De kopieerpolitie een briefschrijver van buiten je bedrijf kan een kopievergoeding claimen

Een bedreiging voor de vrijheid van het geschreven woord, roepen tegenstanders. Niet meer danr een rechtvaardige eis, zegt de Stichting Reprorecht. Er moet gewoon betaald worden voor iederr kopietje. Maar wie wordt daar beter van, behalve de Stichting Reprorecht en de grote uitgevers?
SCHRIKBEELDEN VAN Fiod-achtige invallen en onbezoldigde rijksveldwachters van de Stichting Reprorecht die de teller van het kopieerapparaat komen controleren, doemen op bij de voorgestelde wetswijziging van het reprorecht. Als het aan de Stichting Reprorecht ligt, zal binnenkort door bedrijven bij iedere kopie desnoods met potlood moeten worden geturfd of het een reprorechtplichtig kopietje betreft. ‘Een grove inbreuk op de persoonlijke vrijheid en privacy en een bedreiging voor de vrijheid van het geschreven woord’, roepen de tegenstanders van het gewraakte wetsontwerp, die spottend spreken van de ‘kopieer-Gestapo’.

Onzin, beweert de Stichting Reprorecht: officieel geldt de betalingsverplichting al sinds 1972, maar tot nu toe is de kopieervergoeding alleen bij overheidsinstellingen geincasseerd. Het is niet meer dan normaal dat ook bedrijven betalen voor reprorechtplichtig materiaal. Het betreft volgens de voorstanders dus slechts een reparatiewet om voorgoed een einde te maken aan de rechtsongelijkheid. En dat wordt tijd, vinden ze, want de schade voor uitgevers en auteurs loopt - conservatief geschat - in de honderden miljoenen.r >z<
Twee jaar lang is door ambtenaren van het ministerie van Justitie aan een voorstel tot wetswijziging gewerkt. De Tweede Kamer ging oktober 1993 akkoord, maar tijdens de mondelinge behandeling in de Eerste Kamer, een paar weken geleden, liep het mis. Slordig en ‘lacuneus’, zo werd het gewraakte wetsontwerp genoemd: 'Het dient geen enkel rationeel doel en het werkt misbruik, verwarring en wetsinflatie in de hand.’
Eerder had de Eerste Kamer het verzoek van minister Sorgdrager van Justitie om de behandeling uit te stellen tot half mei naast zich neergelegd. Tegen die tijd is de samenstelling van de Eerste Kamer immers gewijzigd als gevolg van de statenverkiezingen en zou het voorstel misschien alsnog kans van slagen hebben. Die kans lijkt nu verkeken.
Niet alleen veegde de Kamer de vloer aan met de inhoud van het wetsontwerp, ook toonde men zich zeer sceptisch over het steeds verder uitdijende auteursrecht en het voortwoekeren van rechten van intellectueel eigendom. Bovendien werd het gebrek aan een onafhankelijke, afstandelijke opstelling van de met het auteursrecht belaste ambtenaren op het departement van Justitie gehekeld. Wagemakers van het CDA sprak van een 'speeltuin van ambtelijke bemoeienis’, waarin de ambtenaren van justitie eenzijdig partij hebben gekozen voor de fanatieke lobby voor de reprowet. Sorgdrager riep na afloop van de behandeling vertwijfeld uit: 'Voorzitter! Daar sta ik dan! Ik ben nog niet zo verschrikkelijk lang minister, maar ik heb nog geen onderwerp meegemaakt waarbij zich zoveel belangenorganisaties op mij hebben gestort.’ Ze gaf toe dat ze zelf ook haar twijfels bij het wetsontwerp had en zette daarmee haar ambtenaren te kijk. Zelf is ze als het ware leider van de oppositie geworden.
DE SLUIMERENDE ONVREDE die 7 februari tot uitbarsting kwam tijdens de behandeling in de Eerste Kamer, heeft voor een deel te maken met de verwarring over wat volgens de wet onder 'reprorechtplichtig materiaal’ dient te worden verstaan. Zelfs voor deskundigen is dat onduidelijk, laat staan voor de gemiddelde leek, die straks voor de Stichting Reprorecht onverwijld moet kunnen aantonen hoeveel reprorechtplichtige kopieen hij heeft gemaakt.
In het wetsvoorstel wordt uitdrukkelijk vermeld dat het gaat om het overschrijven, overtypen, stencillen, faxen en fotokopieren van 'alle extern geproduceerde geschriften’, dus niet alleen van uitgegeven geschriften zoals tijdschriften, kranten, dag- en nieuwsbladen. Daarmee wordt bijvoorbeeld voorkomen dat via een 'kopie van een kopie’ het reprorecht kan worden omzeild, omdat een kopie geen uitgegeven geschrift is.
Neem bijvoorbeeld een brief, afkomstig van iemand buiten je bedrijf: mag men die wel gratis kopieren? Naar de letter van de wet kan de schrijver van die brief daar een reprovergoeding voor claimen. Maar aan wie moet die vergoeding worden betaald? De Stichting Reprorecht verdeelt het geld immers alleen onder uitgevers. En hoe zit het met de fotokopie van een NS-treinkaartje in verband met reiskostenvergoeding? Daar zouden de Spoorwegen wel eens aanspraak op kunnen gaan maken. Niemand weet het precies.
Sinds 1972 is het verboden auteursrechtelijk beschermd materiaal te kopieren, tenzij daar een redelijke vergoeding voor wordt betaald. In de publieke sector en in onderwijsinstellingen worden op grond van steekproeven schattingen gemaakt van het percentage reprorechtplichtige kopieen. In het niet-wetenschappelijk onderwijs geldt een vergoeding van 2,5 cent per kopie, bij alle overige instellingen tien cent. Dat werkt al twintig jaar prima, vindt de Stichting Reprorecht. De afspraken met die instellingen zijn echter nogal arbitrair. Zo is bijvoorbeeld een vergoeding van twee gulden per leerling vastgesteld, zonder dat het werkelijke aantal reproplichtige kopieen bekend is. Door de moeizame wijze waarop de afspraken met de Stichting Reprorecht over het algemeen tot stand komen, hebben ze vaak meer weg van een afkoopsom.
Als de wetswijziging erdoor komt, zullen ook steekproeven worden gedaan bij bedrijven, inclusief samenwerkingsverbanden van vrije beroepen zoals notarissen- en advocatenkantoren en artsenmaatschappen. Van de 'onbezoldigde rijksveldwachters’ is men teruggekomen, maar toch zullen er controleurs over de vloer komen om het percentage belastbare kopieen te bepalen. Voor alle duidelijkheid: het gaat uitsluitend om kopieen voor intern gebruik.
Maar dat is nog niet alles. Wanneer een kopieerder niet meewerkt aan het maken van de schatting, mag de Stichting deze eenzijdig vaststellen. Dat zal de bereidheid tot medewerking positief beinvloeden, aldus het wetsontwerp. 'Allicht’, merkte het Eerste-Kamerlid Wagemakers op. 'Als je de ene partij een katapult zonder kiezels in handen geeft en de andere een snelvuurkanon, dan zal dat op zichzelf de bereidheid tot overleg bevorderen. Is het daarmee echter een redelijke regel geworden?’ Het is voor een bedrijf niet alleen ingewikkeld om aan te tonen voor hoeveel kopieen het een vergoeding denkt te moeten betalen, kwalijker is dat hier een rechtsbeginsel met voeten wordt getreden. Immers, wie het niet eens is met de heffing, moet aantonen dat die onjuist is; dat betekent een omkering van de bewijslast.
A. BEEMSTERBOER, directeur van de Stichting Reprorecht, vindt die kritiek volkomen onzin: 'Als wij met negen van de tien leden van een bepaalde branche-organisatie een goede afspraak over betaling hebben gemaakt, dan moet de stichting over een middel beschikken om die ene protesteerder te dwingen aan te tonen dat hij evident minder kopieert. Anders worden de overige negen benadeeld in hun concurrentiepositie.’ Sussend voegt Beemsterboer daar aan toe dat de stichting heus niet 'met een roestige bijl door het land zal trekken. Dan zouden we immers snel uitgepraat zijn. Er is een College van Toezicht, door de minister van Justitie benoemd, die het doen en laten van de stichting controleert en bemiddelt wanneer er problemen zijn tussen stichting en kopieerder.’
Naast alle grondwettelijke en praktische bezwaren, had de Kamer scherpe kritiek op de onevenwichtige belangenbehartiging op het departement van Justitie. Wagemakers stak zijn gebrek aan vertrouwen in de met het auteursrecht belaste ambtenaren niet onder stoelen of banken: 'Die mensen zijn vaak superspecialisten die in een in zichzelf gekeerde wereld zitten. Ze zijn alleen maar met dat ene type recht bezig en identificeren zich daar volledig mee. Het is toch een nuchter feit dat de minister van Juistitie over het algemeen niet door de politiek ter verantwoording wordt geroepen voor haar bijdrage aan het auteursrecht. Dat creeert een soort speeltuin voor ambtelijke overmoed. Toen ik de schroom had overwonnen om hierover enkele vragen te stellen, werd ik bejegend alsof ik net bekend had er met de kas van het departement vandoor te zijn gegaan.’
Om wiens belangen gaat het nu precies en wat staat er op het spel? Verkeren de uitgevers nu echt in een noodlijdende situatie waaraan zij zich uitsluitend dank zij de invoering van dit reprorecht kunnen ontworstelen? Voorstanders van de wetswijziging hebben telkens benadrukt dat het slechts de reparatie van een weeffout uit het verleden betreft. Net als scholen, universiteiten en overheidsinstellingen moeten ook bedrijven voor het kopieren betalen, want dat staat in de wet.
Zoals gezegd blijkt de wet in de praktijk niet te werken, omdat eenvoudigweg niet exact bekend is hoeveel er zoal wordt gekopieerd. Dat neemt volgens R. Vrij, algemeen secretaris van de Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond (KNUB), niet weg dat er een 'miljoenenschade’ wordt geleden: 'Het gaat om krankzinnige hoeveelheden fotokopieen waarover rechten zouden moeten worden betaald aan uitgevers en auteurs.’
Maar hoe meet je die schade? De reprovergoeding is immers een toegevoegde waarde, een soort extraatje voor de auteurs? De geleden schade zou alleen meetbaar zijn als die niet op een andere manier werd gecompenseerd. Het is niet onrealistisch om te veronderstellen dat het kopieren bij de prijs van boeken, kranten en tijdschriften is ingecalculeerd. Gekopieerd wordt er toch, ook wanneer er een heffing bovenop komt. Het is niet erg waarschijnlijk dat de boekenprijzen zullen zakken zodra er meer heffingen worden geind.
Vrij betreurt het dat de reprowet door de absurde voorbeelden die in de Eerste Kamer naar voren zijn gebracht, belachelijk is gemaakt: 'Men is met het vingertje overal langs gegaan, en dan vind je natuurlijk altijd wel iets wat niet deugt.’ Toch zal het in de praktijk merendeels gaan om dergelijke 'absurde voorbeelden’: er worden nu eenmaal meer brieven en treinkaartjes dan aria’s van Puccini gekopieerd.
De werkelijke oorzaak van het stranden van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer is volgens Vrij dat de tegenlobby uit het bedrijfsleven zich in de tussentijd heeft georganiseerd: 'Het bedrijfsleven was in eerste instantie simpelweg tegen het betalen van een kopieervergoeding. Punt. Later hebben ze daar allerlei argumenten bij bedacht.’ In werkelijkheid is er van een georganiseerde 'tegenlobby’ uit het bedrijfsleven nauwelijks sprake. Die heeft zich in ieder geval niet geprofileerd door de minister met brieven te bestoken en met een kwartpaginagrote advertentie in NRC Handelsblad van 2 januari, zoals de voorstanders dat deden. Bovendien is er al door allerlei onafhankelijke juristen gewezen op de onuitvoerbaaarheid van de regelgeving.
HET VOORSTEL om de bestaande kopieerheffing van een dubbeltje naar een kwartje te verhogen, zoals de Stichting Reprorecht eerst wilde, is voorlopig van de baan. Een essentiele kwestie wordt daardoor volgens D66-kamerlid Vrisekoop verdoezeld: 'Het lijkt weliswaar weer koek en ei in reproland wat betreft de hoogte van de vergoeding, maar wat de Stichting Reprorecht wil, is dat de financiele consequenties overzienbaar zijn - voor het moment lijkt dat het geval -, dat het wetsvoorstel erdoor komt en dat daarna buiten de volksvertegenwoordiging om kan worden onderhandeld over de eigenlijke prijs. Wie die onderhandelingen wint, laat zich gemakkelijk raden.’
Dat zal de Stichting Reprorecht dan wel zijn, en, in het verlengde daarvan, de uitgevers en de auteurs. De Stichting keert immers uit aan uitgevers, die vervolgens vijftig procent van dat bedrag moeten doorsluizen naar de auteurs. Maar ook daar zitten allerlei haken en ogen aan. Uitgevers beschikken evenmin over gedetailleerde gegevens over hoe vaak het werk van welke auteur wordt gekopieerd. Zij worden dus opgezadeld met het probleem hoe ze het geld over hun auteurs moeten verdelen. Tot nu toe gebeurt dat op basis van verkoopcijfers: bovenop de auteursroyalties per pagina krijgen auteurs een reprovergoeding. De uitgevers gaan dus uit van de veronderstelling dat wie het meeste verkoopt, ook wel het meest recht zal hebben op een kopieervergoeding. Die veronderstelling is niet altijd juist, omdat in de praktijk blijkt dat bijvoorbeeld dure wetenschappelijke boeken veelvuldig gekopieerd worden en veelverkochte pockets nauwelijks.
Wellicht kan, met het voortschrijden van de technologie, via een codesyteem in kranten en tijdschriften beter worden nagegaan welk stuk hoe vaak gekopieerd wordt, maar voorlopig is dat een utopie en helemaal waterdicht wordt het waarschijnlijk nooit. Streepjescodes zijn met een pot Tipp- ex of de schaar zo weggewerkt. Daar komt nog bij dat het hele reprorecht binnenkort vermoedelijk een gepasseerd station is vanwege het elektronisch kopieren. De reproregeling kan daar niet in voorzien.
DE IMPASSE WAARIN de reprokwestie verkeert, brengt de discussie op een fundamenteler vraagstuk: de groeiende weerstand tegen het almaar uitdijende auteursrecht en een evenredig aantal heffingen en ondoorzichtige incasso-organisaties om die vergoedingen op te eisen en te verdelen, zonder dat daarvoor voldoende gegevens beschikbaar zijn. Je kunt geen radio, televisie, personal computer of kopieerapparaat aanzetten of allerlei organisaties claimen uitzendvergoedingen, uitvoeringsvergoedingen, muziekrechten, beeld-, verhuur-, uitleen- of reprorechten en ga zo maar door.
Bij het invoeren van de nieuwe reproregeling omwille van rechtsgelijkheid wordt de vraag buiten beschouwing gelaten of we uberhaupt op de ingeslagen weg moeten doorgaan. In het streven de auteur te beschermen lijkt de balans volledig te zijn doorgeslagen. Allerlei belangenclubjes - zoals de Stichting Reprorecht, leenrecht, beeldrecht en kabeldoorgifterecht - dreigen een doel op zich te worden. Het grootste bezwaar is dat zij geen voeling hebben met degenen die ze vertegenwoordigen, en daardoor geen voeling hebben met wat de auteurs zelf willen.
Maar de betrokkenen hebben geen keus, zo lijkt het. Belangenverenigingen die afhaken lopen immers het risico straks achter het net te vissen, mocht er opeens een grote pot geld ontstaan. Vermoedelijk is dat ook de reden dat een aantal belangenorganisaties zich solidair heeft verklaard en de grote advertentie in NRC Handelsblad hebben ondertekend. Iedereen is er als de kippen bij zodra er belangen in het geding zijn en er geld te verdelen valt, hoewel duidelijk is dat veel aan de strijkstok van de incasso-organisaties blijft hangen. In werkelijkheid is er dan ook veel twijfel aan het nut van de voorgestelde regeling. Auteursbelangenverenigingen geven toe dat zij meer gebaat zouden zijn bij verhoging van de royalties per pagina, dan bij die paar repropenningen die een enkeling terugziet.
Is het bovendien wel wenselijk het fotokopieren in te perken? Inmiddels vormen fotokopieen een essentieel onderdeel van de moderne communicatie. Maatschappelijk is het volstrekt aanvaard en het zou economisch gezien buitengewoon inefficient zijn dit te verhinderen.