De koning en de nar

Al een jaar lang wil ik iets met King Lear doen – ik zal straks vertellen wat ik precies wil.

Waarom Lear mij zo intrigeert, weet ik niet. Is het mijn eigen ouderdom? Kan, maar ik denk het niet. Ik vermoed soms dat het komt omdat Lear twee taboes overtreedt. Het eerste is dat hij zijn dochters vraagt hoeveel ze van hem houden. Dat doe je niet. Het tweede taboe is dat Lear de enige dochter die de waarheid heeft gesproken, vervloekt en verstoot. Ook dat doe je niet. Het zijn twee blunders, en je vraagt je af wat Lear daartoe heeft bewogen. Shakespeare wist wel waarom hij dat deed: drama is conflict. Maar hij begreep ook iets anders: door die fouten van Lear ontwikkelt zich drama na drama – en bij elk drama wordt Lear juist menselijker. De vraag is dan: wat is menselijk?

Eigenlijk is dat het inzicht, aan het eind van het stuk, dat hij die taboes nooit had mogen overtreden. Het meest tragisch is een mens die geconfronteerd wordt met zijn eigen fouten en de gevolgen daarvan beseft.

De intrigerendste rol in Lear is die van de Nar. The Fool. Over de narren bij Shakespeare is veel geschreven. Die nar is bij Shakespeare nooit echt komisch, hij is wijs, hij is slim, hij is soms ook snel, hij is bitter, maar humor ontbreekt hem enigszins. Lear beschrijft hem als een ‘leuke boef’ en dat is goed getroffen.

Ik heb Lear verschillende keren zien spelen. Ik weet niet wanneer het was, maar mijn eerste keer, met mijn ouders, vond ik het mooist. Lear werd gespeeld door Guus Hermus, en de Nar, die ik me nog goed voor de geest kan halen, werd gespeeld door Lou Landré.

Mijn vader had het stuk me wel tien keer verteld, want hij was bang dat ik er niets van zou begrijpen. Aan tafel werden passages voorgelezen uit de Burgersdijk-vertaling die ik m’n vader soms vroeg te vertalen in normaal Nederlands!

Maar nu hou ik van Lear als van mijn vader.

Wat ik ermee wil doen is dit. Ik heb vroeger ook Johnny Kraaijkamp als Lear gezien. Dat was indrukwekkend. Ik had ‘Kraaij’ altijd als conferencier en grappenmaker aangemerkt, dus dat hij fraai speelde op het grote toneel was een verrassing. Op YouTube kun je nog enige fragmenten zien.

Wat ik nu wil is een monoloog schrijven voor Pierre Bokma van ongeveer een uur, tachtig minuten, en die moet gaan over Johnny Kraaijkamp die Lear repeteert. Maar tegelijkertijd hoort hij de nar repeteren – het oude beroep van Kraaijkamp. Hij ergert zich aan die nar, en de acteur. En Kraaijkamp, oud, ergert zich aan alles, en iedereen, en vooral aan zichzelf.

Het is een monoloog die moet gaan over ouderdom, het maken van verkeerde beslissingen, over humor en jezelf rekenschap geven van je daden.

Ik kan er nog veel over vertellen.

Het vervelende is dat ik hierover wel al met Pierre Bokma heb gesproken, en hij wil het doen, maar er lijkt geen toneelproducent verder in geïnteresseerd. Godverdomme! Ik kan daar zo kwaad om worden. En ik krijg dat idee niet uit mijn hoofd. (Als iemand Joop van den Ende kent, bel hem even!)

Hoe dan ook: ik lees en herlees Lear en ontdek steeds meer hoe Shakespeare zelf een positie innam als fool, als nar. Hij is spits en slim, hij laat de acteurs op het juiste moment de juiste dingen zeggen; hij helpt ze met zijn taal. Zelfs op de momenten dat er actie zou moeten zijn en dat die er dan niet is – bijvoorbeeld als hij zijn dochter verstoot – laat hij het verbaal knetteren.

Ach ja, er is nog een mooi boek over Shakespeare te schrijven naast die ongeveer – volgens Britse telling – vijftienduizend geschriften die er al over hem bestaan.