Opheffer

De kracht van het gewone

Wederzijdse seksuele angst

Cicero en Caesar hadden een merkwaardige verhouding tot elkaar. Cicero was een conservatief en doorzag de politiek van Caesar. Hij moest met zijn kritiek voorzichtig zijn, want hoewel hij Caesar goed kende, kon het zomaar gebeuren dat een van diens straatbendeschoffies Cicero zou ombrengen. Toen Caesar alle macht had – Cicero had zich om politieke redenen al een aantal keren onmogelijk gemaakt en was al een paar keer uit Rome gevlucht en weer terug gekeerd – zien we Cicero als een brombeer Caesar tegemoet treden. Cicero durft niet goed want zou zijn eigen leven in gevaar brengen. Maar dan gebeurt er op een dag iets vreemds. Caesar, in de buurt van een buitenhuis van Cicero, besluit hem een bezoek te brengen. Cicero nerveus, want wat kan er niet allemaal gebeuren. Caesar komt en later zal Cicero hierover een brief aan zijn vriend Atticus schrijven, en wat opvalt is dat met de grootste moeite Cicero moet erkennen dat het eigenlijk een ontzettend leuk bezoek was. Caesar en hij hadden tot diep in de nacht gesproken over… literatuur – en reken maar dat die twee er wat van afwisten. Cicero was een groot redenaar, Caesar bewonderde hem daarom, maar Caesar zelf was een bewonderd toneelschrijver, wiens stukken helaas verloren zijn gegaan.

Er zit iets ontroerends in – en ik kan niet goed uitleggen wat dat is. Het zijn zaken die je in de politiek wel vaker ziet.

Er is nog zo’n ontmoeting die me ontroert. Hannibal versus Scipio Africanus de jongere. Scipio heeft de grote Hannibal verslagen in wat «De laatste slag» is gaan heten bij Livius (en wat, verklaar ik hierbij, misschien wel het mooiste proza is van de wereld). Hannibal zit in het verre Carthago in de Senaat, verslagen, vernederd en cynisch geworden. Twintig jaar later bezoekt Scipio Hannibal. De grote vijanden, zou je kunnen zeggen, evalueren nog even de grote strijd die destijds ging om de heerschappij van de wereld. Zoiets als Churchill bezoekt Hitler in 1970.

Je zou er bij geweest willen zijn.

Zoals je ook bij dat gesprek van Caesar en Cicero had willen zijn.

De reden daarvan is dat je weet dat daar iets is gebeurd wat de geschiedenis op een of andere manier overstijgt.

Grote vijanden worden vrienden, of grote tegenstanders blijken ondanks alles vriendschappelijke gevoelens voor elkaar te voelen.

Ik herken dat wel.

Omdat ik voortdurend gevraagd word mijn visie op «de moord op Theo van Gogh» te geven (plus al het andere gezever dat daarbij komt als: vrijheid van meningsuiting, inrichting van de multiculturele samenleving, enzovoort) heb ik voortdurend ontmoetingen met allerlei moslims. Na verloop van tijd merk je, hoe tegengesteld je ook denkt, dat je de ander best waardeert, of leuk vindt. Om de een of andere reden kun je dat niet zeggen; je kunt het wel tonen, maar zelfs dat is balanceren met een dienblad vol kristal.

Laatst met moslima’s gediscussieerd – hoofddoekje en al – en dat waren hartstikke geile meiden. Ik merkte dat ik me van mijn charmantste kant wilde laten zien en dat deden zij ook. Nu was er weliswaar dertig jaar leeftijdsverschil, maar toch…

De vraag die na zo’n debat dan toch blijft hangen is: zou «het» mogelijk zijn geweest… Ik bedoel het echt zo banaal als ik het opschrijf. Zou het gekund hebben dat ik er één wist te verleiden en dat die dan met mij meegegaan zou zijn en dat we dan met elkaar zouden gaan neuken? In het besef dat zij een diepgelovige moslima is en er dertig jaar leeftijdsverschil is?

Natuurlijk zou dat mogelijk zijn geweest, denk ik. Of toch niet?

En zou die moslima die ik op het oog had wel eens geheime gedachten hebben? Ik heb te weinig zelfvertrouwen om te denken dat zij op mij valt, maar zou zij geheime verlangens hebben naar die roomblanke rechtse bal die ook in de zaal was op wiens voorhoofd bij wijze van spreken «geitenneukers» te lezen was, maar dat net niet zei…

Ik denk het wel…

Uit de geschiedenis weten we dat zulks mogelijk moet zijn (voornoemde Caesar en Cleopatra bijvoorbeeld), maar het lijkt wel of tegenwoordig die mogelijkheden verder weg liggen dan, pakweg, tien jaar geleden.

Door een toeval kwam ik die moslima weer in de stad tegen – met haar vriend. We groetten elkaar hartelijk. Ik wilde die vriend een hand geven, maar hij draaide weg en ging verderop staan. Na het uitwisselen van «hoe gaat het, is dat je vriend, wat leuk, mag dat?» et cetera, et cetera, zei ik: «Hebben jullie zin in een kopje koffie of thee? Mag ik jullie dat aanbieden?»

«Ik wil wel», zei de moslima. Ze vroeg het aan haar vriend. Die wilde niet.

«Hij is jaloers», fluisterde ze. Ze ging niet mee. We zwaaiden naar elkaar. Toen hij niet keek haalde ze haar schouders op.

Ik zal haar waarschijnlijk nooit meer zien. Ik weet zelfs haar naam niet.

Ik overdacht twee zaken. Tussen haar en mij zou het ooit wel goed komen. Als we beiden straks in het bejaardenhuis zaten, zouden we erover praten, zoals Hannibal en Scipio. Maar die jongen… die is mijn toekomstige moordenaar, bij wijze van spreken. Hij was namelijk inderdaad boos en jaloers, dat kon ik zien. Het zou verstandiger zijn geweest, voor mijn eigen veiligheid, als zij en ik langs elkaar heen zouden zijn gelopen. Nu was hij mijn vijand. Geloof had daar niets mee te maken. Hoewel… Stel dat die jongen mij echt zou willen ombrengen («diep in de nacht fluistert ‹Fatima› mijn naam, terwijl ze zachtjes kreunt») dan zou hij zijn Geloof als excuus kunnen gebruiken. Ik ben tenslotte een ongelovige hond.

En ik dacht: misschien draait het daar wel allemaal om: wederzijdse seksuele angst. Angst dat we elkaars vrouwen en mannen afpikken. Het enige wat al die religies proclameren en wat ze bindt is toch dat je je bij je eigen soort moet houden…

Het enige waarop ik dus mijn hoop heb gevestigd is de ontrouw.

Ontrouw zouden we iets meer moeten propageren in ons eigen belang.

We zijn het al, maar in het geheim. Misschien moet dat dan maar zo blijven.