In Finland ontspon zich een debat over de vraag of Hassan Blasim nu wel of niet bij de Finse literatuur hoorde © Michael Campanella / The Guardian / Eyevine / ANP

Nee, vluchtelingen zijn niet allemaal apotheker of tandarts. Het zijn ook hoerenlopers, junks, oplichters, godsdienstwaanzinnigen, werkweigeraars of kunstenaars en andere nietsnutten. Soms potentiële terroristen.

Hassan Blasim windt er geen doekjes om in de roman Allah 99. En waarom zou hij ook?

Er bestaat nu eenmaal geen wasstraat waar de herinnering aan oorlog, gevangenschap, marteling en verlies van naasten, huis en haard kan worden afgespoeld en de asielzoeker bovendien van zijn taal, cultuur en overtuigingen kan worden ontdaan om helemaal schoon opnieuw te beginnen. Al zijn er ook in Nederland politici die daarom vragen. Gematigder stemmen gaan er op z’n minst vanuit dat de vluchteling zich in het land van aankomst dankbaar, bescheiden en vooral constructief zal opstellen. Een verwachting die wellicht gevoed wordt door het christelijke idee dat lijden een beter mens van je maakt en slachtoffers nobeler horen te zijn dan daders. Maar goed beschouwd is dat een absurde eis.

Gevoel voor absurdisme is dan ook een noodzakelijke, misschien wel de enige manier om de angst en de verwarring te bezweren die het gevolg is van het leven in twee werelden: de ene die je wel fysiek maar nog niet in gedachten hebt verlaten en de andere waar je wel bent maar die het bewustzijn nog niet als vanzelfsprekend heeft aanvaard. Wat Hassan Blasim laat zien is dat die twee werelden tot gekmakend toe door elkaar kunnen lopen. De oorlog is meegereisd in je hoofd maar niet alleen als herinnering, hij kleurt ook de blik op wat je ziet in de nieuwe omgeving. Zodat je in een Europese stad door een immens gevoel van bevreemding bevangen kunt worden omdat er nooit eens losse ledematen op het marktplein liggen, nee, sterker nog, wanneer er helemaal geen dreiging is van een bomaanslag – terwijl je angst toch niet minder wordt. Dus misschien liggen ze er toch, alleen niet zichtbaar voor het blote oog.

In het verhaal De lijkententoonstelling uit de gelijknamige, eerder in Nederland verschenen bundel pleegt een denkbeeldig kunstenaarscollectief in Bagdad juist een reeks moorden om de slachtoffers zodanig te kunnen exposeren dat het publiek er weer een gevoel van walging bij krijgt in plaats van de dode lichamen schouderophalend te passeren.

Aan de werkelijkheid valt alleen recht te doen door je fantasie erop los te laten, lijkt Blasim – in Irak geboren, in Finland wonend – te willen zeggen. Terwijl de fantasmen bezworen moeten worden door ze laconiek op te tekenen. Hij beschrijft de oorlog niet, maar vooral de indruk die de oorlog maakt. Hij heeft geen behoefte aan generalisaties. Het is alleen het perspectief van de enkeling dat telt. En neem van hem nu maar aan dat dieren dan gewoon kunnen spreken, gaten in de grond toegang tot de wereld van de djinns verschaffen, doden alsof er niets gebeurd is verder leven en dus ook af en toe een taxi nemen. Daar is verder geen uitleg bij nodig.

In de roman Allah 99, genoemd naar de 99 namen waarmee gelovigen hun god aanduiden, heeft de verteller subsidie gekregen voor een blog waarin 99 interviews met migranten moeten verschijnen. Dat sommigen van hen niet meer leven is opnieuw geen bezwaar – ‘ook zij hebben het recht om grapjes te maken’ – en ook hoort het erbij dat de interviewer niet alleen de bizarre verhalen van zijn medemensen beschrijft maar zich nogal vaak verliest in eigen herinneringen, werkeloos en laveloos op bed blijft liggen of tijdens een gesprek danig wordt afgeleid, bijvoorbeeld door de kont van de serveerster.

Blasim is geestig. Geestig en vaak bijzonder grof. Een pik is een pik bij hem en een kut iets waar dat ding moet worden ‘in geschroefd’ wanneer daar bij de houder van het eerstgenoemde instrument behoefte aan bestaat. Er wordt anaal verkracht en onder dwang gepijpt. Geen safe spaces in het leven? Dan ook niet in de literatuur. Ze zijn immers de ongezonde broedplaatsen voor de gewelddadige ideologieën van wie de waarheid in pacht denkt te hebben en dus zijn ogen voor de werkelijkheid sluit.

Het is een perspectief dat vermoedelijk eerder wordt geaccepteerd van een schrijver die als ‘allochtoon’ kan worden weggezet, afkomstig uit een weliswaar barbaarse maar evengoed o zo schilderachtige cultuur, dan van een auteur woonachtig te Coevorden of Den Haag die de universiteit en daarna een tot beschaving verplichtende schrijfopleiding heeft bezocht.

De oorlog is meegereisd in je hoofd maar niet alleen als herinnering, hij kleurt ook de blik op wat je ziet in de nieuwe omgeving

Maar ook al schrijft hij vaak ongepolijst, die uitweg gunt Blasim de lezer niet. Hij weet wat hij doet. Hij is geen nobele wilde. Het verslag van zijn wederwaardigheden wordt doorregen met een reeks e-mails van een vriend of vriendin die juist heel beheerst vertelt over het vertalen van Cioran, de afgrondelijk sombere en slapeloze filosoof die schrijven definieert als waanzin en uitgestelde agressie. Ook Italo Calvino komt voorbij, met zijn schepping meneer Palomar, een man die probeert de wereld te lezen alsof het een tekst is; in het aanrollen van een vloedgolf of de formatie van een vlucht spreeuwen zou betekenis en een universele duiding te vinden moeten zijn.

Die afwisseling tussen het rauwe en het hoog-literaire lijkt gezocht, maar werkt wonderwel. Ze past op de conditie van de vluchteling met Iraakse achtergrond die Hassan Blasim zelf ook is. Ze doet bovendien recht aan de invloed van digitale media. Want meer dan ooit tevoren is het nu mogelijk om niet alleen in je fantasie op verschillende plaatsen tegelijk te zijn.

Ga maar na. De filmmaker Blasim bereikte in 2000 langs illegale weg Europa en zwierf vier jaar rond voordat hij een voorlopige verblijfsstatus in Finland kreeg. Hij begon teksten te verspreiden via internet, die door kleine groepjes lezers overal in de Arabische wereld werden opgemerkt en uiteindelijk tot een publicatie in het Engels leidden. Toen ging het snel: prestigieuze literaire prijzen, tal van vertalingen, een recensie in The Guardian waarin hij tot ‘de grootste levende schrijver in het Arabisch’ werd uitgeroepen.

Ook in zijn nieuwe vaderland werd hij nu opgemerkt. Er ontspon zich een levendig debat over de vraag of ‘de literaire sensatie uit Tampere’ nu wel of niet bij de Finse literatuur hoorde en lid mocht worden van de schrijversbond. Intussen was hij al meer dan eens gezakt voor de taaltoets, pas twaalf jaar na zijn aankomst wist hij een Fins paspoort te verkrijgen. En eindelijk verscheen toen ook zijn eerste ongecensureerde boek in het Arabisch. Bij een uitgeverij in Italië. Dit is doorleefd postmodernisme, geen academisch concept.

Zelf schreef hij er ooit een gedicht als een aanklacht over. Over ‘de academici die subsidies ontvangen om je lichaam en ziel te onderzoeken; politici die rode wijn drinken na een spoedbijeenkomst waarin ze discussiëren over jouw lot; de geschiedenis bestuderen op zoek naar een oplossing voor jouw dochter, die doodvriest in een bos’. Om te eindigen met de bittere conclusie: ‘Ze verwachten hun eigen humaniteit te ontdekken in jouw tragedie.’

Het gedicht werd op muziek gezet en sfeervol ten uitvoer gebracht op de Finse televisie. Je verzint het niet. Of juist wel, wanneer je Hassan Blasim bent en je roman de vorm geeft van een blog waarvoor een uitloper van de humane asielindustrie zoveel geld over heeft dat de met depressie en writer’s block worstelende schrijver de opdracht onmogelijk kan weigeren. Ging het in Duizend-en-een-nacht niet ook om vertellen-om-te-overleven?

Blasim kent zijn klassieken en uiteraard ook deze. Tegen het eind van het boek vraagt iemand in Irak zijn hulp bij het doden van een gebrekkige oude vrouw. Inzet is een schimmige landdeal, opdrachtgever de zoon van de bejaarde, probleem dat de moordenaar zijn handen niet vuil wil maken. Maar de vrouw houdt van literatuur en kan er schijnbaar zeer geëmotioneerd door raken en dus begint de verteller verhalen te mailen die hij van het internet plukt – uit Rwanda, Estland, Japan, en van hemzelf – in de hoop dat zij op een avond door het horen van een ervan bezwijkt. Dan is het verhaal de moordenaar, niet degene die het haar heeft voorgelezen.

Het loopt natuurlijk anders. Het beoogde slachtoffer blijkt een erudiete literatuurwetenschapper die er plezier in schept haar voorlezer voor de gek te houden door hevige emoties te veinzen. Ze begint een eigen correspondentie met de schrijver die in Finland de verhalen selecteert en wordt een soort mentor voor hem. Is zij dezelfde als de Cioran-vertaler? Of zijn diens teksten afkomstig van Blasims overleden vriend Adnaan Moebarak (1935-2017), zoals in een nawoord wordt gesuggereerd?

Doet het ertoe? Het antwoord van Hassan Blasim luidt ongetwijfeld: ‘ja, als in: nee’. Het is afhankelijk van wie er leest en waar dat gebeurt, want Allah 99 is in meer dan één betekenis van het woord fantastisch. Of had ik dat al gezegd, en de schrijver ook?

Hassan Blasim is in november te gast op het festival Crossing Border. Productiehuis Theater Rotterdam maakte een voorstelling gebaseerd op Allah 99, die dit najaar nog in verschillende steden is te zien