Hoogmoed of hebzucht?

De kredietcrisis. Whodunit?

Niet eerder in de geschiedenis moesten zo velen boeten voor de onverantwoordelijkheid van zo weinigen. Hebzuchtige bankiers, luie toezichthouders en arrogante economen stortten de wereld in een kladderadatsj. Of zijn wij allen schuldig, wij, de domme consumenten?

ONEENS ZIJN DE EXPERTS het nog altijd over oorzaken, gevolgen en verloop van de financiële crisis die de wereld in september 2008 op de rand van de afgrond bracht. Zelfs over de begindatum bestaat onenigheid. Sommigen leggen die bij de val van Lehman Brothers op 15 september 2008, anderen laten de crisis beginnen met de kapitaalinjecties door Bear Stearns aan twee huisfondsen eind juni 2007 en weer anderen wijzen het voorspel van dalende huizenprijzen in Californië en het faillissement van hypotheekverstrekker New Century begin april 2007 als het eigenlijke begin aan.
Dat er een kakofonie aan meningen over de crisis bestaat is niet zo vreemd. Per slot van rekening heeft ook de Great Crash van 1929 hele generaties economen en historici beziggehouden. Wat groot en complex is en veel gevolgen heeft, zorgt nu eenmaal voor veel boeken en omvangrijke bibliotheken. Daar komt bij dat crises de vervelende gewoonte hebben eindeloze epilogen op te werpen: dachten we dat de markten eindelijk tot rust waren gekomen, gaat DSB kopje onder, waren we daar net weer van bekomen, knipt ING zichzelf op.
Verder staan crises erom bekend stukje bij beetje nieuwe oorzaken en verbanden bloot te leggen. Ook deze crisis heeft transacties, markten en technieken zichtbaar gemaakt die door menige insider, vastgeklonken als deze is aan het eigen marktsegment, stomweg niet konden worden bevroed. Dalende huizenprijzen in Florida leidden tot afwaarderingen op pakketten gesecuritiseerde hypotheken die in de beleggingsportefeuille zaten van gemeentefondsen in Lapland waardoor lokale investeringen in onderwijs moesten worden geschrapt. Alles en iedereen, van Noordpool tot Zuidkaap, van Azië tot Afrika, van BRIC tot G20, bleek voor zijn financiële lot afhankelijk van Wall Street en The City.
Het overzicht wordt verder belemmerd door de blogosphere die als wereldomspannende klankkast ieder halfbakken gerucht uitvergroot tot nieuwe waarheid in een onzekere wereld. Door internet, Twitter en BlackBerry zijn financiële markten schichtiger dan ooit geworden. Presentatie, woordkeuze en timing van bankiers, analisten, bestuurders en politici zijn daardoor uitgegroeid tot wapens die banken kunnen maken of breken. Zowel de journalist, de blogger en de academicus als de bankier, de handelaar en de roddelaar moet zijn woorden op goudschaaltjes wegen. De val van DSB heeft dat eens te meer geïllustreerd.
Maar het zijn niet alleen schaal, complexiteit en snelheid die het gebrek aan overeenstemming verklaren. Ook dieperliggende ideologische verschillen spelen een rol. Zoals Olav Velthuis en Liesbeth Noordegraaf-Eelens in hun Op naar de volgende crisis! schrijven: er is sprake van een felle strijd om herstel van de ‘symbolische orde’. Oftewel, het gaat bij botsende interpretaties niet louter om een academisch gezelschapsspel maar om verschillen in definitiemacht die bepalend zijn voor de toekomst van banken en financiële markten. Analyse, diagnose, schuld en boete vloeien immers naadloos uit elkaar voort.

GROFWEG KUNNEN in de gestaag groeiende stroom aan literatuur die het afgelopen jaar over ons is uitgestort zes verhaallijnen worden ontwaard, die paarsgewijs rond drie geschilpunten kunnen worden gegroepeerd. Het eerste paar is gebaseerd op het afgekloven onderscheid tussen staat en markt. Het tweede paar gaat over vraag- of aanbodkant van de financiële markten; zijn het de kopers of de verkopers die schuldig zijn aan de rommel? En het derde paar gaat over de rol van de econoom: groot of juist te klein?
De stelling dat de crisis is veroorzaakt door te weinig staat en te veel markt wordt het prominentst aangehangen door toezichthouders, met name uit het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, waar zelfreflexiviteit kennelijk minder schaars is dan op het Europese continent. Grootmoedig steken rapporten van Anglo-Amerikaanse origine de hand in eigen boezem en erkennen volmondig dat toezichthouders hebben zitten slapen. Opgesteld door juristen en eindeloos bewerkt door lobbyisten en politici ademen deze rapporten echter de slaapverwekkende toon van het gezonde verstand en eindigen ze met het technocratische verhaal van de kleine juridische stappen om zo’n zelfde kladderadatsj in de toekomst te voorkomen: hogere kapitaaleisen, restricties op bonussen, ‘levende testamenten’ voor grootbanken, meer transparantie voor beleggingsfondsen en een centrale tegenpartij op derivatenmarkten.
Het veelbejubelde rapport van de Britse marktmeester, het Turner-rapport, staat voor zowel het goede als het slechte van het genre; overtuigend als het gaat om het blootleggen van de gebreken in het toezicht, timide als het gaat om de aanbevelingen en flets als het gaat om het drama van het gebeurde. Dit soort rapporten wekt steevast de indruk dat de crisis een lekkende afvoer betreft en niet een grootschalig falen van collectieve rationaliteit.
De grootste crisis van het financiële kapitalisme sinds 1929 zou natuurlijk een bron van vermaak voor de gestaalde kaders van de totale ideologiekritiek moeten zijn. Maar teksten die gelijkhebberig kapitaliseren op het intellectuele failliet van het neoliberalisme moeten in boekenland met een kaarsje worden gezocht. In filmland heeft Michael Moore met zijn ironische liefdesbetuiging aan het kapitalisme wel een eerste links-populistische voor getrokken. Kennelijk heeft de crisis boekenschrijvend ‘links’ al evenzeer overvallen als de toezichthouder en bankier; decennia van multiculturalisme, genderstudies en postkoloniale kritiek hebben ervoor gezorgd dat de linkse academicus met kennis van financiële zaken een zeldzame diersoort is geworden.
Hoewel het wachten nog is op boeken van erkende kapitalismehaters als Robert Brenner en Robin Blackburn, valt in de ‘linksige’ literatuur die tot nog toe is verschenen vooral de milde toon op. Gerald Davis’ Managed by the Markets, dat een helder geschreven overzicht biedt van de groeiende invloed van financiële markten op het dagelijks leven van de Amerikaan, moge dat illustreren. De transformatie van een ‘organisatiesamenleving’ in een ‘investeerderssamenleving’ betreurend, erkent Davis dat markten ook hebben bijgedragen aan welvaartsgroei en emancipatie. Hoewel hij kritisch is over de groeiende commercialisering van de Amerikaanse samenleving, waarschuwt Davis dat nostalgie een slechte raadgever is: er is geen weg terug naar het getemde kapitalisme van de jaren vijftig en zestig – een advies dat hier te lande de FNV en de SP ter harte mogen nemen.
Wat de crisis wel heeft aangetoond, aldus Davis, is dat efficiënte en rechtvaardige markten staatscontrole vereisen om te voorkomen dat banken hun vrijheden opportunistisch misbruiken. Daaraan heeft het volgens Davis geschort. Succes en hoge rendementen hebben geleid tot gemakzucht bij de toezichthouder en zelfoverschatting bij de bankier. Zijn hoop plaatst Davis net als Michael Moore op Barack Obama en de breuk met de ‘neocons’ die zijn verkiezingsoverwinning markeert. Als er iemand in staat is om de groeiende Amerikaanse afhankelijkheid van financiële markten te doorbreken is hij het, aldus Davis, en Moore zegt het hem na. Of die hoop terecht is, staat te bezien; Obama’s gezondheidszorgplannen komen voorlopig maar moeizaam van de grond, in Afghanistan zet hij het beleid van zijn voorganger voort, en het eerste harde ingrijpen in bancaire bonussen moet nog gebeuren.

UIT ANDER HOUT gesneden is de redenering dat de staat de crisis heeft veroorzaakt. Dit tegendraadse geluid kan veelvuldig in academische tijdschriften en rapporten worden vernomen, maar heeft het nog niet tot een publieksboek geschopt. Lawrence McDonald begint zijn spannende A Colossal Failure of Common Sense (sinds kort bij uitgeverij Luitingh in Nederlandse vertaling verkrijgbaar) met een proloog waarin Bill Clinton het moet ontgelden voor zijn pogingen om minderheden toegang te geven tot de Amerikaanse koophuizenmarkt. Maar deze tirade beslaat slechts zeven van de 339 pagina’s. De rest bevat een minutieuze reconstructie van de val van Lehman Brothers, met een grote nadruk op het groepsdenken in de raad van bestuur als hoofdverklaring voor de ondergang van de bank.
Ook Charles Gasparino’s excellente The Sellout besteedt aandacht aan de staatswortels van de Amerikaanse hypothekencrisis en beschrijft gedetailleerd hoe hecht de relaties waren en zijn tussen bankiers en toezichthouders, maar de ‘sellout’ uit de titel betreft toch echt de morele uitverkoop van Wall Street waar sinds de jaren tachtig prudentie en gezond verstand het hebben afgelegd tegen gok- en hebzucht.
Het enige boek waarin de staat de hoofdverdachte is, is John Taylors Getting off Track, met de veelzeggende ondertitel: ‘Hoe staatsinterventies de financiële crisis hebben veroorzaakt, verlengd en verergerd’. Volgens Taylor is de crisis veroorzaakt door het politieke besluit de Amerikaanse onderklasse te laten meedelen in de waardestijgingen van onroerend goed. Beginnend met Clintons Community Reinvestment Act en culminerend in Bush’ Ownership Society heeft de staat willens en wetens een huizenzeepbel gecreëerd door er bij banken op aan te dringen het niet zo nauw te nemen met kredietwaardigheid en ze niet in de weg te lopen bij hun pogingen rommelhypotheken via securitisatie van een laagje bladgoud te voorzien. Volgens Taylor geeft het geen pas bankiers daarvan de schuld te geven. Als de staat de banken niet voor het eigen politieke karretje had gespannen, zou de crisis nooit hebben plaatsgevonden.

HET TWEEDE VERHALENPAAR gaat over de vraag of de schuld nu bij de koper of bij de verkoper van financiële producten ligt. Komt de crisis nu door die vermaledijde bankiers die, gedreven door hebzucht, steeds ingewikkeldere producten hebben geboetseerd om hun domme cliënten meer provisie te kunnen aftroggelen? Of komt de crisis door hijgerige beleggers die geen genoegen namen met lage rendementen en bankiers hebben geprest om nieuwe producten te verzinnen met hoge rendementen en lage risico’s?
Wie de kranten een beetje heeft gevolgd weet dat het aantal auteurs dat het eerste meent veruit in de meerderheid is. In de VS zijn het de journalistieke reconstructies van het einde van Bear Stearns en Lehman Brothers die dit verhaal aanhangen. Sterverslaggever Kate Kelly van The Wall Street Journal in Street Fighters en gevierd bankbiograaf William Cohan in House of Cards bekennen zich er alleen al door de keuze van hun onderwerp toe: hoe een 85 jaar oude, befaamde Amerikaanse investeringsbank, Bear Stearns, ten onder ging aan blinde hebzucht. En datzelfde doet de reeds genoemde McDonald in zijn reconstructie van de val van Lehman.
Ondanks de gemakzuchtige verklaring – ook gisteren werden bankiers gedreven door hebzucht en toen ging het niet fout – bevat Cohans House of Cards, meer dan Kelly’s Street Fighters, een schat aan informatie over bedrijfsvoering, identiteit, cultuur en complexiteit van het zakenbankieren. Vooral het eerste deel, dat in pakweg 150 pagina’s de tien dagen in maart 2008 beschrijft waarin Bear Stearns ten onder ging, laat zich lezen als een filmscript met thrillerachtige allure.
Een variatie op het thema van de hebzuchtige bankier is te vinden in de vele quasi-autobiografische beschrijvingen van de ervaringen van jonge bankiers in het 21ste-eeuwse Wall Street en The City. Deze vertellingen volgen het patroon van verlies van onschuld culminerend in harteloos narcisme gevolgd door reinigende catharsis en onvermijdelijke bekering. Het platte Cityboy van Geraint Anderson wentelt zich in lange werkweken, goedkope seks, brede lijnen cocaïne, veel drank en deprimerende katers, terwijl Tetsuya Ishikawa’s How I Caused the Credit Crunch een informatieve verhandeling over de constructie van gesecuritiseerde hypotheken lardeert met passages over exorbitante bonussen, pathologische consumptie en seks met twee geile Braziliaanse zusjes. Overtuigend wordt het echter nooit. Als lezer heb je het idee dat de auteurs meer bezig zijn met het optuigen van het aura van jongensachtige bravoure en nietsontziend cynisme dat Wall Street en The City in de ogen van de buitenwereld aankleeft dan met het schetsen van een waarheidsgetrouw beeld van hun eigen rol bij de financiële kladderadatsj van vorig jaar.
De hilarische serie picareske romans over groei, bloei en val van zakenbankier David Hart van de fictieve Grossbank speelt expliciet met deze kloof tussen werkelijkheid, wens en verwachting. Snuivend, spuitend, neukend en oplichtend gaat het personage van auteur David Charters, zelf een oud-Deutsche Bank-bankier, ten onder. Het cynisme van het hoofdpersonage is zo buitensporig dat geen lezer de boeken zal dichtslaan met het idee een realistisch portret van het hedendaagse zakenbankieren te hebben gelezen. De spot is bovendien zelfspot, wat suggereert dat de verhalen vooral zijn bedoeld voor de eigen stam. Where Egos Dare is de laatste in de serie en beschrijft Harts Werdegang tijdens de kredietcrisis; een graaiende bankier, maar wel een met een vette knipoog.

OOK IN NEDERLAND moet de graaiende bankier het ontgelden. Het meest uitgesproken in het schreeuwerige Bonus! Waarom bankiers de grote winnaars zijn van deze crisis van Pieter Klok en Xander van Uffelen, maar ook in het veel beter geïnformeerde Bankroet van Egbert Kalse en Daan van Lent.
De Volkskrant-journalisten Klok en Van Uffelen schetsen de groei van bankiersbonussen, stellen dat deze cruciaal zijn geweest voor het veroorzaken van de crisis en zien met lede ogen dat de politiek weigert de bonussen echt aan te pakken. De toon is schril, de verontwaardiging groot en daarmee betonen de heren zich meer activist dan verslaggever. De NRC Handelsblad-journalisten Kalse en Van Lent hebben een andere ambitie. Zij geven een breed overzicht van de financiële mondialisering van de laatste decennia om de vraag te kunnen beantwoorden of de baten van de bancaire vrijpostigheden opwegen tegen de kosten van de crisis. Ja, luidt het verrassende antwoord. Maar ondanks nuchtere toon, grondig onderzoek, vele gesprekspartners in binnen- en buitenland en ‘nauwgezette reconstructies’ laat de ondertitel van het boek – Hoe bankiers ons in de ergste crisis sinds de Grote Depressie stortten – weinig te raden over de kern van hun betoog. Het is de ongebreidelde hebzucht van Wall Street, The City en de Zuidas die ons in het verderf heeft gestort. Als je gelezen wil worden, kun je je kennelijk niet te veel distantiëren van idées reçues, ook al weet je dat ze onzin zijn. Kalse en Van Lent zijn daarvoor beloond met nu alweer een derde druk.
Het tegenverhaal dat de oorzaak bij hijgerige beleggers en aandeelhouders ligt is schaars, zeker in Nederland. Internationaal is er een aantal commentatoren dat heeft gewezen op de belangrijke rol van internationale economische onevenwichtigheden bij het aanjagen van de crisis. Door vergrijzing, exportoverschotten en stijgende grondstofprijzen beschikt een aantal landen (waaronder Nederland) over grote kapitaalreserves die door de internationale financiële markten moeten worden geabsorbeerd. Dit leidt tot lage rentestanden, inflatie van de waarde van activa en een continue stroom van financiële innovaties die hogere rendementen beloven bij gelijke risico’s.
Een prominente exponent van deze visie is Financial Times-redacteur Martin Wolf. Maar ook een aantal wetenschappers zoekt de oorzaak van de crisis vooral bij beleggers. Volgens hen is het niet de hebzucht van de bankier geweest die ons te gronde heeft gericht, maar zijn we allemaal medeschuldig, deugdzame oud-onderwijzers die hun pensioen betrekken van het ABP incluis.
Het dichtst bij deze visie komt Bert Heemskerk in Een gezonde krimp. Hij is net bestuursvoorzitter-af van de Rabobank, dus je hoopt op beschrijvingen van binnenuit van paniek op de handelsvloer, stress in de bestuurskamer en oorlog met politici om reddingsacties en staatsgaranties. Marar die komen niet. Gebruikmakend van het onderzoeksapparaat van de Rabobank geeft Heemskerk een adequate maar weinig verrassende schets van de voornaamste mechanismen achter de crisis. Pikant wordt het pas tegen het eind van het boek, als Heemskerk een hartstochtelijk pleidooi houdt voor het eigendomsmodel van de coöperatie, niet toevallig het model van de Rabobank. Daarmee schuift hij van de weeromstuit hijgerige aandeelhouders de schuld in de schoenen en verwijt en passant zijn collega-bankiers te veel te zijn meegegaan met de graaizucht van de belegger.

HET LAATSTE VERHALENPAAR betreft de rol van economische modellen bij het ontstaan van de crisis. Was die groot en hebben toezichthouders en bankiers te veel vertrouwd op de schijnzekerheid van deze modellen? Of was die rol juist klein en is het antwoord dus meer en betere modellen? Socioloog en oud-Volkskrant-redacteur Olav Velthuis en collega Liesbeth Noordegraaf-Eelens zijn overtuigd van het eerste.
Onder de provocerende titel Op naar de volgende crisis! stellen ze dat vóór de crisis economen de belangrijkste vertellers van gezaghebbende verhalen over geld, markten en banken waren. Met hun aura van harde natuurwetenschappelijkheid hebben ze bankiers en toezichthouders verleid tot blind vertrouwen op economische modellen in de hoop dat model en werkelijkheid naadloos samenvallen. Die hoop is door de crisis gefnuikt. De remedie is volgens de auteurs dan ook niet meer informatie, meer transparantie en betere modellen, zoals toezichthouders menen, maar meer diversiteit, meer wetenschappelijke disciplines (filosofie, sociologie, politicologie), een ander wervings- en selectiebeleid en, vooral, grotere bescheidenheid. Het is een illusie te denken dat crises kunnen worden uitgebannen. Beter is het ernaar te streven om de effecten ervan te beperken en het systeem robuuster te maken voor onvermijdelijke vergissingen, blunders en emoties.
Verleiding en kuddegedrag staan al evenzeer centraal in het multivocale tapijt dat de Britse toneelschrijver David Hare over de crisis heeft geweven. In een zinderend tempo passeren hoofdrolspelers als George Soros, Myron Scholes, Adair Turner en de amper versleutelde Gillian Tett van de Financial Times de revue om de schrijver bij te praten over het gebeurde. Zoals de titel, The Power of Yes, suggereert, is de oorzaak volgens Hare eerder overmoed dan hebzucht. Vrij naar de baas van Citigroup: niemand wilde de pret verstoren terwijl het feestje nog gaande was. En omdat niemand wist wanneer het zou zijn afgelopen, bleef iedereen tot het laatst meedansen.
Het tegenovergestelde wordt betoogd door de economen Robert Shiller en George Akerlof in Animal Spirits. Hoewel zo op het eerste gezicht een felle aanval op de gedragsaannames van de economie – actoren zijn volledig geïnformeerd en beslissen op basis van rationele kosten-en-baten-afwegingen – is Animal Spirits in feite een pleidooi voor meer financiële innovatie en meer financiële markten om met verzekeringen de rationaliteitsgebreken van individuen te ondervangen.
In zijn eerder verschenen The Subprime Solution heeft Shiller dat uitgewerkt voor de huizenmarkt. Huizenbezitters zouden zich moeten kunnen verzekeren tegen dalingen van de waarde van hun huis. Hadden dergelijke producten bestaan, dan zou de crisis niet hebben plaatsgevonden. De boodschap is dat de crisis niet is veroorzaakt door te veel maar door te weinig financiële innovatie. Het pleidooi van Animal Spirits voor beter gefundeerde gedragsaannames in de economie mag op brede steun rekenen; Shillers pleidooi voor meer financiële innovatie krijgt nauwelijks handen op elkaar.

AL DEZE VERHALENPAREN voegen belangrijke brokstukken toe aan ons beeld van de crisis. Staat en markt, hebzucht en overschotten, graaiende bankiers en opgefokt machismo, arrogante economen en een overmatig vertrouwen in modellen zullen in de uiteindelijke historiografie ongetwijfeld terugkeren.
En toch knaagt er iets, althans bij deze lezer. Dat heeft te maken met de sterke morele reflex waarvan deze verhaallijnen getuigen. In vrijwel alle hier besproken boeken wordt gezocht naar schuldigen. Omdat we er nog middenin zitten, is het begrijpelijk dat auteurs zoeken naar het Barbertje dat moet hangen. Per slot van rekening geldt voor deze crisis, vrij naar Churchill, dat niet eerder in de geschiedenis zo velen zozeer hebben moeten boeten voor de onverantwoordelijkheid van zo weinigen.
Het probleem met deze reflex is echter dat ze verhalen oplevert die naar mijn smaak te veel lijken op complottheorieën, gestoeld als ze zijn op een beeld van menselijk handelen waarin tussen willen, weten en doen geen schotten staan en handelingen naadloos voortvloeien uit bedoelingen. De crisis is dan de schuld van een hebzuchtige financiële elite die doelbewust een speculatieve dodendans in gang heeft gezet omdat ze wist dat de belastingbetaler zou opdraaien voor de kosten ervan.
Ongetwijfeld is er sprake geweest van cynische zelfverrijking over de ruggen van nietsvermoedende derden, maar zelfverrijking is van alle tijden en vind je in de beste kringen en kan dus niet verklaren waarom het in 2007 zo verschrikkelijk fout ging. Daarvoor is meer nodig en dat ‘meer’ is volgens mij eerder de wet van de onbedoelde gevolgen dan de bouwstenen die hierboven zijn aangedragen. Als je het verloop van de crisis overziet, dan vallen in het bijzonder de terugkoppelingsmechanismen op, die ervoor hebben gezorgd dat een lokale hypotheekcrisis een mondiale financiële crisis en vervolgens een al even mondiale economische crisis kon worden. Het gaat dan om kapitaaldekkingseisen, de wettelijke verplichting voor beleggingsfondsen om te beleggen in producten met de hoogste kredietwaardigheidsoordelen, het gebruik van aandelenkoersen als het ultieme oordeel van de markt over de waarde van activa, waarborgeisen tussen kredietverstrekkers en kredietnemers (margin calls, bond covenants) en nieuwe boekhoudregels (mark-to-market). Allemaal zaken die met de beste bedoelingen zijn ingevoerd maar die vanaf augustus 2007 gezamenlijk uitmondden in een dodelijke spiraal die ons de grote recessie van 2008 heeft gebracht.
Ga maar na: mark-to-market was bedoeld om de bevoegdheden van managers bij het opstellen van jaarrekeningen aan banden te leggen. De Enron-, Parmalat- en Ahold-affaires hadden geleerd dat bestaande regels te veel ruimte boden voor creatief boekhouden. Soortgelijke overwegingen lagen ten grondslag aan de kapitaaldekkingseisen van het Bazelse Comité van Bankentoezichthouders, de waarborgeisen van tegenpartijen en de wettelijke eis van kredietwaardigheidsoordelen van Standard & Poor’s en Moody’s bij het verpakken van hypotheken.
Tijdens de meest apocalyptische fase van de financiële crisis in september 2008 bleken deze veiligheidsmaatregelen beursgenoteerde banken echter onverbiddelijk in de betalingsproblemen te drukken. Afwaarderingen op waardeloos geworden activa, afgedwongen door boekhoudregels en veroorzaakt door de uitverkopen van andere banken, zetten de beurskoers onder druk, brachten de kredietwaardigheid in gevaar en noopten tot aandelenuitgifte of verdere executieverkopen, waardoor de koers verder daalde en de waarde van de activa nog meer onder druk kwam. Dit leidde op zijn beurt tot verslechtering van de kapitaalposities van andere banken, tot hogere waarborgeisen bij kredietverschaffers, verdere uitverkopen en zo verder. Voeg daar een licht met elkaar vervlochten babbelende kaste aan toe van analisten, journalisten, academici en bloggers, die marktontwikkelingen instant van commentaar en wedercommentaar voorzagen, en een al even licht met elkaar vervlochten gemeenschap van hedgefondsen die als haaien op gewonde bedrijven jagen, en je hebt een cocktail van in elkaar grijpende terugkoppelingsmechanismen die onder de juiste omstandigheden ‘schitterende ongelukken’ veroorzaken.

HETZELFDE GELDT VOOR de voornaamste onderliggende oorzaken van de crisis: de lage-rentepolitiek van voormalig Fed-voorzitter Alan Greenspan en de betalingsbalansoverschotten van China. Die lage rente was een direct gevolg van de poging van Greenspan om de economische terugval na het uiteenspatten van de ICT-bel in 2000 zo veel mogelijk op te vangen. En met succes. Binnen drie jaar was de Dow Jones het hoogtepunt van 2000 al weer gepasseerd. Greenspan kon echter niet weten dat zijn lage-rentepolitiek pensioenfondsen en andere institutionele beleggers veel pijn deed, hen daarmee transformerend tot de voornaamste aanjagers van financiële innovatie.
Ook de Chinese kapitaalstroom naar de VS is een onbedoeld gevolg van beslissingen die om andere redenen zijn genomen. De les die de Chinese overheid uit de Azië-crisis van 1997 trok was dat je nooit genoeg dollars in kas kon hebben. De exportmachine die daarvoor werd opgetuigd had anno 2009 2300 miljard dollar opgeleverd, waarvan zestig procent was belegd in Amerikaanse overheidsobligaties. En ook hier geldt dat de Chinese overheid onmogelijk kon bevroeden dat het vele geld dat zij in Amerikaanse financiële producten stak een consumptieve braspartij zonder weerga aanzwengelde.
Dit, meer dan hebzuchtige bankiers, domme consumenten, luie toezichthouders en arrogante economen, is volgens mij de oorzaak van de crisis; een complexe kluwen van onbedoelde gevolgen die niemand had kunnen voorzien (op de econoom Nouriel Roubini na) en ook niemand had kunnen voorkomen (ook Alan Greenspan niet). Daar hoort een ander mensbeeld bij. Geen rationele actoren die hun handelen laten afhangen van koelbloedige kosten-en-baten-calculaties, maar mensen van vlees en bloed met beperkte informatie, geringe opnamecapaciteiten, die kortzichtig zijn, worden beheerst door affecten en emoties, en zijn gepredisponeerd tot het maken van vergissingen.
Ik snap dat dit onbevredigend is; wij begrijpen de wereld nu eenmaal graag als een whodunit. Helaas trekt onze werkelijkheid zich daar meestal weinig van aan.