IJzige kilte jegens China

De Koude Oorlog van Kleine Bush

Er stijgt een ijzige kilte op uit Washington DC. «Kleine Bush», zoals de Chinezen de Amerikaanse president noemen, gaat onverstoorbaar door met machtindamming van China in Koude-Oorlogsstijl.

Wang Wei, de 33-jarige Chinese piloot die op 1 april een Amerikaans ep-3 spionagevliegtuig onderschepte, hield wel van een geintje. Wang had een reputatie hoog te houden — zijn squadron was gespecialiseerd in het onderscheppen van vijandige vliegtuigen in de buurt van het Chinese luchtruim. Eens stuitte hij op een spionagevliegtuig waarvan de bemanning zich had uitgedost in kerstmanoutfit. Wang beantwoordde het ludieke gebaar met zijn specialiteit: thumping, een gevaarlijke manoeuvre uitgevonden door Russische piloten die tijdens de Koude Oorlog in hun luchtruim met grote regelmaat te maken kregen met Amerikaanse pottenkijkers. Wang stuurde zijn jager onder het veel grotere Amerikaanse vliegtuig en dook plots vlak ervoor op, om onmiddellijk zijn naverbrander aan te zetten. Dat veroorzaakt een enorme luchtdruk, die de bemanning van het gethumpte vliegtuig flink door elkaar schudt. Een van de vliegtuigen dat zo onder handen werd genomen, had krassen op het raam door de kracht van Wangs naverbrander.
Op 1 april werd Wangs geintje hem fataal. De ep-3 dook ten gevolge van het thumping naar beneden en raakte Wangs jager. Wang stortte neer, kon zich waarschijnlijk nog redden met zijn schietstoel, maar werd niet teruggevonden. De zwaar beschadigde ep-3 maakte een noodlanding op het Chinese eiland Hainan. De Amerikaanse bemanning werd gearresteerd en bijna twee weken vastgehouden. Het was het eerste grote internationale incident in de prille loopbaan van president George W. Bush. «Kleine Bush», noemen de Chinezen hem, maar Bush hield zich liever groot. Pas toen de rel al schadelijke proporties had aangenomen, perste hij er een officieel excuus uit en kon de Amerikaanse bemanning terugkeren. Met achterlating van het geavanceerde spionagevliegtuig.
Toen de bemanning eenmaal veilig terug was, stapte Kleine Bush vastberaden zijn rozentuin in en begon van leer te trekken tegen China. Zijn eerder geuite excuses slikte hij in. Hij sprak over de onmogelijkheid van een «constructieve relatie» met een regime dat Amerikaanse onderdanen in hechtenis nam, en voorspelde «moeilijke situaties en fundamentele onenig heden». Nog geen twee weken later nam Bush wraak door toestemming te geven voor een enorme wapenleverantie aan Taiwan. China beschouwt het eiland als een afvallige provincie en heeft de laatste tijd herhaaldelijk gedreigd met een invasie. De Chinezen reageerden furieus, maar dit keer bond Kleine Bush niet in. Integendeel: in een serie interviews maakte hij bekend dat Amerika Taiwan zou verdedigen «met alle beschikbare middelen», mocht er een Chinese invasie plaatsvinden. Militaire interventie noemde hij een optie waarmee de Chinese regering terdege rekening moest houden.
Er stijgt een ijzingwekkende kilte op uit Washington DC. Waar president Bush senior na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie een nieuwe wereldorde afkondigde waarin democratie en mensenrechten het bestaan na de geldverslindende, decennialange stand off tussen de kapitalistische en de communistische wereld een stuk fleuriger zouden maken, is zijn zoon hard op weg om een Koude Oorlogssfeer te herstellen.
Op velerlei terreinen is Bush vastbesloten de verworvenheden van het tijdperk-Clinton weg te vagen. Bush presenteerde zich weliswaar als een conservatief met compassie die graag wilde samenwerken met Democraten, maar daarvan was na zijn eedaflegging niets meer te merken. De eerste honderd dagen van de Republikeinse president kenmerken zich juist door gebrek aan mededogen, het spekken van het bedrijfsleven en de rijken, en het terugdraaien van milieumaatregelen, ondanks stevig nationaal en internationaal protest. Polarisatie, kortom, via Realpolitik gehouwen uit het zuiverste graniet.
Dat geldt zeker voor het Amerikaanse buitenlandbeleid. De houding van de regering-Bush tegenover elke macht die de Amerikaanse hegemonie kan bedreigen, is hard en arrogant. Waar Clinton en zijn team een flexibele opstelling verkozen en potentiële rivalen als China en Rusland benaderden als «strategische partners» in een permanente poging de angel uit de wederzijdse relaties te halen, halen Kleine Bush en de zijnen de schouders op wanneer bondgenoten of rivalen zich bedreigd voelen naar aanleiding van Amerikaanse plannen. Na de heftigste bombardementen op Irak sinds het uitbreken van de Golfoorlog in gang te hebben gezet, schoffeerde Bush met genoegen de gealarmeerde «oude» vijanden uit de tijd van de Koude Oorlog. De machthebbers in Moskou, Peking en Pyongyang werd het bloed onder de nagels vandaan gehaald met een arrogante Yankees first-politiek. Vooral Bush’ energieke streven naar een eenzijdig Amerikaans verdedigingssysteem tegen aanvallen met langeafstandsraketten polariseerde de wereld langs heel andere lijnen dan voorheen.
De VS hebben onder Bush op een bruuske manier hun geopolitieke aandacht verlegd van Europa naar Azië. Tijdens zijn bezoek aan Washington werd de Zuid-Koreaanse president op niet mis te verstane wijze duidelijk gemaakt dat hij zijn «zonneschijnpolitiek» van toenadering tot het communistische Noord-Korea maar beter kon opschorten zolang er nog een rakettendreiging van Pyongyang uitging. Het gewroet in haar invloedssfeer zette de top van de Chinese communistische partij op scherp. Maar toen Bush junior aan zijn eerste internationale belronde begon, kon er geen telefoontje af naar de Chinese leiders. Daarentegen gaf de Amerikaanse minister van Defensie Donald Rumsfeld — een Koude Oorlogshavik — op het Pentagon hoogstpersoonlijk een militair college waarin hij aangaf dat het Amerikaanse defensiebeleid om moet. De slagkracht moet geconcentreerd worden in de Chinese invloedssfeer. Toen Bush eindelijk de Chinese vice-premier Qian Qichen ontmoette, bleken beide mannen elkaar weinig vriendschappelijks te melden te hebben. Qichen waarschuwde zijn gastheer dat het onverstandig zou zijn een grote partij geavanceerde wapens te verkopen aan Taiwan. Bush antwoordde met de mededeling dat wat hem betreft de warmte van het tijdperk-Clinton plaats mocht maken voor een «respectvol, maar stevig» Amerikaans beleid.
«Een confrontatie met China moet een laatste mogelijkheid zijn, niet een strategische keuze», schreef Henry Kissinger onlangs in Newsweek. En Kissinger kan het weten. Eind jaren zestig bereidde hij de beroemde Chinese reis voor van president Nixon. Daarmee kwam China voor het eerst sinds decennia uit zijn internationale isolement en werd de Koude Oorlog weer een stapje ingewikkelder, aangezien het contact minder voortkwam uit Nixons warme gevoelens voor Mao, dan uit zijn wens China op te zetten tegen de Sovjet-Unie.
Volgens Kissinger, die zijn uitlatingen deed vóór de recente wapendeal met Taiwan, moet elke Amerikaanse regering beducht zijn voor China en met het land blijven samenwerken. De wapenverkoop aan Taiwan wordt echter door de Chinese leiders opgevat als regelrechte agressie. De enige concessie die Bush deed aan de ongeruste Chinezen, die meermalen op het hoogste niveau waarschuwden voor het gevaar van nieuwe wapenleveranties aan Taiwan, was het niet leveren van het geavanceerde Aegis-radarsysteem. De Aegis-radar zou immers een hele generatie middellangeafstandsraketten van de Chinezen ongevaarlijk maken. Volgens de merkwaardige, maar ijzeren wetten van het militaire evenwicht zou China daardoor genoodzaakt zijn modernere raketsystemen te ontwikkelen om de balans te herstellen, wat de VS weer zou nopen tot nieuwe wapenleveranties en andere anti-Chinese maatregelen.
Wat de Bush-administratie er niet bij zei, is dat er al een wapenwedloop gaande is. Nog steeds wordt aangenomen dat de Amerikaanse Pacific Fleet die rond China patrouilleert desnoods in zijn eentje de volledige marine van het Chinese Volksleger de grond in kan boren, maar de balans is aan het verschuiven. De marine is het speerpunt van een Chinees militair moderniseringsprogramma. Langzaam maar zeker bouwt China een vloot op, compleet met vliegdekschepen, die in staat is ver van huis te opereren, met als doel de Amerikaanse hegemonie in de Pacific te doorbreken. De Chinezen hebben al hele generaties aanvalsonderzeeërs, torpedobootjagers en antischeepsraketten op de tekentafel liggen. Rumsfelds plannen om de capaciteit van de Amerikaanse langeafstandsbommenwerpers te verhogen, houdt regelrecht verband met die dreiging. Nu al is duidelijk dat peperdure plannen van het Pentagon — onder meer de ontwikkeling van minder kwetsbare vliegdekschepen en nieuwe langeafstandsbommenwerpers — versneld moeten worden uitgevoerd als de VS blijven mikken op containment (machtindamming) van China. Bush was gewaarschuwd: vlak na de presidentsverkiezingen gaf de Chinese president Jiang Zemin een interview in The Washington Post, waarin hij de Amerikanen dringend aanraadde van de wapenverkoop aan Taiwan af te zien. «Hoe meer wapens jullie verkopen», zei hij, «hoe meer we ons zullen voorbereiden in termen van nationale defensie.»
Koudeoorlogje spelen met China is dus niet zonder risico’s. Ervaren sinologen reageerden bezorgd op de recente botsingen. Het paradoxale van de situatie is, zo menen zij, dat niet de kracht van China, maar juist zijn zwakte gevaar oplevert. De Chinese militaire uitgaven bedragen ongeveer vijf procent van die van de VS, en gemeten naar het bruto nationaal product is China een derdewereldland. Maar het land heeft wél een neutronenbom en 32 langeafstands raketten die de VS kunnen bereiken.
Het is vooral de zwakte van het communistische bewind die gevaar oplevert. Er is een machtsstrijd gaande met het oog op het uiterst belangrijke partijcongres volgend jaar. Daar zullen belangrijke leiders een stap terug doen ten gunste van jongere protégés. Een aanzienlijk deel van hen staat vijandiger ten opzichte van de Verenigde Staten dan de oude mannen die nu nog de dienst uitmaken.
Daarnaast verkeert China in een uiterst gevoelige en complexe overgangsfase. Het beperkte kapitalisme, dat voor sommigen enorme rijkdom heeft gebracht terwijl de communistische partij nog altijd democratische vrijheden met harde hand tegenhoudt, en talloze ontslagen in de staatsindustrie hebben de samenleving instabiel gemaakt. Binnen de heersende elite is het vooral de legertop die ontevreden is. Lang gaf een officierschap binnen het Volks bevrijdingsleger veel status, maar tegenwoordig moet je in China zakenman zijn, wil je meetellen. Een beperkte militaire confrontatie met de VS — liefst rond Taiwan, omdat dat goed te verkopen is aan het jarenlang met «afvallige provincie-propaganda» volgepompte publiek — zou de legertop niet slecht uitkomen. Het zou zijn aanzien vergroten en duidelijk maken dat het ernst moet zijn met de Chinese militaire hervorming.
De houding van de haviken in de legertop sluit aan bij die van een groot deel van de bevolking. Om het hoofd boven water te houden maakte de communistische elite de afgelopen tien jaar immers steeds meer gebruik van een volksemotie die maar moeilijk in de hand te houden is: het nationalisme. Het is nog maar de vraag of een niet-communistisch, democratisch China zich milder zou opstellen jegens de VS dan de Volksrepubliek nu doet. Na het brute neerslaan van de democratische hervormings beweging van de Pekingse studenten op het plein van de Hemelse Vrede in 1989, was zelfs voor de communistische elite duidelijk dat haar ideologie op zijn minst tijdelijk had afgedaan. Ter compensatie werd de focus verlegd naar de opbouw van een virulent Chinees «patriottisme» ter samenbinding van China’s immense en complexe samenleving. President Jiang Zemin benutte het centralistische onderwijssysteem en het enorme propaganda-apparaat om de nationale trots en angst voor de buitenwereld aan te wakkeren. Dat viel in vruchtbare aarde, al was het maar omdat China door westerse staten werd geplunderd en opgedeeld sinds Groot-Brittannië in 1839 tegen het «Middenrijk» ten oorlog trok wegens zijn opiumbelangen.
Toen tijdens de bombardementen op Joego slavië ook de Chinese ambassade werd verwoest, leidde dat tot een golf van patriottisme en dagenlange, woedende demonstraties bij de Amerikaanse ambassade. Hoewel die waren georkestreerd door het regime werd ook dit regime overvallen door de heftigheid van de protesten. Ook de Japanse bezetting van de betwiste Sankaku-eilanden leidde tot een golf van nationalisme, zelfs in Hong Kong. Waar de Amerikanen excuses aanbieden voor losse incidenten, zien veel Chinezen een tweehonderd jarige, permanente reeks van guochi — nationale vernedering — die met geen «sorry» ooit nog is goed te maken. Het is precies dit fundamentele verschil in zienswijze waarvoor Henry Kissinger in Newsweek waarschuwt. Volgens hem spelen vooral de schaamtecultuur en de woede die Chinees gezichtsverlies onder de bevolking wekt de haviken in de kaart bij incidenten als het bombarderen van de Chinese ambassade en het openlijk bespioneren van Chinees gebied.
Het is maar de vraag of Bush en zijn adviseurs ten volle de risico’s beseffen van de botsingen met China. Het nationale veiligheidsteam onder leiding van Condoleeza Rice mist sinologen. Rond de crisis met de ep-3 belde Bush regelmatig met zijn vader en met James Baker, minister van Buitenlandse Zaken onder vaders bewind. Naar verluidt kwamen de Amerikaanse excuses pas na een goed gesprek met Henry Kissinger. Bush beschouwt China als een moreel gedegenereerde, onvermijdelijke tegenstander die op dit moment nog slechts de Amerikaanse macht ondermijnt in de Pacific, maar binnen afzienbare tijd wellicht in de wereld. Vanuit die visie zou containment van China in Koude-Oorlogsstijl nagestreefd moeten worden. De handel zou aan strenge beperkingen onderhevig moeten zijn en de VS zouden een alliantie van Aziatische staten in het leven kunnen roepen om de Chinese macht in te perken. Het Thaise leger houdt op dit moment grootscheepse oefeningen met Amerikaanse eenheden en de VS hopen binnenkort opnieuw bases te openen op de Filippijnen.
Dertig jaar geleden, op 29 april 1971, antwoordde president Nixon, bijgestaan door Henry Kissinger, op een vraag over de toekomst van de Amerikaans-Chinese relaties: «We hebben het ijs gebroken. Nu moeten we testen hoe diep het water is.» George W. Bush en zijn beleids makers zijn daar — niet gehinderd door enige expertise — hard mee bezig.
Maar hoe diep de wateren ook mogen blijken, het geheime ingrediënt in het Kissinger-Nixon-tijdperk was het behouden van contact. Desnoods in het geniep. Bill Clinton liet een hotline installeren tussen Washington en Peking, waarvan Bush tot op heden geen gebruik maakte. Zelfs wijlen piloot Wang Wei leek het belang van een dialoog te beseffen. Tijdens een van de onderscheppingsacties van zijn squadron stuurde hij zijn F8-jager zo dicht langszij een Amerikaans spionagevliegtuig dat de bemanning duidelijk het papier kon onderscheiden dat Wang tegen het glas van zijn cockpit drukte. Daarop stond geen boze propaganda gekrabbeld, maar zijn e-mailadres.