KUNST: Bourgeois Leftovers

De kosten

De cynicus, zei Wilde, kent de prijs van de dingen, maar niet de waarde. Met dit ouwe sabeltje in de hand verweert de ware liefhebber zich tegen het plebs dat op een kunstentoonstelling of -beurs éérst – of zelfs: alléén – naar het prijskaartje kijkt, en niet naar het kosmisch-emotioneel vergezicht dat de kunstenaar heeft willen presenteren.

En toch moeten die vergezichten iets kosten. Ook de meest van de wereld losgezongen schepper heeft bedacht dat zijn Untitled of zijn Gezicht op Velp een ton moest kosten. Of twee. Want ook de schepper heeft stookkosten. Op twee plaatsen in de hoofdstad waren de kosten van de kunst opeens relevant. Er was de KunstRAI, ooit het paradepaardje van het Nederlandse galeriewezen, nu een provinciale braderie, waar alleen al uit de prijzen van de werken bleek dat dat galeriewezen in barre tijden is beland – ik kon alleen met grote moeite iets vinden dat méér dan twintigduizend euro moest kosten, een bedrag waar de Frieze zo ongeveer mee begint. Dan is er ook de tentoonstelling Bourgeois Leftovers, samengesteld door de deelnemers aan het Curatorial Programme van De Appel, een opleiding waar de fijne kneepjes van het tentoonstellingsmaken anno 2013 worden bijgebracht.

Leftovers betreft een hele serie schilderijen uit het depot van het Van Abbemuseum, Eindhoven, die door de curatoren voorzien zijn van bescheiden commentaren van andere kunstenaars, een klein tekstje, een paar voorwerpjes op een tafeltje. Het Van Abbemuseum toont zelf geregeld overzichten van zijn depot, maar dan meestal alles door elkaar op één drukke wand. Daaronder zijn nogal wat werken waar niemand meer belangstelling voor heeft, maar die ooit in dankbaarheid werden aanvaard, geschonken door de Brabantse burgerij die het museum een warm hart toedroeg. De directrice van De Appel, Ann Demeester, vertelde me dat de verzekeringswaarde van die schilderijen verbazingwekkend laag is, soms niet meer dan enkele tientjes. Het verpakken en vervoeren van de stukken van Eindhoven naar Amsterdam overtrof dat bedrag al vele malen. Je zou zeggen: leen ze uit aan particulieren, of geef ze weg, maar de protocollen van de internationale museumorganisatie verzetten zich daartegen. En dus bewaart het museum ze, de familieportretten, de landschappen, de stillevens, gemaakt door Johanna Bauer-Strumpf, Arnout Colnot, Lucie van Dam van Isselt, Jacob Dooyewaard, Dio Rovers, Gé Röling, Wout Schram, Albert Servaes, William Henry Singer, Walter Vaes, Betsy Westendorp-Osieck, enzovoort. In De Appel hangen zij op volgorde van hun verzekeringswaarde.

Het is een beetje sneu, dat kostenplaatje, maar het is ook een beetje oneerbiedig, eigenlijk. Onder die stukken bevindt zich ook werk van Edgar Fernhout (een meisjesportret), Eduard Karsen, Conrad Kickert, Sal Meijer (De Torensluis), Coba Ritsema, Matthieu Wiegman en een zeer fraai vrouwelijk naakt van Jan Sluijters – niet iets wat je afdoet met ‘bourgeois’. Het zijn misschien geen topstukken, en het zijn ook geen kosmisch-emotionele vergezichten, maar het is net alsof de samenstellers eigenlijk niet kunnen zien dat ’t vaak best goede schilderijen zijn; het is net alsof ze geen gevoel hebben voor de waarde van die dingen, actueel dan wel kunsthistorisch. Natuurlijk, dingen raken uit de tijd, smaken veranderen, wij lezen Greshoff en Van Schendel ook niet meer, maar het hedendaagse commentaar dat door het curatorenklasje werd samengesteld lijkt geen zicht te hebben op die ‘gewone’ praktijk van de kunstenaar, al of niet met stookkosten, die kunstwerken maakte voor zijn plezier, en voor de markt. Alsof de kunstenaars van nu heel andere types zijn dan toen, en geen stookkosten hebben. Ik vond eigenlijk dat de oude dames en heren zich kranig hielden.


Bourgeois Leftovers, De Appel arts centre, tot 16 juni;
bourgeoisleftovers.com
, deappel.nl