl van muziek maken, die in staat is een groot publiek aan te spreken. Voor hem, en voor zijn leermeester Abreu, is klassieke muziek niet iets voor een elite, maar iets waar iedereen plezier aan kan beleven, spelend en luisterend. De films van de concerten in Venezuela laten een publiek zien van alle leeftijden en uit allerlei lagen van de bevolking; iedereen geniet evenzeer, wiegt en danst mee.

Naast de gevestigde symfoniemuziek hoor je muziek van minder bekende Latijns-Amerikaanse componisten, zoals Arturo Márquez (1950) en Sylvestre Revueltas (1899-1940). Die muziek mag best onbekommerd swingen, net zoals een uitsmijter als de Mambo uit West Side Story van Leonard Bernstein (1918-1990), als de hele zaal aan het dansen slaat, inclusief de violistes en de hoornisten. Maar als Dudamel met zijn orkest Mahler speelt, kan die heel zacht en lieflijk klinken, en zelfs het allerbekendste stuk uit het wereldrepertoire, de Vijfde symfonie van Beethoven, klinkt anders dan je het ooit hebt gehoord.

Hoe kan dat? Dudamel benadrukt de strijdbaarheid van Beethoven, zegt hij zelf. Hij is geen diepe denker over de muziek, eerder een dirigeerbeest, maar wat hij zegt snijdt hout. Hij ziet Beethoven als een vechter die zijn strijdlust in muziek om kan zetten; misschien geldt dat ook voor hemzelf en is hij niet alleen maar zo’n vrolijke, springerige jongen. Het is iedere keer weer een gevecht en hij is vrolijk, opgelucht en dankbaar als het weer zo grandioos is gelukt. Dan staat hij bij het buigen midden tussen de orkestleden, niet vóór ze, en lacht naar ze op een manier die niet plichtplegerig is maar oprecht dankbaar en bewonderend. Het is, ook tijdens het dirigeren, of hij ieder orkestlid persoonlijk aankijkt en aanmoedigt. Het is niet alleen een genot om naar hem te luisteren, het moet ook een vreugde zijn onder hem te spelen, en misschien is het daarom dat het altijd zo vreselijk mooi, helder, overtuigend klinkt. En swingend. Dudamel zegt zelf dat elk concert, in elke stad, in elk land anders is, en dat zijn in zijn geval geen loze woorden. In Luzern klinkt zijn Wals van Ravel voorzichtiger dan anders, hij probeert het Zwitserse publiek langzaam mee te nemen en komt pas helemaal los als hij Latijns-Amerikaanse muziek speelt.

Een vraag die ik niet helemaal heb kunnen beantwoorden is wat de samenhang is tussen het wonderbaarlijke systeem van jeugdorkesten in Venezuela en het regime van Hugo Chávez, de autoritaire socialist en populist die pogingen deed zijn democratisch gekozen presidentschap levenslang te bestendigen. Om te beginnen bestond el systema natuurlijk al lang voordat Chávez aan de macht kwam. Ten tweede pronkt Chávez graag met het succes van de jeugdorkesten en van Dudamel. Maar ook krijgen de orkesten en het muziekonderwijs ruimhartig steun van de regering. Niet voor niets verschijnen er nu overal in de wereld op Venezuela geïnspireerde jeugdorkesten. Zelfs in de Verenigde Staten, waar het muziekonderwijs sterk onder druk staat.

Chávez, el systema, Dudamel. Misschien is het alleen maar een toevallig bijeenkomen van ongelijksoortige zaken die elkaar nu eens versterken en niet in de weg zitten. Wat de muziek betreft: wij hoeven er alleen maar van te genieten.


Slotconcert Holland Festival, Concertgebouw Amsterdam, 28 juni, 20.15 uur. Het Simón Bolívar Symfonie Orkest van Venezuela onder leiding van Gustavo Dudamel speelt ­Rituales Amerindos van de Argentijnse componist Esteban Benzecry (1970) en Eine Alpen­sinfonie van Richard Strauss (1864-1949) en hopelijk als toegift de Mambo van Leonard Bernstein. www.hollandfestival.nl. Als het is uitverkocht, eis dan van het Holland Festival dat er een extra voorstelling komt. Of een openbare repetitie. Of dat er tijdens het concert een groot projectiescherm op het Museumplein wordt opgesteld. Op de televisiemuziekzender Brava.nl zijn geregeld concerten van Dudamel te zien