De kracht van het wachten

LISSABON, ‘s morgens in alle vroegte. Aan de noordingang van de wereldtentoonstelling verzamelen zich duizenden mensen voor de kassa. Aan de zuid-, oost- en westingang eveneens. Het neertellen van de gevraagde vijftig gulden voor een dagkaart verloopt redelijk vlot. Maar dan begint het pas. Zo'n tweehonderd meter na de kaartverkoop loopt de menigte in een fuik. De zojuist gekochte kaarten moeten eerst elektronisch worden gecontroleerd voordat je door het tourniquet komt. Alleen de computer kan de geldigheid zien, niet het blote oog. En dat gaat vaak mis.

De supersnel vormgegeven kaartleesapparaten weigeren voortdurend dienst. Bovenin bevindt zich een display waarop een groene pijl of een rood kruis te zien is. Van een afstand is te zien dat de hele batterij toegangspoortjes voortdurend op rood gaan staan. Te zien is ook hoe menige bezoeker in discussie gaat met de - bij elk poortje geplaatste - veiligheidsbeambte. Deze kan echter niets doen. Terwijl hij op zijn vingers wordt gekeken door een pelotonnetje superieuren stopt hij nog maar eens het kaartje in het sleufje en leest op een schermpje wat de problemen zijn. Het kaartje is al eens gebruikt; het betreft een avondkaart; er zit een vouw in, of het is te slap geworden.
Wie dat te horen krijgt na een uur met het zweet in de handen te hebben staan wachten, laat zich natuurlijk niet afschepen. Discussies zonder doel zijn het gevolg. Waarom worden de kaartjes niet gewoon geknipt of afgestempeld? Waarom zo omslachtig een leger veiligheidsmensen die de computer moeten controleren? Waarom zoveel technologie voor een simpele toegangshandeling?
Allemaal vragen waar een zomer lang niemand een antwoord op weet. De Expo 98 gaat door. Daar verandert niemand meer wat aan. Ondertussen groeit de massa snel aan, er wordt getrokken en geduwd. Gezichten staan op onweer. De temperatuur is boven de dertig graden. En de dag duurt nog heel lang. Gelukkig maar, want ook eenmaal binnen is het wachten nog lang niet voorbij. Bij vrijwel elke attractie staat een rij, slingerend langs vakkundig geplaatste dranghekken, meanderend door de tussenruimten, golvend over het terrein.
Families leunen op elkaar, ouderen zitten op kartonnen krukjes, kinderen turen wezenloos voor zich uit. Zo gaan daar aan de oever van de Taag ontelbare man-, vrouw- en kindjaren verloren. Zo wordt gevierd dat Vasco da Gama vijfhonderd jaar geleden India bereikte.
ONDERTUSSEN, elders in de stad…
Hooggelegen in de middeleeuwse wirwar van straatjes en steegjes van de Alfama rijst majesteitelijk het nationale Pantheon op. Prikkend wit tegen de achtergrond van een staalblauwe hemel. Een koepelkerk, barok en blakerend, zetelend op een sokkel in de chaos van het stedelijk weefsel. Binnen bevindt zich een machtige ruimte boven de kruisvormige plattegrond.
De koepel is versierd met steenrode en melkwitte biezen en wordt bekroond door een prachtige lantaarn. Het licht neemt bezit van de hogere regionen. Daaronder vier halfduistere absiden waarin zich de tombes bevinden van de groten uit de Portugese geschiedenis. Naast Luis de Camoes ligt dezelfde Vasco da Gama wiens reis om de wereld nu aanleiding is voor de Expo. De doden zijn altijd alleen, maar eenzamer dan hier is bijna niet mogelijk.
Overhuifd door een der mooiste gewelven uit de geschiedenis der bouwkunst staan hun gedecoreerde sarcofagen voor het oog van niemand. Er is namelijk niemand die het Pantheon bezoekt. Terwijl de Expo honderdvijftigduizend bezoekers per dag verwerkt in deze laatste maand, wordt deze parel geheel over het hoofd gezien. Zelfs de koelte trekt geen mensen op deze hete septemberzondag. In een uur laat zich ternauwernood een enkeling zien. De bijgezette geschiedenis van een trots land trekt geen kijkers.
Maar ook de rest van de binnenstad lijkt geheel in zichzelf gekeerd in het automatisme van het Portugese dagelijks leven. Nergens de bekende bussen vol reislustigen, nergens fotograferende groepsreizigers of slapende backpackers. Lissabon, een paar maanden het centrum van het beste dat de wereld te bieden zou hebben, wordt zelf geheel met rust gelaten, terwijl de toeristenstromen zich hebben gebundeld op een paar hectare voormalig haventerrein.
VOLGENS BILL GATES is het tijdperk van de stad definitief voorbij. Toch meent iedereen die daar in de collectieve rite de passage is terechtgekomen dat hij of zij zich in Lissabon bevindt. Het is allebei niet waar. De Expo is een satelliet, een beetje van Lissabon, maar vooral van het ultramobiele hypertoerisme op zoek naar de kick. Lissabon zelf gaat gewoon door, misschien wel beter dan ooit. Het stadscentrum is deze zomer even themapark af en keert terug naar de status van podium voor de Portugezen zelf. De periferie wordt in een totale wanorde volgeplombeerd met de loden last van het vastgoed. En in een oksel van deze twee zones bevindt zich dat eiland van geprogrammeerde genoegens waarvoor een wachttijd van ongekende omvang in acht moet worden genomen. Hoewel het de bedoeling is het terrein na de tentoonstelling bij de stad te betrekken, onderkent iedereen die het weten kan de onmogelijkheid van deze ambitie. De metropolitaanse melancholie van het oude Lissabon komt hier nooit binnen. Een annexatie in omgekeerde richting is beter denkbaar, maar zal wellicht afketsen op de weerbarstigheid van een cultuur waaraan de globalisering in ieder geval voor een deel voorbij lijkt te gaan.
TOT ZOVER een beschrijving van twee culturen, twee op zichzelf staande werelden. De Wereldtentoonstelling is een enclave met de hardste computergestuurde grenzen die men zich kan voorstellen. Zelden zal een trekpleister zo'n weerbarstig laatste station kennen op de kruisweg naar de totale fascinatie voor cultuurpromotie. Er is ook geen groter contrast denkbaar dan dat tussen de consumptie van het themapark en het edutainment-festival, en de contemplatie in een verstilde kathedraal die is opgedragen aan de erflaters van de beschaving. Maar er is iets dat beide uitersten in het spectrum van de geestelijke capitulatie met elkaar verbindt. Dat is precies dat wachten. Het is uitgesloten dat de vrijwillige verspilling van zeeën van tijd en energie en betere dingen. Hoewel het voor de hand ligt al deze wachturen te zien als een noodzakelijk kwaad, kan de massieve omvang van het wachten zelf beter als een wezenlijk programmaonderdeel van het bestaan worden gezien. En dan niet zozeer als een zinledig wachten, maar juist als een uiterst substantiële ervaring van het Niets.
Het Niets dat besloten ligt in het wachten onder een brandende zon is een intrinsiek onderdeel van het Iets dat verondersteld wordt. Deze veronderstelling is zo krachtig, zo onweerstaanbaar en zo vitaal dat de grootste stompzinnigheid voor lief wordt genomen. Sterker nog, juist die veronderstelling zou wel eens de essentiële kracht van het wachten kunnen zijn. Want de vervulling van deze veronderstelling door de ervaring van de zogenaamde schoonheden daarna staat in geen verhouding tot de verwachting die eraan ten grondslag ligt.
En de stelselmatige teleurstelling die men moet ervaren als men, eenmaal binnengekomen, door de schimmen van de medemassagenoten heen, slechts de bevestiging van de standaard-reisgidsen en vakantiebrochures ziet, is kennelijk irrelevant bij de diepgevoelde wens bij die massa te horen. Ook al is een Expo, en al die andere themaparken en overige bedevaartplaatsen van het wereldtoerisme, een en al grofstoffelijkheid, ook al zijn ze allemaal heiligdommen van het profane, ze zijn toch nog altijd heilig. Zo wereldlijk als het is, is het wachten nog altijd iets religieus.
Het is geen voorwaarde voor de daad, maar een betekenisvolle daad zelf.
Voorbij een bepaald punt wordt de waanzin een offerande voor dat waar geen woorden voor zijn.