De koningin der mislukten

Ze had de moed om te mishagen, vond Simone de Beauvoir. Ze leefde letterlijk het existentialisme, deze schaamteloze ouwe vrijster en winkeldievegge, altijd ontevreden, immer gefrustreerd. Violette Leduc deed het alleen niet bepaald uit keuze.

ZE HEEFT HEM ongetwijfeld slapeloze nachten bezorgd. De beroemde Franse uitgever Gaston Gallimard had al twee boeken van haar gepubliceerd, L'Asphyxie en L'Affamee, maar toen Violette Leduc het manuscript van haar derde roman, Ravages, inleverde, was hij diep geschokt: ‘Mijn uitgevershuis is solide, mijn fortuin gemaakt, mijn auteurs zijn betrouwbaar. Ik heb Montherlant, Camus, Malraux, Gide en Valery. Ik heb Sartre. En vrouwen? Daar heb ik een bataljon van: zachte, tedere, dromerige, pikante, schrijnende. Zelfs erotische. Maar allen weten zich te gedragen en zijn goed opgevoed. Maar Violette Leduc? Als ik die “ravageuse” in mijn stal laat, dan krijg ik vaders en moeders tegen mij, de ouders van leerlingen, de helft van het land. Men zal het haar niet vergeven dat zij een vrouw is en over mannen en de liefde spreekt zoals tot nu toe alleen mannen over vrouwen hebben gesproken.’

Ravages verschijnt bij Gallimard in 1955, maar niet nadat het boek is geamputeerd en zo'n tweehonderd pagina’s zijn geschrapt. Gedachtenpuntjes vervangen hier en daar weggelaten passages. 'Het is moord’, zou Violette Leduc er later, in La chasse a l'amour, het derde deel van haar autobiografie, over schrijven. 'Mijn inkt: plasma; mijn pen: een navelstreng. Mijn tekst: een pasgeborene. De censuur heeft alles doodgemaakt.’
De liefde waar zij 'als man’ over spreekt heeft overigens niet zoveel met mannen te maken. De geweigerde passages beschrijven een heimelijke amitie amoureuse tussen twee kostschoolmeisjes, Therese en Isabelle. De ontdekking van de lichamelijke lust, stiekem in slaapzaal of toilet van het pensionaat genoten, wordt inderdaad uitgebreid en zonder enige terughoudendheid geschilderd. Maar Violette Leduc schrijft niet om te choqueren, provoceert niet om te provoceren: ze geeft een ongeneerd beeld van haar leven en daarin neemt het zingenot nu eenmaal een grote plaats in. De manier waarop haar slaperige lichaam door de fluwelen aanrakingen van Isabelle tot leven werd gewekt heeft een onuitwisbare indruk op haar gemaakt. Zoals ook haar latere relaties door het lichamelijke worden getekend.
Violette Leduc is dan ook verbijsterd dat het begin van Ravages als smerig en vuil wordt gezien. De kostschoolmeisjes zien geen kwaad, ze ontdekken de liefde: 'Seks is hun verslindende zon. Zij strelen elkaar. Het is hun religie. Hun hel is de tijd. Hun tijd is beperkt. Zij zijn geen verdoemde vrouwen. Zij zijn geprivilegieerden. Zij wisselen uit wat ze hebben gevonden. Zij ontdekken de wereld tussen hun benen.’
DE WERELD TUSSEN haar benen, zo verklaart Simone de Beauvoir, helpt Violette Leduc uit haar cocon van eenzaamheid te breken. Juist in de lijfelijkheid, in de ontmoeting tussen twee lichamen is er immers, zo wil haar existentialistische filosofie, menselijk contact mogelijk. En in het ondergaan van emoties kunnen lichaam en bewustzijn, die vaak zo gesplitste zaken, samenvallen. 'Zintuiglijke gewaarwordingen zijn de werkelijkheid van gevoelens’, stelt Beauvoir in haar voorwoord bij La batarde. 'Violette Leduc huilt, jubelt, hijgt met haar eierstokken. Hierover zwijgen zou betekenen dat ze zichzelf voor ons verzweeg.’
Sartre had zijn Jean Genet, Simone de Beauvoir had Violette Leduc. Zoals Sartre zich over de 'dichter-dief’ ontfermde, zo beschermde Beauvoir la reine des ratees, 'de koningin der mislukten’, zoals Leduc zichzelf betitelde. Je zou kunnen zeggen dat Beauvoir met Leduc haar eigen verschoppeling heeft, want Genet en Leduc hebben het nodige gemeen: beiden zijn bastaards en voelen zich maatschappelijk verworpenen vanwege hun onduidelijke afkomst, hun ongelukkige jeugd en hun onconventionele seksuele voorkeur; beiden staan volmaakt onverschillig tegenover de geijkte morele waarden, onbeschaamd voeren ze zichzelf ten tonele als dief, homoseksueel of zwarthandelaar; beiden gebruiken de literatuur louter als autobiografisch noodluik en schrijven in feite steeds weer hetzelfde boek; beiden zijn briljante schrijvers zonder de minste ambitie om zoiets als een coherente roman te schrijven.
Violette Leduc wordt vlak na de oorlog aan Simone de Beauvoir voorgesteld. In de bezetting heeft zij zich vol overgave op de zwarte handel geworpen. In het avontuurlijke milieu van stropers en clandestiene slachters heeft zij zich voor het eerst in haar leven op haar gemak gevoeld. Terug in Parijs woont ze, berooid, in een hotelkamer, een akelig donker hol. Ze maakt nog steeds gevaarvolle reizen naar het platteland om zwarte waar te bemachtigen en worstelt met haar schrijverschap. Meestentijds voelt ze zich wanhopig. De ontmoetingen met Beauvoir en de mensen die ze via haar ontmoet - Sartre, Genet, Cocteau, Nathalie Sarraute - zijn de schaarse lichtpunten.
In het tweede deel van haar autobiografie, La folie en tete, herinnert Leduc zich hoe ze, nadat ze de beroemde schrijfster al een aantal keren in cafe Flore heeft bespied, een eerste korte ontmoeting met Simone de Beauvoir heeft en haar de oranje map met haar pennevruchten overhandigt. Leduc wordt hevig verliefd op Beauvoir en teert op de tweewekelijkse ontmoetingen met haar. Haar foto hangt boven Leducs tafel en haar schrijven draagt ze, na de eerste kennismaking, in stilte aan haar op. Zo schrijft Leduc, als Simone de Beauvoir te kennen geeft dat ze haar teksten boeiend vindt, geexalteerd: 'Ik herlas wat zij had gelezen: een vrouw met een groot talent volgde me via mijn bladzijden. De wetenschap dat ze had gelezen wat ik had geschreven, bracht me in verrukking. Mijn gebaren, mijn tics, mijn bewegingen, mijn buien van radeloosheid, van geestdrift, mijn dieptes, mijn hoogten, mijn schatten, mijn afval, mijn valpartijen, mijn sprongen, mijn verlies van evenwicht, mijn herstel, mijn extases, mijn doodsangsten, mijn inzinkingen, mijn overwinningen, mijn rotstreken, mijn vergissingen, mijn vernederingen, mijn instortingen, mijn verrijzingen… zinnen die haar voortaan toebehoren.’
HET IS AAN SIMONE de Beauvoir te danken dat Violette Leduc daadwerkelijk schrijfster wordt. Dank zij haar bemiddeling worden fragmenten uit Leducs eerste roman in Sartres tijdschrift Les Temps Modernes gepubliceerd en verschijnt L'Asphyxie in 1945 in de Collection Espoir van Albert Camus. Het zou echter nog twintig jaar duren voordat ze echt als schrijfster naam maakt. Van de eerst zes romans van Leduc worden slechts een paar honderd exemplaren verkocht, de kritiek bekommert zich er nauwelijks om en Leduc leeft, aangevreten door twijfel en wanhoop, van nauwelijks tweehonderd gulden in de maand. Zoals zo vaak het geval is, wordt haar faam gevestigd door een succes de scandale.
In 1964 verschijnt La batarde, het eerste deel van haar op aanraden van De Beauvoir geschreven autobiografie, met een voorwoord van de beschermvrouwe zelf. Er gaan in enkele maanden tijds 125.000 exemplaren over de toonbank en haar naam prijkt al snel bovenaan de lijst van genomineerden voor de Prix Feminin en de Prix Goncourt. Nog voor de prijs wordt uitgereikt, ontspint zich een vinnig debat over het boek. La batarde wordt ofwel bejubeld om de literaire kwaliteit en de ongewone openhartigheid, of gekraakt als een schandalig, immoreel, pervers, obsceen, pornografisch en schaamteloos boek. Uiteraard doen al de 'negatieve’ kwalificaties de verkoop alleen maar stijgen. De jury’s van beide prix omzeilen het probleem-Leduc slinks door te verklaren dat alleen fictie kan worden bekroond en dat het door en door autobiografische werk van Leduc daarom niet in aanmerking komt.
Andermaal geeft Leduc aan dat ze met het schrijven van La batarde niets onwelvoeglijks van zins was. 'Wanneer je in koud water duikt, is dat verschrikkelijk, het is onaangenaam. maar daarna, wat een welbehagen! Het bloed stroomt, men voelt zich gezond. Als de lezers van scabreuze passages een koude douche hebben gekregen, dan ben ik ervan overtuigd dat zij het vervolgens warm krijgen, zich gezond zullen voelen, want een tekst die openhartig en eerlijk is geschreven, kan niet onfatsoenlijk zijn. Die tekst bevrijdt.’
MAAR HOE DAN ook heeft Violette Leduc, om met Gaston Gallimard te spreken, geen zachte, tedere, dromerige en pikante vrouwelijke stem. Ze weet zich inderdaad niet te gedragen, is bepaald geen welopgevoed meisje. Al wordt ze in de pers direct als de vrouwelijke evenknie van Henry Miller en Jean Genet bestempeld, ze kan zich niet hetzelfde permitteren als zij. Ze heeft wat Simone de Beauvoir in La deuxieme sexe de 'moed om te mishagen’ noemt. En als vrouwen iets niet mogen, daar wijst Beauvoir ook op, dan is het mishagen.
Op de vraag wat hij had ondergaan bij het lezen van Sartres heiligverklaring, Saint Genet, in 1952, gaf Jean Genet als antwoord: 'Een soort weerzin omdat ik mezelf naakt zag, en dan uitgekleed door iemand anders dan mezelf. In al mijn boeken geef ik me bloot, maar tegelijk vermom ik me met woorden, door keuzen en houdingen, door feeerie. Ik zorg ervoor niet al te grote averij op te lopen.’ Net als de 'dichter-dief’ geeft Violette Leduc zich zonder enige gene bloot. En net als hij omhult zij zich met een kleed van woorden, daar is zij schrijfster voor. Toch is er een groot verschil tussen beide openhartigen. Waar Genet zijn leven in een legendarisch licht plaatst, zijn eigen mythevorming ferm in de hand neemt en zijn verdorven aura koestert, lijkt het alsof Leduc vanuit morele onwetendheid schokt. Beauvoir noemt het haar onschuld in het kwade. Ze schrijft niet opzettelijk met branie en bravoure, maar vertelt op een bijna dierlijke manier haar harde waarheid. Alsof ze niet anders kan. En averij loopt ze voortdurend op.
Niet alleen Leducs expliciete erotische uitwijdingen zijn aanstootgevend. Welbeschouwd doorbreekt ze op vrijwel elke pagina van haar boeken taboes. Ze presenteert zichzelf schaamteloos als ouwe vrijster, betrapt winkeldievegge, onbeschaamd profiteur, armzalig wijfjesdier met haar vraatzuchtige onderlijf, geldbelust zwarthandelaarster. Ze schrijft over zichzelf als altijd ontevreden, nooit bevredigde, immer gefrustreerde vrouw, die zich aan iedereen met wie ze in aanraking komt als een boomklever vastklampt. Haar eenzaamheid is diep en absoluut, evenals haar egocentrisme. 'Je suis un desert qui monologue’ - 'Ik ben een woestijn die een alleenspraak houdt’, schreef ze eens aan Simone de Beauvoir.
'Mijn geval is niet uniek’, begint ze La batarde. 'Ik ben bang om dood te gaan en ik vind het vreselijk dat ik besta. Ik heb niet gewerkt, ik heb niet gestudeerd. Ik heb gehuild, ik heb geschreeuwd. Mijn tranen en geschreeuw hebben me veel tijd gekost.’
Misschien is haar geval niet uniek, haar literatuur is dat wel. Er zijn weinig schrijfsters die op papier zo meeslepend klagen, jammeren, schreeuwen, huilen, temen, janken, weeklachten, zwelgen in zelfmedelijden en verdrinken in eenzaamheid. In haar inleiding bij La batarde benadrukt Beauvoir dat Leduc de duistere onderstroom die in ieder mens is naar boven haalt: 'Een vrouw daalt af in haar geheimste zelf en vertelt erover met een drieste oprechtheid, alsof er niemand was om ernaar te luisteren.’
Haar relatie tot haar lezer is te vergelijken met de relatie tot haar geliefden. Ze eist ze volledig op, zuigt ze leeg, verlangt dat ze zich oplossen, wil ze zozeer bezitten dat ze de liefde onvermijdelijk smoort. Ze eist dat haar vriendin Hermine, met wie ze negen jaar samen is, na haar werk al haar tijd aan haar besteedt, voor haar kookt en naait, toegeeft aan al haar grillen. Geplaagd door slapeloosheid wil ze zelfs niet dat Hermine slaapt: 'Ik haat slapers.’ De titel van haar eerste roman, L'Asphyxie, 'De verstikking’ is eigenlijk op haar hele wezen van toepassing: ze verstikt haar omgeving, ze verstikt zichzelf, als 'de roofsprinkhaan die zichzelf verslindt’.
En ze verstikt haar lezer: in hijgerig, broeierig proza klampt ze zich aan hem vast, gunt ze hem geen moment rust. Zoals ze haar geliefden probeert te vermurwen met haar zieligheid, probeert ze ook de lezer in te palmen. 'Lezer, volg me. Lezer, ik val aan je voeten, opdat je me volgt.’ Of: 'Nee, lezer, mijn pijn is niet gekunsteld. Ik doe mijn best deze troebele bouillon van hopeloosheid op te helderen.’
LA BATARDE, in het Nederlands vertaald als De bastaard en onlangs opnieuw uitgebracht als paperback, beschrijft het leven van Violette Leduc van haar geboorte tot het einde van de Tweede Wereldoorlog. Ze wordt in 1907 in Arras als buitenechtelijk kind geboren, haar moeder werd verleid door de zoon van de rijkeluisfamilie waar zij in dienst was. Haar jeugd staat in het teken van twee pijnlijke zaken: ze heeft geen vader en ze is lelijk. In haar hele werk schrijft Leduc met afschuw over haar uiterlijk - haar dikke neus, verlepte ogen, vormeloze mond. Een op straat opgevangen opmerking - 'Als ik zo'n smoelwerk had maakte ik me van kant’ - is gif dat blijft bijten.
Behalve lelijk vindt ze zichzelf dom. Als haar moeder trouwt, wordt ze naar een kostschool gestuurd. Na de affaire met Isabelle - in La batarde is een deel van de eertijds verboden erotische episode wel opgenomen, in 1965 besluit Gallimard tot een aparte uitgave van Therese et Isabelle - wordt Leduc verliefd op haar pianolerares Hermine. Als hun relatie uitkomt, wordt ze van de school gestuurd. Ze zou haar middelbare school nooit afronden.
Ze komt bij haar moeder en stiefvader in Parijs terecht, waar ze werk vindt bij uitgeverij Plon. Later werkt ze als receptioniste bij een filmimpresariaat en als journaliste voor damesbladen. Alles wat ze onderneemt, loopt op een mislukking uit: in haar werk is ze onhandig; van haar liefdesrelaties maakt ze een regelrechte ramp. Hermine verlaat haar, haar huwelijk met de waarschijnlijk homoseksuele Gabriel is bij voorbaat tot mislukken gedoemd.
Tijdens haar huwelijk leert ze de homoseksuele schrijver Maurice Sachs kennen en vat ze een onmogelijke liefde voor hem op. Hij is het die haar, moe van haar gelamenteer, aanraadt te schrijven: 'Je kinderverdriet begint me de keel uit te hangen. Vanmiddag pak je maar eens je tas, een pen, een schrift, je gaat onder een appelboom zitten en je schrijft op wat je mij vertelt.’
In haar voorwoord bij La batarde geeft Simone de Beauvoir een existentialistisch getinte motivatie van haar bewondering voor Violotte Leduc. De principiele eenzaamheid, de onmogelijkheid tot contact, de 'fataliteiten’ die haar hebben gevormd, 'de ander’ die door de moeder wordt belichaamd - het is allemaal volgens het existentialistische boekje. Het past volkomen binnen haar levensfilosofie als ze onderstreept dat Leduc haar eenzaamheid zelf heeft verkozen: 'Een onoplettend lezer ziet waarschijnlijk in haar geschiedenis alleen een opeenvolging van toevalligheden. In werkelijkheid is hier sprake van een keuze die stand houdt en vijftien jaar langt telkens opnieuw wordt gedaan alvorens te leiden tot een oeuvre.’ Uiteindelijk biedt de literatuur haar de vrijheid haar leven te herscheppen.
Het leven herscheppen op papier, Simone de Beauvoir heeft het zelf ook gedaan in haar autobiografische boeken. Het is verleidelijk de autobiografieen van Leduc en Beauvoir naast elkaar te leggen. Beide schrijfsters vestigen in hun levensverhalen hun identiteit, reconstrueren hun leven. Met de nodige vertekening van dien. Nu er door de uitgave van haar brieven en biografieen veel bekend is over het leven van Simone de Beuvoir, is duidelijk dat ze in haar autobiografische boeken een ideaal levensplan heeft ontworpen. In haar boeken maakt ze de aloude contradictio in terminis ongedaan: ze presenteert, met de nodige vertekening van de werkelijkheid, het leven van een vrouw en intellectueel. In Een welopgevoed meisje beschrijft ze hoe ze door haar ouders met tegenstrijdige verwachtingen en eisen wordt opgezadeld. Omdat haar vader geen bruidsschat voor haar kan opbrengen, laat hij haar heel 'onvrouwelijk’ studeren, opdat ze haar eigen geld kan verdienen. De tegenstrijdigheden van haar opvoeding gaan in haar latere leven echter over in het benijdenswaardige leven van een intellectuele vrouw. Het leven van lezen, denken en schrijven gaat hand in hand met frequent cafebezoek, een boeiende intellectuele vriendenkring, opgewonden nachtelijke gesprekken, drank en sigaretten.
Hoe anders is het bestaan dat Leduc de lezer voorschotelt. Ze presenteert een nachtmerrie, een geschiedenis van verschrikkelijke eenzaamheid en mislukking. Het ideale vrouwenleven van Simone de Beauvoir vindt haar duistere keerzijde in het leven van Violette Leduc. Terwijl Beauvoir heeft weggelaten wat pijnlijk is, schroomt Leduc niet zich te tekenen in situaties die bijna iedereen met het schaamrood op de kaken zal verzwijgen. Beauvoir creeert een beeld voor zichzelf, Leduc schrijft zich ongegeneerd leeg. Als ze schrijft 'mijn geval is niet uniek’, vergeten we dat het liefst.


Violette Leduc, De bastaard. Vertaald door Therese Cornips, Bezige bij Paperback, 519 blz., 3 20,-