De krant is een lekker wijf

Het Parool is bij uitstek een Amsterdams wereldfenomeen. Alleen moeten ze daar, pendelend tussen wereld en Wibautstraat, nog steeds aan wennen.

HET WAS HET laatste jaar dat er in lood werd gezet. Elke dag naar de burelen van Het Parool, als miniem radertje in een machtige machine. Telexen scheuren, knippen, plakken, prullenmanden legen en jawel, heel af en toe als er werkelijk absoluut helemaal niemand voorhanden was, mocht ik een stukje stadsnieuws schrijven.
Als de dood was de redactie voor de hoofdredacteur. Als mr. H. W. Sandberg door de gangen beende, dook iedereen achter de brede wagen van de tikmachine. Voor een krant met als motto ‘vrij, onverveerd’ was de angst voor 'De Walrus’ opmerkelijk. Hij stemde zelfs VVD, zo werd in dezelfde wandelgangen gemompeld, hetgeen voor een overwegend sociaal-democratisch gezinde krant waar bij je sollicitatiegesprek nog naar je politieke voorkeur werd gevraagd, opmerkelijk was.
Het was een rare, maar uiterst Amsterdamse krant. Het ene moment gekenmerkt door het gezellig getrut waar de hoofdstad groot in is, het volgende bloedserieus. Een krant in de overgang, waar de oude zetters dagelijks hun dikke vingers verstrikten in de rolletjes eenpuntslijnplakband, het glas melk als vanouds binnen handbereik.
Een ex-verzetskrant, blijvend solidair met de Amerikanen. Al kwam directeur Van Norden dan ooit verdwaasd terug van een lezingencyclus uit de Verenigde Staten: 'Ze wilden goddorie weten wie bij ons in de oorlog de advertenties deed.’ Maar toeval of niet, terwijl All the Presidents Men het bioscoopdoek wekenlang vulde met de burelen van de Washington Post, besloot ook Het Parool de redactieruimten open te gooien. Slechts coryfeeen als Paul van ’t Veer mochten hun glazen hokjes behouden. De stilte die men verwachtte van de tekstverwerker viel tegen, en ook met de gezelligheid in 'de hal’ was het snel gedaan. Het duurde niet lang of de eerste geluidswerende schermen doken op. En de eerste plantenbakken. Alles goed en wel, maar het moest niet al te zakelijk worden. Het was hier Dallas niet. Laat staan Rotterdam.
EEN DECENNIUM later wist ik niettemin zeker dat de Amerikaanse journalistiek de beste ter wereld was. Hier, en zeker aan de Wibautstraat, was dagbladjournalistiek een zwaar aan devaluatie onderhevig beroep. Van de hel die de dagbladjournalistiek op termijn bood, was de Parool-visrubriek absoluut een potentieel voorgeborchte. Wie won hier de Pulitzerprijs, zoals ooit Merriman Smith door krachtig zijn schoen in het gelaat van directe concurrent Jack Bell (AP) te planten en zo - scoop! - de enige telefoon in de perswagen achter het aangeschoten lichaam van John F. Kennedy in handen te houden? Wie was het gegeven als Relman Morin de rassenrellen te Little Rock (Arkansas) te verslaan terwijl een woedende meute rednecks de telefooncel vanwaaruit hij zijn kopij dicteerde probeerde te jonassen?
Het bleef behelpen aan de Wibautstraat. De lokale New York Times, Het Parool. Ooit edities van Apeldoorn tot Leeuwarden, van Utrecht tot Den Haag, en nu met van die blokjes op de voorkant die ter redactie 'minuutjes’ werden genoemd omdat ze binnen die tijd konden worden gelezen. 'Scheiding via bankroof’; 'Chauffeur nept kippige gravin’; 'Post bezorgd in vuilnisbak’. De nieuwe hoofdredacteur Wouter Gortzak had het bij zijn aantreden nog zo eufemistisch gehad over 'vertraagd reageren op maatschappelijke processen’.
Zo werd in de hete zomer van 1966 verslag gedaan van de kloppartijen van de panische politie: 'De weggestuurde Engelsman vraagt: “What way?” “This way”, zegt de agent en slaat hem in het gezicht.’ Hetgeen op de pagina daarna de columnist Dagboekanier er niet van weerhield de lezers gerust te stellen met de mededeling dat zijn poezen nog in leven waren. Weer een pagina verder werd per ingezonden brief een demonstratie 'tegen politie en burgemeester’ gehekeld omdat 'er kleine kinderen meeliepen die om 7 uur al in bed hadden moeten liggen’.
Dat twee jaar later de Amerikaanse massamoord in My Lai abusievelijk in Song My werd gesitueerd, was een futiliteit. Een en ander werd goedgemaakt door de combi van gezelligheid (de bijlagen!) en serieuze nieuwsgaring waar Het Parool het patent op had. En natuurlijk de Roos-pagina, waar de ene kolom emancipatoir meedeelde dat 'onze adjunct een vrouw’ was en de andere de voor- en nadelen van de ouderwetse interlock behandelde. Maar al gauw bleef alleen het getrut over: zo'n Flevo-editie, alleen gedrukt als Potemkin-uitgave voor de politievoorlichter K. Wilting, aldaar woonachtig!
MAAR NA ENIGE Paleisrevoluties - 'Zeg, die Van Wijnen wordt het niet meer, he? Nee, en Hofland zal wel in het gevraagd-zijn-stadium blijven steken. Adjunct Tamboer? Hoe lang wil die adjunct wezen als hij het zelf niet is geworden?’ - zie, daar was Sytze van der Zee! Hij schopte de ingedutte redactie onder de reet en bracht edities ook uit als hij, en niet de redactie, daar zin in had. (EK 1989: 'Goud! Goud! Goud!’) Hij haalde de krant uit een diep dal, hakte dor hout en bracht de traditie van de bijlagen weer terug, zoals de zwaar ondergewaardeerde maar niet genoeg te prijzen wetenschapsbijlage, ook leesbaar voor leken. Of de kunst- en boekenbijlagen, niet geschreven op de parmantige dan wel zure toon van de vakbroeders aan de overkant van de straat, maar gewoon door mensen die duidelijk van lezen en van boeken houden. Een lekker krantje. Nog steeds geen wereldkrant, maar de ramen staan tenminste open.
Toch zit het Van der Zee niet allemaal mee. Hij zit met een relatief grote oude garde van vroeger aangenomen middelmaten. Dat hakt erin bij de nieuwsgaring, en maakt Het Parool meer een schrijverskrant dan een dagblad zich kan veroorloven. En dan dat miljoenenverlies. Weliswaar niet zo rampzalig vanwege de meerderheid van de aandelen Perscombinatie die Het Parool nog immer in huis heeft, maar op de langere termijn wel funest voor de onderlinge verhoudingen. Vroeg of laat gaat een collega van Trouw of Volkskrant, de echte cijfers in de hand, in cafes rondkwekken dat de oplage van Het Parool al lang de honderdduizend niet meer overstijgt.
En dan dat eindeloos laveren tussen het Scylla van een landelijke krant en het Charybdis van een stadskrant. Niet dat het Amsterdamse gemeentebestuur, even betrouwbaar blunderend als de rotsen blijven zingen, minder kopij oplevert dan het Binnenhof. Integendeel. Maar al zingt, volgens Anne Lize van der Stoel, het college van B & W zelf erg mooi, 'al komt het wat rottig hun strot uit’, ook deze coming man van de VVD is niet zomaar naar Den Haag vertrokken.
Maar maakt het wat uit, zo lang je een krant voor je plezier leest? Ooit vergeleek de huiscolumnist Theodor Holman de journalistiek met het oudste beroep: 'De krant is de mooiste, lekkerste en fijnste hoer die je je kan voorstellen. Ze is snel met opsmuk. De koppen in de krant zijn haar overdreven wimpers. De krant stinkt ook naar een goedkoop hoerenparfum. En als De Telegraaf een hoer is en de NRC een sjieke dame, dan hoop ik dat het Parool een lekker wijf is.’
Inderdaad - niks 'de krant is een meneer’. Het Parool is een lekker wijf, net zo mislukt in haar pogingen tot Amerikaanse allure als de suikerspinnen die Ed van der Elsken eind jaren vijftig al fotografeerde in de Nieuwmarktbuurt. Diezelfden die, heel wat ouder, niet gebukt gaan onder het craquele van de tijd. Het Parool is een wereldwijf die zich erbij neergelegd lijkt te hebben dat ze in een dorp woont.