Opera

De krans is voor het koor

OPERA Castor et Pollux

In 1995 plaatste The Times een ongewoon enthousiaste recensie van de uitvoering van Schönbergs Moses und Aron door De Nederlandse Opera. Zulke voorstellingen maken ze niet in Groot-Brittannië, sipte de schrijver; wel in Amsterdam, en dat operahuis noemde hij het meest interessante, meest vernieuwende van Europa. Maar de eerste over wie de recensent zijn unstinting praise uitstortte was niet Pierre Audi, of Truze Lodder, of zelfs Pierre Boulez, maar wel het koor van dno en zijn dirigent, Winfried Maczewski. Dat was een passend eerbetoon voor een man die eigenlijk liever in de luwte werkte, en voor een koor waarvan de aanwezigheid (en de kwaliteit) door het publiek min of meer als gegeven werd beschouwd. Vergelijkbare lof kan nu worden uitgestort over datzelfde koor en over Martin Wright, Maczewski’s opvolger bij dno, wiens 24-koppig gezelschap in Castor et Pollux de show steelt, ook al staat het opgesteld in een duistere hoek van de orkestbak.

Het lijkt vanzelfsprekend, maar juist de muzikale kwaliteit van Castor et Pollux is van belang voor het succes van de productie. De toegang tot Rameau’s opera is namelijk niet zonder problemen. Op voorhand kan de hermetisch-schematische muziek, die zo zelden wordt gespeeld, afschrikken. Op voorhand kan ook het vooruitzicht op een ‘pure Audi-enscenering’ – statisch, grafisch, abstract – de bezoeker het gevoel geven dat hij of zij een taai avondje voor de boeg heeft. En dan is er ook nog dat verplichte ballet, dat zo lastig in de verhandeling lijkt te integreren. Maar niks van dat al: Castor et Pollux is een zeer mooie voorstelling, die geen ogenblik taai of saai is.

Het is best een mooi verhaal, ook. Pollux zal trouwen met Telaïre, maar hij schenkt haar aan haar werkelijke liefde, zijn tweelingbroer Castor. Als Castor daarna sneuvelt, daalt Pollux af naar de onderwereld om daar de goden te smeken om het leven van zijn broer, op wie immers het geluk wacht. In de Hades wordt Pollux’ grootmoedigheid opnieuw op de proef gesteld: Castor mag weg, maar dan moet hij zelf blijven.

In de enscenering scheiden grote rasterwanden de verschillende sferen van boven- en onderwereld van elkaar. De abstractie daarvan staat echter de betovering niet in de weg. Het ogenblik waarop Castor en Pollux door Jupiter tot sterrenbeeld worden verheven is zo’n weergaloos toneelbeeld, waarop Audi patent heeft.

Het zijn echter vooral de stemmen die triomferen, vaak in deksels lastige partijen. Henk Neven geeft Pollux een werkelijk navoelbaar, zelfs nobel karakter, Anna Maria Panzarella (Telaïre) en Véronique Gens (Phébé) zijn prachtig in hun wisselende stemmingen en onderlinge jaloezie. Maar de krans gaat naar dat koor.

Castor et Pollux, Jean-Philippe Rameau. DNO, Christophe Rousset (muzikale leiding), Pierre Audi (regie). Muziektheater Amsterdam, t/m 31 januari. www.dno.nl