Fanny Schoonheyt, guerrillera tegen Franco

De koningin van de mitrailleur

De enige Nederlandse vrouw die met de wapens in de hand deelnam aan de Spaanse Burgeroorlog is Fanny Schoonheyt. En wat had ze te maken met de moord op Trotski? Over haar turbulente leven verschijnt deze week een boek.

TUSSEN de zes- en achthonderd Nederlanders hebben tijdens de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) meegevochten tegen de troepen van generaal Franco. Fanny Schoonheyt (Rotterdam, 1912-1961) was een van hen en verwierf in korte tijd faam als ‘het dapperste meisje van Barcelona’. De naam van Fanny was ik tegengekomen in een brochure van Jef Last, in de jaren dertig een bekende linkse schrijver. In zijn De Hollanders in Spanje heeft hij het over deze landgenote die zich 'een plaats veroverde in de romancen die het volk dicht’. Verder was er vrijwel niets bekend over deze onbekende heldin, tot een paar jaar geleden brieven zijn teruggevonden die ze schreef aan een vriendin in Rotterdam en die in bezit kwamen van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG). In het Nationaal Archief, in de dossiers van Buitenlandse Zaken, Justitie en de Nederlandse geheime diensten bleek wel al een heel pakket over haar te liggen. Het doen en laten van deze 'revolutionaire van de daad’ - zoals zij in 1936 in een schrijven van het ministerie van Justitie wordt genoemd - werd nauwlettend in de gaten gehouden. Het resulteerde voor haar, zoals voor praktisch alle Nederlandse Spanje-strijders, in het verlies van haar Nederlandse paspoort; het begin van een leven als statenloze dat voor de Spanje-strijders die naar Nederland terugkeerden vaak rechtstreeks naar de Duitse concentratiekampen leidde. Voor Fanny, die in 1940 naar Zuid-Amerika wist uit te wijken, bracht het enorme problemen met zich mee. In 1947 werd ze uit de Dominicaanse Republiek gezet. Met hulp van een haar goedgezinde consul kreeg ze tijdelijk verblijf op Curaçao. Daar bouwde ze onder de naam Fanny Lopez een bestaan op als fotografe. Eind jaren vijftig keerde ze terug naar Rotterdam, waar ze in 1961 overleed.

Over haar krijgsverrichtingen in Spanje heeft ze later altijd gezwegen als het graf, zelfs haar dochter heeft nooit geweten dat ze er te boek heeft gestaan als 'de koningin van de mitrailleur’.

De eerste berichten over Fanny Schoonheyt verschijnen in de vaderlandse pers eind augustus 1936, precies 75 jaar geleden. Het Amsterdamse Algemeen Handelsblad maakt als eerste melding van 'het eenige meisje in de wereld dat een machinegeweer bedient, een groote, mooie blondine’. Een dag later neemt de krant een groot deel over van een interview met Fanny in de Diari de Barcelona, 'waarin een interview staat met onze landgenoote. Deze bleek zich toen al niet meer aan het front te bevinden, maar in het Roode Kruishospitaal van Montjuich. Ze is echter niet gewond, maar moet een rustkuur doen van een dag of acht om haar overspannen zenuwen weer te kalmeren.’

De Spaanse journalist die Fanny in het ziekenhuis opzoekt, steekt zijn bewondering voor de dappere Hollandse niet onder stoelen of banken. In de weergave van het Handelsblad: 'Hij vond haar in bed te midden van een zee van bloemen, welke haar van alle kanten als waardering voor haar heldenmoed werden toegestuurd. Hij beschrijft haar als: lieftallig, met gebruinde huid, blauwe oogen en rossig haar. Ze is 23 jaar. Ze rookt elegante sigaretten. De omgeving maakt niet de indruk van een hospitaal maar van het boudoir van een filmster. Behalve die gebruinde huid en blauwe oogen heeft zij ronde armen, sterke schouders met een sportieve lijn. Haar bewegingen in bed zijn elegant en doen absoluut niet denken aan haar machinegeweer.’

Complimenten over haar dapperheid wimpelt Fanny af, maar de Catalaanse interviewer laat haar uitgebreid vertellen over de krijgsverrichtingen: 'Het eerste gevecht maakte een grooten indruk op mij. Beter gezegd: dat maakte het op ons allen. Voor velen was het een verrassing; waarschijnlijk verbeeldden ze zich dat ze op excursie waren.’ In Nederland is alleen het interview in de Diari doorgedrongen, maar verschillende andere kranten in Barcelona hebben in augustus '36 paginagrote interviews met haar gepubliceerd met sprekende koppen als: 'Fanny, de Hollandse guerrillera’, of 'Fanny, de buitenlandse die in onze rijen vecht’.

Het dagblad La Vanguardia, een van de grootste en populairste kranten van Barcelona, is gaan praten met de belangrijkste militair in de colonne waarmee Fanny naar het front is getrokken. Kolonel Villalba is een beroepsmilitair die de kant van de Republiek heeft gekozen en wiens hulp is ingeroepen omdat het aan die kant ernstig schort aan militaire kennis. Hij heeft alle waardering voor de Hollandse in zijn colonne, die lang, blond en mooi is. 'We hebben haar de bijnaam “koningin van de mitrailleur” gegeven, maar het is echt geen manwijf, integendeel, ze is discreet en vriendelijk, een heel vrouwelijk vrouwtje juist’, vertelt hij de verslaggever die het gretig opschrijft. 'Het opmerkelijke is dat ze vanaf de allereerste dag dat ze bij ons kwam zich gedroeg alsof ze volledig gewend was aan de oorlogssituatie. Op een dag waren we schietoefeningen aan het doen. Fanny kwam dichterbij, mompelde iets van “nee, zo niet”, pakte het geweer en van de twaalf keer schoot ze tien keer in de roos.’

In alle interviews met Fanny wordt hoog opgegeven van haar onverschrokkenheid en moed, maar niet één keer wordt haar de vraag gesteld wat nou eigenlijk haar beweegredenen zijn om zich bij de gewapende strijd aan te sluiten. In de eerste brief die ze na het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog aan haar vriendin Neeltje Bakker schrijft, in november 1936, is ze er heel laconiek over: 'Het parool was: neem een wapen in je hand. Dat heb ik dan ook gedaan’, schrijft ze. Ze is geen trouwe brievenschrijfster. De meeste brieven beginnen met een excuus voor het feit dat ze weer zo'n lange tijd niets van zich heeft laten horen.

Persoonlijke kwesties, daar heeft Fan duidelijk geen tijd voor en ook geen behoefte aan. Op geen enkele manier laat ze haar vriendin weten wat nu eigenlijk de doorslag heeft gegeven in het toch niet geringe besluit om naar de wapens te grijpen. Met een enkele zin verwijst ze naar de eerste dagen van het neerslaan van de opstand van de militairen in Barcelona, maar dan springen haar gedachten onmiddellijk naar de situatie aan het front: 'Toen hier in Barcelona de opstand onderdrukt was (wat zijn er veel goede en bekende kameraden gevallen) ben ik direct met de eerste divisie naar het front in Aragon gegaan, met een machinegeweer (dat kon ik al bedienen). Als je me vroeger in ons duffe, muffe, gezellige, knusse, bedeesde vaderlandje gevraagd had of ik in staat zou zijn tot de dingen, die ik enige tijd geleden heb gepresteerd, dan zou ik onmiddellijk neen gezegd hebben, maar gelukkig is een mens nog in staat tot door hemzelf onvermoede dingen. Ik heb de oorlog meegemaakt, ik maak nog steeds een oorlog mee, maar op het ogenblik dat je midden door het mitrailleurvuur van de vijand vooruit dringt, denk je aan niets, ook niet aan de dood, die duizendvoudig aan alle kanten om je heen is, ook niet aan de droefheid over degenen, die naast je vallen, alleen een blinde woede en wraakgevoel maken zich van je meester. De lust om in de strijd te gaan wordt echter opgewekt door de heilige overtuiging van je idealen. Ik zou boekdelen vol moeten schrijven, als ik je enigszins een idee zou willen geven van de heldhaftigheid van dit volk, de bijna bovenmenselijke kracht waarmee hele legers ongedisciplineerde boeren en stedelingen georganiseerd worden, hoe deze mensen alles opofferen om het land te verdedigen; hoe barbaars en ongelooflijk geraffineerd wreed de vijand is.’

FANNY DOORLIEP in Rotterdam de Eerste Meisjes-HBS aan de Witte de Withstraat. Schuin tegenover de school lag het gebouw van de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Volgens haar vriendin Truus Moser is Fanny op een dag vlak na haar eindexamen in 1929 gewoon de redactie binnengestapt en heeft gevraagd of ze niet een baantje voor haar hadden. Fanny wilde ontzettend graag journaliste worden, dat wist Truus zeker, ook al waren vrouwelijke journalisten in die tijd nog een grote uitzondering. De man waar Fanny op de redactie het meest mee te maken kreeg, was de kleurrijke Victor van Vriesland, dichter en notoir rokkenjager. Volgens Truus hadden Fan en de twintig jaar oudere Vic, zoals hij genoemd werd, al snel 'iets’ met elkaar.

In het voorjaar van 1934 maakt Fanny een reis naar de Sovjet-Unie. Het is een moment in haar leven waarin het geluk haar toelacht. Ze is erin geslaagd haar contacten uit te breiden naar De Groene Amsterdammer, daarbij mogelijk geholpen door Vic van Vriesland, die een paar jaar later teruggaat naar Amsterdam en eindredacteur van het blad wordt. In de zomer van 1934 publiceert Fanny in De Groene een verslag van haar reis naar de Sovjet-Unie. Het gaat niet over de politiek van dat land, maar over het muziekleven. En het is haar gelukt om in maart van dat jaar een van haar verhalen gepubliceerd te krijgen in de Feuilleton-rubriek van de NRC - onder auspiciën van vriend Vic. Ook in dat verhaal speelt de muziek een hoofdrol. In een moeilijk te lezen briefje van vermoedelijk juli 1934 schrijft Fanny aan haar vriendin Neeltje: 'Ik heb het natuurlijk reuze gehad in Rusland en zal je wel eens alles laten lezen, dan hoef ik niet te vertellen want dat gaat toch niet.’ Zoals steeds is Fanny erg beknopt in haar briefjes, maar deze keer voegt ze er toch een opmerkelijk detail aan toe, de reis naar Rusland heeft ook een amoureuze kant gehad en het is de eerste keer dat Fanny in een brief een vriend ter sprake brengt. En er lijkt nog meer aan de hand: 'Ik ga eind september als alles meeloopt er vandoor. Ik weet niet of het dan nog goed is, maar het plan is dat ik naar een nieuwe vriend in Londen ga, daar kan ik wonen, een psychiater die ik in L. heb leeren kennen. Wat ben ik blij dat ik behoorlijk Engelsch kan! Als we volgend jaar nog goeie vrienden zijn, gaan we terug naar de Kaukasus. Kom s.v.p. eens gauw bij me logeeren. Zou ik reuze op prijs stellen. Ik kan niet erge hoogte krijgen van je doen en laten en je moet het nog eens precies vertellen. Mag ik je attent maken op het feit dat er nu al slaapwagons derde klas bestaan naar Parijs? Dat is niet gek, hé? Zullen we het erop wagen. Als je bij me komt logeeren, heb ik je een zwik foto’s te laten zien. Gaat alles goed bij jullie? Bij mij wel. In mij ook wel. Alleen soms nog de oude ellende. Maar de nieuwe Engelsche vriend helpt wel. Jammer dat hij zoo ver is, en ook jammer dat hij psychiater is, die hebben alles direct door.’

De reis naar de Sovjet-Unie heeft haar journalistiek geen windeieren gelegd, De Groene plaatst haar verslagen van de Kurhausconcerten en in minstens drie verschillende bladen, De schijvenschouw, De Toneelspiegel en Symphonia, kan ze haar stukken kwijt. Maar Fan lijkt heel andere plannen te hebben. Ze wil er vandoor, ze wil én naar Parijs én naar Londen, ze heeft én een nieuwe vriend én ze gaat een boek schrijven. Wat bedoelt ze met 'de oude ellende in haar’? Zijn het de fysieke klachten die later ook in de Spaanse Burgeroorlog zullen opspelen? Het doet eerder aan psychische klachten denken, met de verwijzing naar psychiaters die 'alles door hebben’. Met Neeltje zal ze inderdaad een paar Parijse dagen doorbrengen - maar pas vijf jaar later als ze in Spaanse opdracht op geheime missie in Parijs is.

In het archief van het ministerie van Buitenlandse Zaken ligt een briefje van begin 1938. Op 16 februari wordt gemeld dat ene juffrouw Fernanda Wilhelmina Maria Albertina Schoonheyt onlangs het consulaat heeft bezocht. Ze kwam 'met het verzoek haar een paspoort te verstrekken om naar Nederland terug te kunnen keeren. Ik moge Uwe Excellentie verzoeken mij wel te willen berichten of ik aan Mej. Schoonheyt een paspoort, eventueel van beperkte geldigheidsduur, kan afgeven.’ Ook op het ministerie van Buitenlandse Zaken is niet iedereen op de hoogte van het feit dat er al geruime tijd geleden een circulaire naar alle grenswachten is uitgegaan waarin staat dat Fanny geacht wordt haar nationaliteit te hebben verloren en bij de grens onmiddellijk in hechtenis moet worden genomen. Dus informeert men eerst nog eens bij de consul hoe het nou toch gesteld is met haar staat van dienstneming in het Spaanse leger. Het antwoord uit Barcelona op 2 maart 1938 luidt 'dat zij na het militariseeren van de “milicias” nog in dienst is gebleven en de rang van luitenant behaalde. Fotografieën van haar, in uniform gekleed, zijn meerdere malen in verschillende dagbladen verschenen. Of zij thans nog in dienst is, is mij niet bekend.’ Op 9 maart heeft men op het ministerie van Buitenlandse Zaken inmiddels het dossier van Fanny gelicht en laat men het consulaat weten dat aan Fanny 'generlei reispapier’ mag worden verstrekt. Kort daarop blijkt ze in Parijs te zijn en daar over Spaanse papieren te beschikken. Het stelt haar in de gelegenheid oude vrienden te vragen haar in Parijs op te komen zoeken. Zo krijgt ze bezoek van haar oude vriendin Ton, die van dat verblijf een dagboekje bijhoudt. Het is een merkwaardig doorsnee toeristisch verslag: 'We rustten uit in de tearoom van La Fayette waar de diensters in roze gekleed ons serveerden. Fan nam iets lekkers met slagroom, 'k geloof choc. ijs. Ik nam café glacé en pende onder de hand een ansicht aan Henk, o.a. over loopings, glissades en tombades die ik Fan helemaal niet heb zien maken door het slechte weer.’

Pas helemaal aan het eind van het dagboekje krijgen we een idee van wat Fanny in Parijs aan het doen is en krijgen de loopings en tombades betekenis. Het zijn vliegtermen die Ton van Fan heeft geleerd, en tegen Ton maakt ze er geen geheim van dat ze in Parijs is om een vliegbrevet te halen. Fanny wil als pilote terug naar Spanje om daar verder aan de oorlog deel te nemen. Helemaal aan het eind van haar Parijse dagboekje lijkt iets van de dramatiek van de situatie tot Ton door te dringen: 'En toen was het afscheid er weer. Voor hoe lang? Misschien wel voorgoed want 19 januari 1939 kan ze via Toulouse weer naar Barcelona teruggaan, wat nu herhaaldelijk gebombardeerd wordt. Voor twee dingen was ze bang, voor verbranden en voor het blind geschoten worden. Verder voelde ze zich bereid tot alles.’ Enkele weken nadat Ton weer in Rotterdam terug is gekomen, voegt ze nog een laatste stukje toe aan haar dagboek: '13 januari haalde ze haar vliegbrevet. Toch haar doel bereikt ondanks alle misère van slecht weer en zo nu en dan nijpende geldnood. Bravo Fan, moge je gespaard blijven!’

Dan zijn er alleen nog lege bladzijden, geen woord over hoe het verder is gegaan met Fanny en of ze ooit naar Spanje is teruggegaan om te vliegen. Het is een absurde situatie: de troepen van Franco staan op nog maar enkele kilometers van Barcelona, de situatie is volstrekt hopeloos en alleen rond Madrid zal er nog tot april 1939 gevochten worden. Officieel wordt op 1 april 1939 de overgave van de Republiek getekend, Franco heeft de strijd gewonnen en in heel Spanje begint een periode van wrede onderdrukking van iedereen die ook maar een spoor van sympathie voor de Republiek had getoond.

De Nederlandse regering is er als de kippen bij om de regering van Franco te erkennen, al op 23 februari '39, dus nog voor de val van Madrid.

IN DE TWEEDE helft van 1939 krijgt de politieke en militaire situatie in Europa een hoogst dramatische wending. Op 23 augustus wordt het Ribbentrop-Molotovpact gesloten. De schok in heel Europa is enorm; voor veel linkse intellectuelen is het het moment waarop hun ogen opengaan en er een eind komt aan hun al dan niet verhulde sympathie voor de Sovjet-Unie. In Frankrijk volgt daarop een hysterische golf van vreemdelingenhaat die in een paar maanden tijd leidt tot de arrestatie van duizenden buitenlanders. Duitsers en Italianen worden zonder onderscheid des persoons opgepakt, of ze nu voor of tegen Hitler of Mussolini zijn. Het maakt ook niet uit of ze jood zijn en voor de Duitse - en inmiddels ook Italiaanse - rassenwetten zijn gevlucht. De Franse Communistische Partij wordt verboden en als communist ben je vogelvrij. Het gerucht gaat dat Franco de verzekering heeft gekregen dat iedereen die in Spanje voor de Republiek heeft gevochten opgepakt zal worden.

Ook voor Fanny moet het in die maanden in Parijs een uiterst penibele situatie zijn geweest. Ze heeft geen Nederlandse papieren meer en haar Spaanse papieren zijn op dat moment alleen maar ballast. Ze kan van het ene op het andere moment gearresteerd worden. Tegelijkertijd zal ook zij ervan overtuigd zijn geraakt dat een Duitse inval in Frankrijk niet uit kan blijven. In de aantekeningen achter in haar agendaatje van 1939 staan verschillende Zuid-Amerikaanse adressen vermeld en ook het adres van de SERE, de Servicio Emigracion Refugiados Espanoles, dé hulporganisatie die Spaanse vluchtelingen naar het buitenland helpt. Het is niet simpel om op een van de lijsten van de SERE te komen, je moet goede contacten hebben en kunnen bewijzen dat je een behoorlijke staat van dienst hebt in het Republikeinse Spanje. Het lukt Fanny begin 1940 een plaatsje te veroveren op een van de boten naar Zuid-Amerika. Het is de afsluiting van een cruciaal jaar: de burgeroorlog is verloren, haar Spaanse avontuur is met een gigantische nederlaag geëindigd, haar lief is verdwenen of dood, in Europa is de oorlog begonnen. Ze is 27 jaar oud en de toekomst is volledig ongewis.

Wat in Fanny’s agenda het meest intrigeert, is het kruisje in de verder lege week van 25 juli. Hoeveel vrouwen hebben in die jaren vóór de uitvinding van de anticonceptiepil niet kruisjes gezet in hun agenda; meestal waren dat de dagen waarop ze ongesteld werden, of juist niet. In maart 1940 komt Fanny aan in de Dominicaanse Republiek. Ze is dan hoogzwanger.

OVER FANNY’S VERBLIJF in de Dominicaanse Republiek, van 1940 tot 1947, hangt een waas van geheimzinnigheid. Het opmerkelijkst is dat ze nauwe aansluiting zocht bij de kleine Nederlandse gemeenschap en weinig contact had met de Spanjaarden. Vanaf het moment dat Fanny voet aan land zette in de Dominicaanse Republiek ging ze haar verleden als mitrailleurcommandante in de Spaanse Burgeroorlog en als toentertijd overtuigd communiste verzwijgen. Er zijn verschillende redenen te bedenken voor die zwijgzaamheid. Het is denkbaar dat Fanny al in Parijs in de intellectueel-artistieke kringen waarin ze verkeerde zich bewust is geworden van de rol die de Sovjet-Unie, de Russische agenten en in hun kielzog de Spaanse communisten in de Burgeroorlog speelden. In de Dominicaanse Republiek meed ze de communisten, maar ze verkeerde wel in de kringen rond schilders als Eugenio Granell en Vela Zanetti. In die kringen waren de communisten, zacht gezegd, niet populair.

Een andere reden kan zijn dat Fanny het politieke gekrakeel zat was. Onder de dictatuur van Trujillo was het sowieso niet verstandig om je met politiek in te laten, maar dat nam niet weg dat de Spaanse ballingen toch op allerlei verhulde manieren de polemieken voortzetten. Wie vandaag de teksten leest die in de emigrantenblaadjes gepubliceerd werden over vraagstukken die gespeend waren van ieder realiteitsgehalte kan zich alleszins voorstellen dat Fanny besloot een streep te zetten onder het verleden. De gesprekken gingen uitsluitend over dat verleden, het heden was te duister om ermee om te kunnen gaan. De dictatuur van Trujillo liet nauwelijks speelruimte en de meeste ballingen waren bezig met de vraag hoe ze zo snel mogelijk elders een toevlucht konden vinden.

Maar ook een heel andere interpretatie van Fanny’s zwijgen is mogelijk. In augustus 1940 wordt in Mexico Trotski vermoord. De moordenaar is een jonge Spanjaard, Ramon Mercader. In 1960 publiceert Isaac Don Levine, een Amerikaanse journalist die bekendstaat om zijn enorme kennis van de communistische wereld, een reconstructie van die moord. In zijn The Mind of an Assassin duikt plotseling de naam van Fanny op, 'een jonge, lange, blonde Hollandse’ die in juni 1937 in Barcelona gewond in het ziekenhuis ligt. In de kamer naast Ramon Mercader. In die kamer lopen de agenten van de NKVD, de Russische geheime dienst, in en uit. Levine schrijft dat Fanny een bekende militante in de communistische beweging is en dat ze een verhouding heeft met Mercader. In augustus 1940 is het nieuws over de moord op Trotski in heel Zuid-Amerika voorpaginanieuws. De kranten publiceren grote foto’s van de arrestatie van de moordenaar, die onder een valse naam opereert. Onder de Spaanse ballingen in de Dominicaanse Republiek circuleerden geruchten over zijn ware identiteit en het is niet uitgesloten dat Fanny hem heeft herkend. Het idee dat zij in verband zou kunnen worden gebracht met de moordenaar van Trotski moet voor Fanny een nachtmerrie zijn geweest - en het zou haar stilzwijgen meer dan begrijpelijk maken.

Yvonne Scholten, Fanny Schoonheyt: Een Nederlands meisje strijdt in de Spaanse Burgeroorlog, Meulenhoff, 304 blz., € 19,95