Opheffer

de koningin der aarde is ziek

Wat heb ik het afgelopen jaar aan de journalistiek gehad? Nogal veel. Direct na de moord op Van Gogh stonden er artikelen in de krant over de dader, de buurt van de dader, de positie van de groep waarin hij verkeerde; het was allemaal redelijk genuanceerd – mij wel eens te genuanceerd.

Op 31 oktober van het afgelopen jaar stond er dan ook in de krant: «De pers heeft in de weken na de moord op Theo van Gogh vooral begrip willen kweken voor de positie van allochtonen.» De Universiteit van Amsterdam had het allemaal uitvoerig onderzocht. Het was op dat moment dat ik dacht: kom, ik ga weer eens «het debat» aan met deze of gene.

Het had totaal geen zin. De pers gaf «de buitenlander en vooral de Marokkaan overal de schuld van». Als er een keer iets was mis gegaan, dan stond er meteen in de krant dat een Marokkaan het had gedaan.

«Moeten we dat dan niet opschrijven?»

«Je kunt ook kijken naar de goede dingen die gebeuren. De Antillianen zijn veel slechter dan wij, daar hoor je nooit iets over.»

«Daar hoor ik van alles over. Maar feit is dat de kranten juist voor de positie van alloch tonen begrip hebben willen kweken.»

«Dat is niet waar.»

Het was een hopeloze discussie.

Er was zelfs een moment waarop mij werd gevraagd wat ik dacht over de moordenaar van Theo, Mohammed B. Ik antwoordde dat die man me op zichzelf weinig kon schelen. Hij zat vast, kwam nooit meer vrij. Ik was blij met het Nederlandse recht.

Dat antwoord was niet goed. Althans, het werd niet geloofd. Letterlijk zei iemand: «Ik geloof jou niet. Jij zegt dat Van Gogh jouw beste vriend was, dan wil jij Mohammed B. dood hebben. Als jij zegt dat je dat niet wil, dan geloof ik jou niet. Dan zeg je dat omdat je bang bent voor ons. En dan geloof ik je ook niet. Waarom zou ik jou moeten geloven?»

Voorzichtig zei ik dat dit misschien wel het verschil markeerde tussen het christelijk geloof en de islam. (Ik pikte een theorie van arabist Hans Jansen.) «Het christelijk geloof, waarin ik ben opgevoed, en dat in me zit, predikt vergeving, jullie prediken barmhartigheid. Barmhartigheid is volgens mij: ik heb gelijk, maar ik gedoog je voor deze keer. Vergeving is: het is gedaan, we gaan voort.»

Misschien was het dom van me om het zo uit te leggen, want toen was de boot helemaal aan. Vooral toen ik daarbovenop nog eens vertelde – in keurige bewoordingen – dat ik niet in God geloofde.

«Hoe kunnen we jou vertrouwen als jij niet gelooft. Dan ben je ongeloofwaardig. Dan is alles wat je zegt bullshit.»

Ik droop af. Daar zat ik met mijn humanistische levensovertuiging, met mijn boeken, met mijn kranten.

Wat heb ik het afgelopen jaar aan de journalistiek gehad?

Waarom wilde ik destijds zelf journalist worden? Om de eenvoudige reden dat ik het prettig vond om bij het brandende vuur te zitten, liefst met mijn rug ernaartoe, om te kijken naar de mensen die naar het vuur staarden. Zaken uitzoeken, mensen vragen stellen, iets te weten komen, vertellen hoe het zit. Mooi en nuttig om te doen. Is er een mooier beroep dan dat van journalist?

Maar nu mijn vriend vermoord was – wat tegelijkertijd de verbeelding was van een maatschappelijk probleem – faalden ik en mijn collega’s, terwijl we juist ons best deden en de resultaten aantoonbaar in orde waren. We konden niet overbrengen wat er werkelijk speelde, hoe goed we het ook onderzochten, hoe goed we er ook over berichtten.

Er zijn boeken geschreven over Van Gogh, over 2 november, over de buurt van Mohammed B., over de Hofstadgroep, over de politiek, over de AIVD – er zijn rapporten verschenen, documentaires gemaakt, wie is er niet aan het woord geweest? Van alle kanten werd het probleem beschenen, uiteengerafeld, van visies en opinies voorzien.

Maar degenen voor wie al dat genuanceerde nieuws eigenlijk bestemd was, ontkenden de berichtgeving. Het debat is daardoor verworden tot het uitwisselen van opinies, zonder dat gekeken wordt of die visies kloppen.

«Mijnheer X, wat vindt u ervan?»

«Je ziet voortdurend in de kranten dat een bepaalde groep altijd in een kwaad daglicht wordt gesteld.»

«Mijnheer Y, hoe denkt u daarover?»

«Ik denk dat dat niet juist is.»

«Mijnheer Z?»

«Ik geloof dat we moeten constateren dat de waarheid wel ergens in het midden zal liggen. Kranten zijn vaak slordig in hun berichtgeving. De journalisten doen heus hun best, maar ze hebben weinig tijd en middelen en daarom zijn ze wel eens ongenuanceerd!»

Het is niet waar! Het is niet waar! Het is niet waar! Er is genuanceerd over bericht. Bekijk het onderzoek. Het staat op internet.

Maar: ook die opinie is volstrekt zinloos.

De journalistiek wordt voor een kleine elite. Er worden steeds minder kranten gekocht, er wordt steeds minder naar nieuwsprogramma’s gekeken, de daadwerkelijke verdieping is voor mensen die die verdieping al bezitten.

De noodzaak van nieuws – je kunt er je eigen positie mee versterken of verbeteren – is aan het teloorgaan.

Je wordt gehaat en gehekeld om de kennis die je bezit of vergaart, dus wordt die kennis domweg ontkend, afgebroken of in een vals daglicht gesteld.

De koningin der aarde is ziek.