De kooi als slijpsteen voor de geest

Gevangenis in Edirne, Turkije © Paolo Pellegrin / Magnum / HH

De Turkse schrijver Yaşar Kemal noemde de gevangenis ooit ‘de school van de Turkse literatuur’. Het is interessant om Ik zal de wereld nooit meer zien met dat citaat indachtig te lezen. Ahmet Altan, die het boek in de gevangenis schreef, was met elf romans weliswaar al geschoold als schrijver, toch blijkt de gevangenis uitermate vruchtbare grond om zijn gedachten en schrijven te scherpen. In dialoog met zichzelf verkent Altan de diepste krochten van zijn geest. De emotionele achtbaan is tegelijkertijd een intellectuele exercitie, die hem uiteindelijk in staat stelt het leven ‘in de kooi’ te ontvluchten.

Kemals woorden vormen ook een geheugensteuntje voor het feit dat politieke repressie in Turkije niet alleen iets van de laatste jaren is. Kemal werd in de jaren negentig vervolgd en gevangengezet vanwege een artikel dat hij in Der Spiegel had geschreven. Hij beschuldigde het Turkse leger daarin van het verwoesten van Koerdische dorpen in de strijd met de pkk. Net als Kemal zijn vrijwel alle grote Turkse auteurs wel vervolgd of gevangengezet voor hun werk. Het betrof met name auteurs met een Koerdische of linkse achtergrond. De communistische dichter Nâzim Hikmet schreef een belangrijk deel van zijn oeuvre vanuit de gevangenis, waaronder het iconische epos Mensenlandschappen.

Gevangenisliteratuur is dan ook zeker geen nieuw genre in Turkije, maar wel een genre dat de laatste jaren aan een flinke opmars bezig is. Politici, schrijvers en journalisten die na de mislukte staatsgreep in de zomer van 2016 werden vastgezet, publiceerden boeken vanuit of over hun tijd in de gevangenis. De verhalenbundel Morgenlicht van de Koerdische politicus Selahattin Demirtaş verscheen onlangs in het Nederlands en journalist Kadri Gürsel publiceerde zelfs een handboek voor collega-schrijvers voor het geval ze achter de tralies belanden. Ahmet Altan vertelt met zijn bundeling korte verhalen een heel persoonlijk verhaal, maar ook het verhaal van de politieke repressie in het land.

‘Ik ben een schrijver. Ik ben noch waar ik ben noch waar ik niet ben’

Ik zal de wereld nooit meer zien brengt de repressieve geschiedenis direct in contact met het heden. Als Altan kort na de mislukte staatsgreep door de politie van zijn bed wordt gelicht, herinnert hij zich de arrestatie van zijn vader, die 45 jaar geleden in hetzelfde gebouw plaatsvond. Schrijver-journalist Çetin Altan werd toen, net als zijn zoons Ahmet en Mehmet nu, door de politie meegenomen. Waar zijn vader de agenten koffie aanbood, schonk Ahmet thee. Hij had zijn tas al klaarstaan, nam zelf nog een slok van de door de agenten afgeslagen thee en zei het leven zoals hij dat gekend had vaarwel. Ahmet en Mehmet worden ervan beschuldigd vlak voor de couppoging in een televisie-uitzending een subliminale boodschap aan de coupplegers te hebben uitgezonden.

In ‘de kooi’, zoals Altan de gevangenis noemt, heeft hij alle tijd voor zijn filosofische contemplaties. Soms met literatuur als vertrekpunt, dan weer ingegeven door de vogels of de regen op de binnenplaats, die zijn enige raam naar de wereld vormt. Meestal is het toch het contact met andere mensen dat hem tot een scherpe gedachtestroom aanzet; met zijn religieuze celgenoten tot wie hij zich als verklaard atheïst maar moeizaam kan verhouden, of met de rechters die hem vergezellen naar het gevangenisziekenhuis. Zij zetten mensen gevangen voordat ze zelf aan de beurt waren. Nu waren ze aangegeven door collega’s die hun hachje wilden redden. Als Altan schouder aan schouder met hen richting ziekenhuis wordt vervoerd, komt hij erachter dat de machtigen van weleer het minst goed kunnen omgaan met het leven tussen vier muren.

Ahmet Altans ervaringen met huidige vertegenwoordigers van de macht zijn niet eenvoudig in woorden te vatten. Samen met zijn broer Mehmet wordt hij tot levenslang veroordeeld voor een poging tot het omverwerpen van de constitutionele orde. De bizarre veroordeling is slechts één voorbeeld dat toont tot wat voor farce de rechterlijke macht in Turkije is verworden. Tijdens de zitting zegt de rechter ervan te balen de bus van vijf uur te hebben gemist, vlak voordat hij zijn veroordeling uitspreekt. ‘We waren beiden aangeslagen. Maar waarschijnlijk was de rechter meer aangeslagen dan ik’, schrijft Altan met een knipoog.

Als (zoon van een) schrijver vormen boeken een rode draad in Altans leven. Van kleins af aan wist hij zich erdoor omringd. In zijn cel moet hij het aanvankelijk doen met de boeken die in zijn geheugen geprent staan. Tot het ontroerende moment waarop zijn eerste boek door een gat in de deur naast hem neerploft, weet hij passages uit de internationale literatuur op te dissen en te verbinden met zijn eigen emoties en overpeinzingen. Als de wanhoop weer eens nabij is voelt hij zich als Dante die zonder Vergilius afdaalt naar de hel.

Maar uiteindelijk is het de verbeeldingskracht die boeken in hem losmaken die hem helpt zijn geest te slijpen en aan de donkerte te ontsnappen: ‘Ik ben een schrijver. Ik ben noch waar ik ben noch waar ik niet ben.’ Met deze echo van de beroemde paradox van Zeno van Elea slaagt Altan erin de verlokkingen van de uitzichtloosheid te weerstaan en met zijn fantasie de muren van de kooi neer te halen. De titel draagt dan ook een ambivalentie in zich. De levenslange gevangenisstraf betekent dat hij de wereld nooit meer zal zien, maar tegelijkertijd ziet hij met zijn fantasie de wereld helderder dan wie dan ook. Het is voor Altan de ultieme, zwaarbevochten overwinning van de menselijke geest.