Opheffer

De krant moet nieuws maken

De laatste tijd ben ik nogal in de weer met dagbladen. Wie leest wat in een dagblad, wat kost een dagblad eigenlijk, waarom zouden er dagbladen zijn — al die vragen die je je stelt als je bestaan wordt bedreigd.

Waar we vroeger dagbladen oprichtten uit een vorm van idealisme («onze stem wordt niet gehoord») richten we nu niets meer op, omdat we geen idealisme meer hebben. Of anders geformuleerd: idealisme kost te veel, want aan zo’n krant ben je miljoenen guldens kwijt en de kans dat je erop verdient, is klein.

Dat is eigenlijk nog te begrijpen. Wat onbegrijpelijk is, is dat men op de scholen al jarenlang «krantenles» geeft — daar is zelfs speciale leerstof voor —, excursies naar kranten organiseert, kranten weggeeft, speciale abonnementenprijzen hanteert, maar dat steeds minder mensen houden van krantenlezen, terwijl dat toch een van de aangenaamste bezigheden is.

Wat is er mis en waar is het misgegaan?

Je hebt de Spits-en-Metro-theorie. Jongeren lezen deze gratis kranten en halen de toetsing van hun opinies wel van de televisie.

Je hebt de internet-theorie. Die valt in twee delen uiteen: het is veel makkelijker om via internet aan nieuws te komen en het gebruik van internet houdt je ervan af de krant te lezen.

Je hebt de dommer-theorie: jongeren van nu zijn nu eenmaal dommer dan wij vroeger.

Je hebt de ontlezing-theorie: jongeren van nu moeten zo hard werken dat ze geen tijd nemen om te lezen.

Je hebt de media-theorie: de media zijn zo uitgebreid dat je op allerlei mogelijke manieren, zoals computer, radio en televisie, sneller en effectiever aan je nieuws kunt komen dan via de krant.

Je hebt de ver-van-mijn-bed-theorie: jongeren vinden alles te ver van hun bed, dus willen ze eenvoudigweg niet geïnformeerd worden.

En je hebt natuurlijk een combinatie van deze theorieën.

Het zal allemaal wel waar zijn, maar wat ik dan niet begrijp, is dat ik nog nooit zo veel kranten en krantjes heb gezien (het Hemablad, de Kwantumhallen-breker, de Praxiskoerier, weet ik veel) als tegenwoordig. De drukkerijen draaien volgens mij op volle toeren. En die bladen worden enorm gelezen — ook door mij. De reden daarvoor is simpel: ik kijk naar de koopjes, en ik word op ideeën gebracht. Het dagblad doet dit waarschijnlijk niet. Het geeft informatie over de nachtapotheek en waar Johan Kaart optreedt en welke straten niet meer toegankelijk zijn voor paard en wagen, maar ik krijg er geen ideeën van (er zou iets moeten zijn met een knop die ik indruk en dan komt er licht uit het plafond), ik lig er niet van wakker («de Russen komen») en de wat besmuikte informatie ontbreekt ook («koningin Wilhelmina valt van tree, maar mankeert niks»).

Kortom: de krant weet niet meer waarvoor hij is.

Mijn dochter leest alles wat hier in huis is: De Telegraaf, Het Parool, NRC Handelsblad, Trouw, de Volkskrant — het kan haar helemaal niets schelen wie, wat en hoe. Ja, ze leest Campert, Heertje, Noordervliet, Eetgerink, en nu eens vindt ze de een en dan weer de ander goed. Eigenlijk, bedacht ik, doet ze wat ik en die scholen haar hebben geleerd: ze heeft een eigen mening en kijkt zonder waardeoordeel de wereld in. Daarin schuilt, denk ik, het geheim van de problemen die we momenteel met de dagbladen hebben: wat we wilden met de jeugd is gelukt. Mijn dochter en haar vrienden doen precies wat ze geleerd is, namelijk: hun zin. Kranten, tijdschriften en honderden andere bladen plegen dan ook niets anders te doen dan kijken naar waar het publiek zin in heeft — helemaal fout is dat. Want zo loop je altijd achter — en dat is nu precies waar een krant voor moet waken.

Je moet nieuws maken en zin in nieuws maken.