George Tabori (1914-2007)

De kracht van de Witz

Op 23 juli overleed de Duits-Hongaarse toneelschrijver George Tabori. Hij leidde zeven levens.

George Tabori’s vader Cornelius was niet bij de geboorte van zijn zoon. Als Hongaars journalist volgde hij in 1914 het staatsbezoek van de Oostenrijkse kroonprins Franz Ferdinand in Sarajevo. Tijdens de lichte bevalling zou de moeder van Györgi (later George) Tabori aanhoudend gelachen hebben. De echo van die lach heeft hij als zwervende jood een kleine eeuw bij zich gehouden, in de vele levens die hij heeft geleefd. Als asbakkenleger in het Berlijnse hotel Adlon, waar Hitler altijd logeerde. Als Brits correspondent in Jeruzalem, waar hij dagelijks de Via Dolorosa bewandelde, de weg terug van Golgotha naar de Hof van Olijven. Als scenarioschrijver in Hollywood, waar hij met Hitchcock werkte en Brecht ontmoette, die hem aanraadde toneel te gaan schrijven. Als door Duitsland zwervend auteur en toneelmaker die een stem gaf aan overlevende joden in Duitsland en die in die vertellingen bizarre Witze verwerkte. Ten slotte in het laatste tussenstation, vanaf 1986 (Tabori is dan 72) in Wenen, ooit de hoofdstad van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie waarin hij werd geboren, de stad met een rabiate antisemitische traditie, de stad waar hij zich derhalve bijzonder thuis voelde. Verbonden aan het Burgtheater, naast huisschrijver Thomas Bernhard en artistiek leider Claus Peymann. Hij vierde er zijn grootste triomfen, als auteur en als regisseur. Daarna restte voor George Tabori Endstation Berlin. Samen met Peymann is hij teruggereisd in de tijd, naar het gezelschap dat voor hem altijd model heeft gestaan voor waar toneel over moet gaan, namelijk toneel dat ergens over gaat, het Berliner Ensemble van Bertolt Brecht. Hij woonde aan de Schiffbauerdamm, om de hoek. Daar stierf hij op 23 juli jongstleden, 93 jaar oud. Na zeven levens. In de eeuw die hij omspande.

Nagenoeg zijn hele familie kwam om in de Duitse kampen. Ook zijn vader Cornelius, die de doucheruimte in Auschwitz zou hebben betreden met de zin: ‘Na u meneer Mandelbaum.’ Van zijn vader leerde hij de kracht van de Witz. Tabori: ‘Ik was vier en in onze buurt was een kind gestorven. Mijn vader sprak op de begrafenis. Ik zat op de eerste rij, naast een Hongaarse aartsbisschop. De mensen lachten en huilden in dezelfde minuut. Na afloop nam de aartsbisschop mij apart en zei: zeg je vader dat hij moet kiezen, of hij ons aan het lachen of aan het huilen wil hebben, samen gaat dat niet. Nun, ich glaube, es geht nur beides zusammen.’ In zijn stuk Babylon Blues staat de volgende dialoog: ‘Ik heb God gezien.’ ‘Wat voor een God?’ ‘De Groucho-God. Hij dobbelt niet om een bebloede mantel. Hij steekt geen braambos in brand. Hij vertelt alleen maar Witze.’

Bitter waren die grappen nooit. Gruwelijk vaak wel. Kalme overlevingshumor. Zonder slachtofferressentimenten, waaraan hij een grondige hekel had. Zijn toneeloeuvre, dat minstens dertig titels omvat, allemaal geschreven in Duitsland en Oostenrijk, kent vijf sleutelstukken. Die Kannibalen (1969), over gruwelijkheden onder KZ-gevangenen, opgedragen aan zijn vader (‘een matige eter’). Mein Mutters Courage (1979), opgedragen aan zijn moeder, die in 1944 door een combinatie van slimheid, charme en courage ontkwam aan een transport naar Auschwitz. Jubiläum (1983), een harde elegie over de holocaust ná de holocaust.

Daarna stonden er nog twee afrekeningen op het programma. Eén met Hitler en een met God (of met Nietzsche, dat staat te bezien). In Mein Kampf (1987) zitten de jonge Hitler (die kunstenaar wil worden) en de jood Schlomo (die de bijbel en de koran verkoopt) in een daklozenpension de wereld te verdelen. De jood let even niet goed op en Hitler gaat er met de hele boel vandoor. In Goldberg Variaties (1991) ensceneert de Amerikaanse regisseur Mr. Jay, samen met de joodse toneelmeester (en ex-kampgevangene) Goldberg, de bijbel in zeven dagen. Standplaats: Jeruzalem.

Frans Strijards, die het stuk in 1995 in Nederland ensceneerde: ‘De jood Goldberg loopt vanaf een bepaald moment in het stuk één tel achter, hij is even niet bij de les. Hij loopt achter de niets ontzienden aan en die confronteren hem met iets dat op schuld lijkt. Wie niet bij de les is delft het onderspit. In de navolgende heksenketel draait die Mr. Jay, een rabiate antisemiet, aan de knoppen. Hij vindt de schepping en de bijbel de grootste kleurdoos ter wereld. Volgens hem is in principe alles te ensceneren en dat doet hij dan ook.’

Mr. Jay: ‘Twee kruisen wil ik. Die jongen neemt zijn eigen kruis mee.’

En altijd was er weer het beeld van de vader bij het binnengaan van de doucheruimte in Auschwitz. Een droomtekst van George Tabori, afgedrukt in het tekstboek van zijn laatste première, van zijn laatste toneelstuk, Gesegnete Mahlzeit (mei 2007), vertelt over een ontmoeting met zichzelf als jonge man, die nog van niets weet, ook niet over het lot van de vader. De tekst eindigt zo: ‘Moest ik hem dan vertellen over de doucheruimte, hoe hij naakt was onder een berg naakte kadavers, kijkend naar het laatste licht door het raam, zijn hemelsblauwe ogen, levendig nog, bekeken door bewakers, mijn slapeloze nacht, vragend: wanneer eindigt deze nacht?’