De grimeursopleiding aan ROC College Zuid. ‘Soms zijn omgangsvormen misschien nog wel belangrijker dan hoe goed je bent’

‘Vorige week hadden we het over vrijheid. Vrijheid van meningsuiting is een grondrecht, maar betekent dit dat je altijd alles mag zeggen?’ Het is stil en docent Ivo van der Veen – rossige krullen en baard, zwart T-shirt en spijkerbroek – kijkt bemoedigend om zich heen. Links in de klas heeft een meisje haar hoofd op tafel gelegd. Haar lange zwarte krullen steken onder een wollen muts uit. Ik kan niet zien of ze slaapt. Haar buurvrouw kijkt op haar telefoon.

Rechts is meer animo. Een knap, donker meisje kijkt in een spiegeltje terwijl ze vakkundig lipgloss opdoet. ‘Nee, je mag niet beledigen of kwetsen’, zegt ze als ze klaar is. Een jongen naast haar vraagt waarom ze in haar telefoon hartjes heeft staan naast de contacten van haar vriendinnen: ‘Hartjes bij alle namen van je matties. Ben je lesbisch of zo?’ Ze lacht.

Vanochtend volg ik een les burgerschap met eerstejaarsstudenten van de mbo-opleiding juridische dienstverlening. Uit de hoge ramen van het lokaal op de derde verdieping van MBO College Zuid van het roc van Amsterdam kijken we uit over de rai, het Amsterdamse congrescentrum. Van der Veen weet hoe hij de studenten bij de les moet houden. Hij loopt telkens heen en weer, van het ene groepje naar het andere. Af en toe stapt hij op een tafeltje om zijn verhaal kracht bij te zetten.

‘Precies, je bent dus niet altijd vrij om alles te doen wat je wil’, bevestigt Van der Veen. ‘De “minder, minder”-uitspraken van Wilders waren volgens de rechter bijvoorbeeld een aanzet tot haat en mochten daarom niet’, legt hij uit terwijl hij weer naar de andere kant loopt en zich richt tot het vermoeide meisje. ‘En wat denken jullie van de jongeren in Urk die afgelopen weekend in SS-uniformen gingen protesteren tegen de coronaregels? Hebben jullie dat gehoord?’ De meeste leerlingen kennen het verhaal en schudden afkeurend hun hoofd. ‘Dat was niet goed’, zegt het meisje.

‘Nee, het was beledigend en niet grappig, maar is het ook verboden?’ Weer stilte. ‘Het in het openbaar dragen van SS-uniformen is verboden, dus het mocht niet. Nu gebeuren er wel vaker dit soort dingen in Urk. Er is daar veel wantrouwen tegen de overheid en…’

‘Helemaal terecht!’ onderbreekt Omar, een tanige, energieke jongen, hem. Hoewel hij geen boeken bij zich heeft (‘vergeten’), doet hij actief mee aan de les. ‘Toen de rechter had gezegd dat de avondklok niet mocht, gingen ze ook gewoon snel een nieuwe wet maken.’ Van der Veen knikt, licht geamuseerd. Omar gaat door: ‘En rechters zijn ook niet honderd procent neutraal’, want ‘bij Holleeder hebben ze snel wetswijzigingen doorgevoerd om hem achter tralies te krijgen.’

‘En Holleeder had niets gedaan?’ vraagt Van der Veen.

‘Jawel, hij had wel wat gedaan natuurlijk. Maar ik vertrouw de overheid niet. Ook die vaccins. Hoe kun je zo snel een vaccin klaar hebben? Normaal doen ze daar veel langer over.’

‘Oké’, zegt Van der Veen. ‘Dus als de nieuwe iPhone 14 zometeen veel sneller uitkomt dan de iPhone 13, dan ga jij die ook niet kopen?’ Nu glimlacht Omar ontwapenend. Van der Veen heeft een punt gescoord. Maar Omar is nog niet klaar: ‘De overheid is niet te vertrouwen. Ze hebben corona zelf ontworpen, want de overheid is tantu slim. Het is een oplossing tegen vergrijzing. Dat is gewoon honderd procent zeker.’ Toch is de Nederlandse overheid volgens Omar ook juist weer ‘mongolisch dom’ als je die vergelijkt met China, dat ‘alles gaat overnemen’.

Het meisje naast hem vindt het allemaal veel te ver gaan: ‘Hoe kun jij dit allemaal zeggen, terwijl je geen bewijzen hebt?’

‘Ik lees het nieuws. En daarom wil ik ook advocaat worden, tegen de overheid’, zegt Omar weer met dezelfde charmante glimlach. Ik kijk naar het scherm waarop Van der Veen de website van de nos met het laatste nieuws van de dag heeft geprojecteerd.

Na afloop vertelt Van der Veen me dat hij deze klas nog moet leren kennen. ‘In zo’n eerste jaar, en zeker in de eerste maand, ben je vooral bezig met vertrouwen winnen en de juiste balans vinden in een nieuwe groep.’ Hij is een beetje bezorgd dat ik de uitspraken van zijn studenten uit hun verband zal trekken. Hij wil in zijn lessen alles vrijuit kunnen bespreken. Zijn hart ligt duidelijk bij zijn leerlingen.

Zijn collega Dunja Monker, docent recht en projectleider innovatie bij juridische dienstverlening, maakt zich minder zorgen: ‘Studenten zijn betrokken en volgen het nieuws. Maar vaak zijn ze ontzettend beleefd, weinig zelfbewust of assertief. Terwijl dat juist zo belangrijk is. Kijk naar de toeslagenaffaire. Die regels van de Belastingdienst worden grotendeels uitgevoerd door mbo’ers. Ik heb een oud-student die me vertelde dat ze daar zó vaak hebben aangekaart dat dingen niet klopten. Maar er werd gewoon niet naar ze geluisterd. Mensen op mbo-niveau zien volgens mij heel vaak dat er dingen misgaan. Ze melden het misschien naar boven, maar ja, daar zitten net wat andere types: types die juist héél goed hebben geleerd om voor zichzelf op te komen.’

Monker weet waar ze het over heeft. Naast haar werk op deze school geeft ze les in het particulier onderwijs. ‘Daar betalen ouders twintigduizend euro voor de opleiding van hun kind en je ziet aan die kinderen dat ze weten dat de wereld van hen is. Natuurlijk komt de druk daar juist weer van de andere kant.’

De leerlingen uit deze burgerschapsklas zullen, in de woorden van Van der Veen, later het bread and butter van de samenleving vormen. Veel van hen zullen uiteindelijk niet als advocaat procederen tegen de overheid, hoewel Van der Veen wel degelijk één ex-leerling heeft die nu bij een topkantoor op de Zuidas werkt. De kans is groter dat ze juist een baan krijgen bij een overheidsinstantie en daarmee het visitekaartje worden van die overheid. In een tijd van steeds verder uit de hand lopende polarisatie is het daarom belangrijk dat ze enerzijds leren om vertrouwen uit te stralen bij burgers, maar anderzijds ook assertief op te treden in geval van vermeend onrecht of onregelmatigheden.

Een paar dagen later verdwaal ik in het gebouw. Het is alsof ik door een soort beroepenmarkt loop: via een theaterpodium loop ik langs droogkappen uit een kapsalon en dan weer langs grote gymzalen. In een ruimte met behandelstoelen oefenen leerlingen schoonheidsbehandelingen op elkaar, in een andere ruimte worden pruiken gemaakt van strengetjes haar. Groepjes jongens met hoodies op, types die me ’s avonds bij een metrostation nerveus zouden maken, groeten op de gang hun docenten met een boks en een hartelijk ‘dag, meester!’ en ‘goedemorgen, mevrouw!’

Bij het middelbaar beroepsonderwijs dacht ik altijd aan loodgieters, bakkers en timmermannen, maar het aantal mbo-opleidingen is duizelingwekkend. MBO College Zuid alleen al biedt 45 studies aan. Denk aan dans, schoonheidsspecialist, muziek, marketing en (urban) sport. Het college is onderdeel van het roc van Amsterdam dat mbo-opleidingen in bijna alle beroepsrichtingen verzorgt. Op negen verschillende mbo-colleges worden ruim driehonderd verschillende opleidingen aangeboden. Van vliegtuigmonteur tot kapper, van artiest tot verpleegkundige.

Over mbo-beroepen verschijnen de laatste tijd zorgwekkende berichten. Aan de ene kant is er een tekort aan technisch personeel dat we juist zo hard nodig hebben voor de energietransitie; aan de andere kant zouden veel niet-technische banen in het middenveld onder druk staan door toenemende robotisering, digitalisering en internationalisering. Er zou geen behoefte meer zijn aan secretaresses, boekhouders en juridisch medewerkers. Uit de periode dat ik hier rondloop, lessen volg en spreek met leerlingen, docenten en managers doemt echter een heel ander beeld op.

Als ik eindelijk ‘mijn lokaal’ gevonden heb, begint direct de les beroepsgericht en persoonlijk leren (bpl). De leerlingen oefenen het voeren van een klantgesprek. De bedoeling is dat ze als HR-medewerker aan een klant (in dit geval een medewerker) uitleggen hoe het Fietsplan van hun organisatie werkt. Demi Zeestraten, een frisse, jonge docent, zit met gekruiste benen op een tafeltje en bespreekt de theorie van vorige week. Wat voor soort vragen kun je stellen? Welke fases kent een gesprek? Daarna gaan de studenten in tweetallen de casus voorbereiden. Zeestraten koppelt elk meisje aan een jongen en geeft ad rem antwoord op alle vragen.

‘Mevrouw, waarom mogen we niet zelf kiezen met wie we willen?’

‘Omdat je later je klanten ook niet zelf uitkiest.’

‘Mevrouw, waarom doet zij niet mee?’ Ze wijst naar mij.

’Omdat zij hier niet voor heeft geleerd.’

Nadat ze tijd hebben gehad om te oefenen komen de tweetallen naar voren om het gesprek te voeren. Ze mogen hun laptop erbij houden, want, zegt Zeestraten: ‘Je hebt zometeen toch ook een computer op je werk?’

‘Mevrouw, waarom mogen we niet zelf kiezen met wie we willen?’ ‘Omdat je later je klanten ook niet zelf uitkiest’

De studenten vinden het spannend. Na elk oefen-gesprek geven eerst zij en dan Zeestraten ‘tops en tips’. ‘Ik vond dat ze het goed heeft samengevat op het eind.’ ’Probeer iets minder vaak “uh” te zeggen.’ ‘Jas uit, pet af!’ ‘Vergeet niet je achternaam te zeggen als je jezelf voorstelt.’ ‘Probeer iets meer rechtop te zitten.’ ‘Let op je intonatie.’ ‘Kijk de klant aan.’

Als een van de studenten tijdens het gesprek plotseling een black-out heeft en stilvalt, moedigt Zeestraten hem aan: ‘Kom op, herpak jezelf. Je kunt het. Dat weet ik gewoon!’

‘Mevrouw, dit is echt moeilijk.’

‘Ja, maar als jij straks naar je stage gaat, kun je iedereen helpen!’

Na de les vertelt Zeestraten me dat de docenten het vak bpl zelf hebben ontwikkeld. ‘We kregen vanuit het werkveld te horen dat studenten het tijdens stages bijvoorbeeld moeilijk vonden om de telefoon op te nemen. Terwijl zij toch het aanspreekpunt moeten zijn in zo’n organisatie. Mensen verwachten die sociale vaardigheden van hen. Dus nu is het een belangrijk onderdeel in de opleiding. We hebben ook zelf de reader geschreven.’ Het vak bestaat nu vier jaar en het niveau van de studenten is daardoor echt hoger, vertelt Zeestraten trots. Ze is blij dat ze hier werkt. ‘Hier zijn studenten mondiger en diverser dan bijvoorbeeld in Sassenheim, waar ik ook heb gewerkt. Wat ook fijn is: je hoeft niet te werken met ouders op de achtergrond. Studenten hebben soms ook lastige thuissituaties, zijn bijvoorbeeld mantelzorger voor een ziek familielid. Maar het mooie is dat ze hier echt voor zichzelf zitten. Ik kan met ze lachen en huilen.’

ROC College Zuid alleen al biedt 45 studies aan. Denk aan dans, schoonheidsspecialist, muziek, marketing en (urban) sport

Een paar weken later ga ik op bezoek bij Rineke van Daalen, socioloog aan de Universiteit van Amsterdam en schrijver van verschillende boeken over vmbo, mbo en de waardering voor verschillende vormen van werk en opleiding. Ze ontvangt me met koffie en koekjes in haar Amsterdamse benedenwoning. Van Daalen herkent het toenemende belang van sociale en emotionele vaardigheden in het mbo. In haar boek Gewoon werk: Over vakkundigheid in het verwaarloosde midden (2014) noemde ze al ‘de omgang met anderen’ die op de site Beroepen in Beeld (inmiddels kiesmbo.nl) bij vrijwel elk beroep wordt genoemd als ‘iets waar je goed in moet zijn’.

Hoewel mensen bij mbo vooral denken aan praktische vaardigheden zijn die sociaal-emotionele vaardigheden minstens net zo belangrijk. Ze wijst erop dat het vermogen je aan te passen en je in te leven in anderen natuurlijk niet alleen kenmerkend is voor mbo-beroepen. ‘Dergelijke eisen hebben een veel breder bereik en zijn een uitdrukking van de tijdgeest.’ Het gaat om vaardigheden die in het verlengde liggen van wat socioloog Norbert Elias als civilisering heeft aangeduid, legt ze uit. Nu de maatschappij complexer wordt, winnen ze aan invloed, juist in het middenveld.

Een van de oorzaken van die verdergaande complexiteit is gelegen in de snel voortschrijdende automatisering en technologisering. Hierover wordt tot Van Daalens spijt vaak op alarmistische wijze bericht. Neem de krantenkop in de NRC van 23 september: ‘Blijven er genoeg banen voor de middenklasse? Ik ben daar erg bezorgd over’ boven een interview met de Amerikaanse hoogleraar David Autor, die onlangs een lezing hield bij het Centraal Planbureau (cpb). Nieuwe cijfers laten zien dat het percentage routinematige taken in beroepen in Nederland de laatste zeventien jaar is afgenomen van 31 procent naar 24 procent.

Van Daalen houdt in de regel van Autors werk, zegt ze, omdat hij in zijn analyses meestal juist niet kijkt naar banen, maar naar taken. ‘Bepaalde taken verdwijnen, maar andere ontstaan juist weer, waardoor uiteindelijk ook weer nieuwe banen ontstaan.’ Ook de cijfers van het cpb gaan niet over banen, maar over taken. Van Daalen citeert in dit verband regelmatig een artikel van Autor zelf uit 2015, ‘Why Are There Still So Many Jobs? The History and Future of Workplace Automation’. Daarin wijst Autor erop dat automatisering in de afgelopen decennia duidelijk niet heeft geleid tot het overbodig worden van menselijk werk. Aan het eind van zijn paper concludeert hij dat ‘veel middenveldbanen die in de toekomst zullen voortbestaan routinematige, technische vaardigheden zullen combineren met niet-routinematige vaardigheden. Bij die laatste vaardigheden zijn werknemers in het voordeel: interpersoonlijke interactie, flexibiliteit, aanpassingsvermogen en probleemoplossing.’

Hoewel Van Daalen het ‘absoluut noodzakelijk’ vindt dat we ons verdiepen in de effecten van technologische innovatie op de banen van de middenklasse, vindt ze het ‘jammer’ dat het debat niet juist meer gericht is op de verbetering van banen met behulp van technologie en de opkomst van nieuwe taken en daarmee nieuw werk. Bovendien draagt het benadrukken van de verschillende gevolgen die technologisering zal hebben op verschillende groepen in de samenleving bij aan de ‘misleidende tendens’ om dichotoom te denken over onderwijs en banen. ‘Om te denken in categorieën van hoog- en laagopgeleide mensen, met hun bijbehorende banen. Door telkens die verschillende hokjes te benadrukken ontstaat de neiging om de capaciteiten en vaardigheden van mensen in het midden over het hoofd te zien’, aldus Van Daalen.

Dunja Monker – bruine krullen en grote blauwe ogen in een rond, charmant gezicht – geeft een examentraining bestuursrecht aan een groepje studenten dat bijna klaar is met de opleiding. Ze hadden een onvoldoende en dit is het laatste vak dat ze moeten halen. ‘Een bezemklasje’, licht Monker toe. Haar voet zit in het gips en ze loopt op krukken. Als ze met een brede glimlach de klas binnenkomt, verdringen de studenten zich om de deur voor haar open te houden. ‘Mevrouw, pas op!’ Ze gaat voorzichtig zitten met een stoel onder haar voet.

‘Jullie zijn vast allemaal al lang begonnen met leren, ook al is het examen pas over vier weken, toch?’ Gegniffel. ‘Nee, natuurlijk zijn jullie nog niet begonnen. Want je stelt dingen uit. En nee, dat is niet iets van “ik heb een probleem, want ik stel altijd dingen uit”. Dat is gewoon iets van mensen. Ménsen stellen dingen uit. Gaan jullie het halen?’

‘Ik hoop van wel’, antwoordt een meisje.

‘Niet hopen, gewoon doen!’

Monker begint haar les. ’De bijstand, wie is daar verantwoordelijk voor, het rijk of de gemeente?’ Stilte. ‘Oké, stel dat ze in Wassenaar besluiten dat ze niemand een uitkering meer willen geven. Mag dat?’ De studenten schudden hun hoofd, nee dat mag niet. ‘Oké, jij, noem eens een naam.’ Ze wijst naar een donkere jongen in een zwart joggingpak. ‘Ik weet het niet’, zegt hij.

‘Nee, het is geen vraag met een goed of fout antwoord. Noem gewoon een naam die in je opkomt’.

‘Anne-Fleur’, floept hij eruit.

‘Oké, goed. En waar woont Anne-Fleur?’

Zonder nadenken: ‘In Oud-Zuid.’

Iedereen lacht. ‘Dus Anne-Fleur wil bezwaar maken tegen een besluit van de gemeente. Welke stappen gaat ze zetten?’ Monker neemt de procedure door.

Later schuift ze aan bij de koffie en koekjes in het huis van Rineke van Daalen en vertelt ze hoe legal tech, de automatisering van juridische contracten met behulp van onder andere kunstmatige intelligentie, de wereld van de advocatuur aan het veranderen is. ‘Daar lopen wel degelijk banen van hoger opgeleiden gevaar. Terwijl er volgens mij altijd behoefte blijft aan de omgang met mensen.’ En dat is nu juist waar op het mbo zo veel aandacht aan wordt besteed. Monker gaf jarenlang recht op het hbo. ‘Daar wordt veel minder gedaan aan sociaal-emotionele vaardigheden.’ Ze voegt eraan toe: ‘Ook bij praktische vaardigheden komt altijd een bepaalde vorm van cognitie kijken. Maar die wordt meestal lager gewaardeerd.’

‘Zonder sociale vaardigheden kun je het vak grimeur niet uitoefenen. Ga jij maar eens een model in string bodypainten’

Een van de studenten uit haar ‘bezemklas’, Ayoub El Ghazaoui (20), legt het goed uit. ‘Mensen denken bijvoorbeeld dat een loodgieter met zijn handen werkt, maar ze begrijpen misschien niet dat er ook een gedachtegang achter zit. Hey, er liggen allemaal kabels en buizen en die moeten er op een bepaalde manier liggen. Daar moet je dus over nadenken.’ Hij vindt dat mensen meer onderzoek moeten doen als ze praten over het mbo. ‘En ze moeten beter kijken. Zolang je dat niet doet, blijf je hetzelfde denken. Ik zeg altijd: zelf zien, dan geloven.’

Ongeveer tachtig procent van de studenten van juridische dienstverlening stroomt door naar het hbo; studenten die dat niet doen komen in de regel goed terecht. Ze gaan bijvoorbeeld werken bij de gemeente, of in de schuldhulpverlening. Allemaal inhoudelijke beroepen met een belangrijk menselijk aspect. Daarbij dient wel te worden aangetekend dat het een opleiding betreft op niveau vier, het hoogste niveau op het mbo.

De sport en bewegen-opleiding aan ROC College Zuid. Studenten worden al vroeg voorbereid op het ondernemerschap

Op een regenachtige middag zit ik in de gymzaal op de vijfde verdieping voor een les aan de studenten van de opleiding tot sport- en recreatiemedewerker, een opleiding op niveau twee die valt onder de afdeling sport en bewegen. Het is hun eerste jaar.

Bas Minderman, een jonge, gespierde docent in joggingpak, legt uit wat ze vandaag gaan doen. Ze moeten telkens een spel uitleggen aan hun medeleerlingen en vervolgens dat spel begeleiden. Op de flipover heeft Minderman geschreven wat de volgorde is: ‘1) naam van het spel, 2) doel, 3) regels, 4) voorbeeld, 5) start!’

Hij vertelt dat hij ze zal beoordelen op oogcontact, stemgeluid en lichaamshouding. ‘Probeer in deze volgorde les te geven en bedenk dat het niet erg is als het fout gaat. Kijk of het lukt om de volgorde aan te houden en gun elkaar de tijd om het te leren.’ De groep bestaat vooral uit jongens. Er zijn twee meisjes.

Het eerste spel doet Minderman voor. De studenten moeten op drie banken staan. Bij ‘commando zit’ moet je zitten, bij ‘commando staan’ moet je staan, ‘commando links’, ‘commando rechts’, enzovoort. Als je het woord commando echter niet hoort, dan moet je niet reageren. ‘Het is een reactiespel’, legt Minderman uit.

De jongens maken voortdurend grapjes. ‘Hé, broer, kun jij die bank wel dragen? Is die niet een beetje te zwaar voor jou?’ De sfeer is gemoedelijk, er wordt veel gelachen. Zodra het spel begint, komt er dolle energie los. Aan het eind van de les heeft Ibrahim wat moeite om zich te handhaven. Als hij ‘lesgeeft’ en iemand niet naar hem luistert, wordt hij boos: ‘Houd je mond! Is het moeilijk of zo? Ik wijs het toch aan?’ Een ander reageert: ‘Niet boos worden. Hij vraagt gewoon iets.’

Minderman vertelt dat het hem opvalt dat Ibrahim telkens op een negatieve manier probeert aandacht te krijgen. Dit is zijn mentorklas en hij heeft Ibrahim dus al wat beter leren kennen. ‘Ibrahim heeft in zijn leven vooral ervaren dat alles fout is wat hij doet’, vertelt Minderman. Hij haalt de jongen uit de groep en praat op hem in aan de kant. Ibrahim blijft boos voor zich uitkijken. ‘Vanochtend kon ik hem nog wel bereiken, maar nu is het misschien een beetje te laat op de dag.’

Terwijl Minderman met Ibrahim praat, kan ik even met Jeremiah Kigongo (17) kletsen. Jeremiah, in zijn ene oor een gouden kruis en in zijn andere oor een blinkende knop, kwam zesenhalf jaar geleden uit Oeganda naar Nederland. Hij spreekt goed Engels en Nederlands en is vrolijk en ambitieus. ‘Mijn plan is om personal trainer te worden, in Amerika of Engeland’, zegt hij. Hij plaatst nu alvast zijn eigen workout-filmpjes op YouTube. ‘Maar ik wil ook muziekproducer worden. Ik schrijf mijn eigen nummers. Ik ben altijd bezig met sport en muziek.’ Jeremiahs ogen stralen.

Op het vmbo had hij soms moeite om zich te concentreren, vertelt hij. ‘Ik zat in een hele drukke klas, maar mijn vrienden hebben mij geholpen om te zijn wie ik nu ben. Nu ga ik echt stappen zetten. Ik kom ook meer op tijd. Vroeger niet; dat kwam vooral door mijn fiets. Ik had altijd problemen met mijn banden.’ Inmiddels komt hij met de trein naar school en nu komt hij wel op tijd. Hij wil ‘niet roken, naar feestjes gaan en zo, ik wil alleen maar sporten.’

‘Weet je, ik houd van lezen’, zegt hij opeens serieus. Het duurt even voor ik doorheb dat hij niet doelt op het lezen van teksten, maar op het lezen van mensen. ‘Als ik zie wat voor persoon jij bent, dan volg ik jouw pad.’

Minderman vertelt dat veel studenten werk vinden bij een zwembad waar de school goede banden mee heeft. Maar ook bijvoorbeeld bij de hockeyclub. Of ze vinden werk in het sporthalbeheer. Maar het belangrijkste vindt hij dat ze breed worden opgeleid. ‘Ook als ze niet in de sport gaan werken, dan gaat het erom dat ze in de maatschappij goed terechtkomen.’ Daarom zijn algemene regels tijdens de les belangrijk: draag het rode schoolshirt met het afdelingslogo, kettingen af, op tijd komen. ‘Veel jongens zitten in een bepaalde straatcultuur en dat is op zich oké, maar hier leren ze om te kunnen schakelen tussen die twee culturen.’ Minderman begon zelf op zijn zestiende op niveau twee van het mbo. Hij stroomde door naar het hbo om uiteindelijk hier les te gaan geven. ‘Op het hbo ben je echt een nummer. Ik vroeg me vaak af: kent die docent mij eigenlijk wel? Dat is hier heel anders.’

Van de studenten die hij lesgeeft op niveau twee stroomt uiteindelijk ongeveer dertig procent door naar niveau drie. Die overgang blijkt bij veel mbo-opleidingen moeilijk te overbruggen. Er is een grote scheiding tussen niveau één en twee, waar volgens de docenten de nadruk meer ligt op een algemene voorbereiding op de maatschappij, terwijl bij niveau drie en vier meer ruimte is voor specifieke vaardigheden. Voor deze cesuur zijn verschillende oorzaken aan te wijzen. Sommige kinderen zitten op niveau twee simpelweg cognitief aan hun taks. Maar ook is er veel onzekerheid en gebrek aan zelfvertrouwen.

Een paar dagen later zie ik in dezelfde gymzaal duidelijk het verschil. Deze studenten zitten in de examenklas van niveau drie en moeten een presentatie geven over hun opleiding. Als Jesse Denijs, hun docent, hen goed beoordeelt, mogen ze een gastles gaan geven op een school. De oefening gaat ze goed af. Veel kinderen werken ook al bij een sportschool of een andere sportieve instelling. Ze worden al vroeg voorbereid op het ondernemerschap. Jesse: ‘Ja, ze willen geld verdienen en een eigen bedrijf hebben. Wat komt daar allemaal bij kijken? Dat leren ze hier.’

Binnen de afdeling sport en bewegen bestaat ook nog de opleiding tot ‘urban sporttrainer’, een tweetalige opleiding op niveau vier die expliciet inspeelt op nieuwe ontwikkelingen in de sportwereld. Sport is tegenwoordig breder dan alleen sporten op het sportveld of bij een vereniging. Denk aan de bootcamps in het park of freerunners op straat. Daarom zijn ondernemerschap en het gebruik van technologie essentiële onderdelen van deze opleiding. Ook is er nauwe samenwerking met bedrijven en de gemeente. Het is een nieuw beroep dat we ons tien jaar geleden waarschijnlijk nog niet hadden kunnen voorstellen en dat duidelijk meebeweegt op technologische innovaties.

Ook bij de grimeursopleiding (niveau vier) wordt gebruik gemaakt van nieuwe technologie. Zo is er een 3D-printer waarmee maskers kunnen worden geprint. Toch betekent dit niet dat ze hierdoor minder werk hebben. Hun werk kan er alleen nóg beter van worden. En hoewel grimeur een duidelijk vak is, spelen sociaal-emotionele vaardigheden net zo’n cruciale rol. Jolanda van Vliet, opleidingsmanager, legt uit: ‘Soms zijn omgangsvormen misschien nog wel belangrijker dan hoe goed je bent. Ga jij maar eens een model bodypainten als ze voor je staat in haar string en tepelplakkers. Dat is heel intiem. Daar moet je goed mee om kunnen gaan. Of neem het opmaken van een acteur die zenuwachtig is voor een scène die hij moet spelen. Zonder sociale vaardigheden kun je dit vak niet uitoefenen.’

We lopen door het lokaal voor het vak special effects. Het is lunchpauze en docent Xander Forterie boetseert met plasticine een masker voor het aankomende Halloween-feest van de opleiding. ‘Ken je de facehugger uit de film Aliens?’ Het is een spinachtig wezen dat zich vastzuigt aan het gezicht. Forterie is bezig met een prothese van de facehugger om uiteindelijk op zijn gezicht te zetten. Met een klein stokje modelleert hij het materiaal in een ribachtige structuur.

Hij reist veel voor zijn werk, maar de laatste tijd is hij, ook door corona, meer in Nederland. ‘Ik zie dat er grote behoefte is aan nieuwe content. Door corona is een achterstand ontstaan die nu wordt ingelopen. In Londen worden allemaal nieuwe studio’s gebouwd.’ De banen liggen voor de studenten van de grimeursopleiding dan ook voor het oprapen.

Als ik later met Van Vliet de trap afloop vertelt ze me: ‘Onze docenten zijn de echte topklasse. Xander zal je dat zelf niet vertellen, daar is hij veel te bescheiden voor, maar hij heeft voor topproducties als Batman en The Lord of the Rings gewerkt. Door onze netwerken en via docenten komen onze studenten dan ook op fantastische stageplekken terecht, waar ze vervolgens vaak een baan aan overhouden.’

Vooral meisjes kiezen voor grime. Van Vliet ziet regelmatig ‘spijtoptanten’. ‘Soms zijn ze hier veel beter op hun plek. Laatst was er een meisje van het vwo; die is hier nu helemaal in haar element, maar ja, de druk van de familie en de omgeving is vaak hoog.’

Het is een telkens terugkerend refrein: het algemene en hardnekkige gevoel dat een mbo-opleiding minderwaardig zou zijn. Rineke van Daalen denkt dat het heel ingewikkeld is om dit aan te pakken. ‘Een van de dingen waar je mee moet beginnen is het onderwijs. Het gaat erom dat je het onderscheid tussen verschillende vaardigheden gaat relativeren. Kinderen weten al heel snel dat gym en tekenen minder belangrijk zijn dan taal en rekenen. En we toetsen voortdurend op cognitieve en analytische vermogens. Ik vind dat je daar veel minder ver in moet gaan. Ook in de ongelijkheidsdiscussie ligt de nadruk te veel op selectie, op die leerlingen eruit vissen die intellectueel het best presteren. Als je dat doet, laat je een heel groot en waardevol gezelschap in de steek.’

Maria Asare (23) praat met een twinkeling in haar bruine ogen over haar werk als verzorgende. Ze volgde eerst een mbo-opleiding in de zorg. Haar stage in het ziekenhuis was haar droombaan, want ze wil niets liever dan mensen helpen. Helaas moest ze op advies van haar artsen stoppen. Ze heeft oedeem en dit betekent dat haar lymfedrainage langzamer werkt dan normaal.

Inmiddels is ze bijna klaar met de opleiding juridische dienstverlening en wil ze door-stromen naar het hbo. Ze wil de richting van bewindvoering op, in de schuldhulpverlening. ‘Ik wil graag mensen helpen. Als dat niet als verpleegkundige kan, dan misschien op deze manier.’

Ik vertel Dunja Monker hoe diep ik onder de indruk ben van Maria’s gedrevenheid om mensen te helpen. Ze reageert: ‘Ja, dat zie ik heel vaak, vooral bij de meiden. Die komen soms niet aan leren toe, omdat ze worden ingezet als mantelzorger. Maar zorg wordt in de samenleving lager gewaardeerd. Als een jongen op het vwo bijvoorbeeld hoge cijfers haalt, maar nooit een klasgenoot helpt, dan zal hij niet snel te horen krijgen dat hij moet gaan werken aan zijn hulpvaardigheid. En dat is een gemis, ook voor die jongen zelf.’

Een paar weken later hoor ik dat Maria haar examen heeft gehaald en naar het hbo gaat. Omdat ze zoveel houdt van de zorg blijft ze toch één dag per week werken als ouderenverzorger. Dat is, zoals ze zelf zegt, ‘meer mijn hobby’.


De namen van Omar en Ibrahim zijn om privacyredenen gefingeerd. De echte namen zijn bij de redactie bekend. Deze reportage kwam tot stand met steun van het Steunfonds FreelanceJournalisten